Het Indische verhaal van mijn grootouders begint in 1920, wanneer mijn grootvader Lijbert Rozendaal — geboren in 1894 in Oud‑Beijerland — met zijn jonge gezin naar Nederlands‑Indië vertrekt. Hij is dan onderwijzer in de omgeving van Rotterdam en wordt in datzelfde jaar ernstig ziek. In zijn ziekte doet hij een gelofte: als hij beter wordt, zal hij zich in Indië in dienst stellen van de Zending en zich wijden aan christelijk onderwijs voor de lokale bevolking.

Hij herstelt volledig. Zijn ontslag wordt hem eervol verleend, en in november 1920 scheept hij zich in op het ss Tabanan van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Zijn vrouw, Teuntje van Driel (eveneens uit Oud‑Beijerland, ook 1894), reist mee, samen met hun twee jonge kinderen: mijn vader Paul(us) (1918) en mijn tante Nan (1920), beiden geboren in Rotterdam.

Opa Lijbert en Oma Teuntje met mijn vader en zijn zusje Nannie vlak vóór vertrek naar Indië

Opa Lijbert (geheel rechts achteraan) met één van zijn klassen in de omgeving van Rotterdam

het ss Tabanan van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd

De eerste Indische jaren (1920–1925)

Het gezin vestigt zich eerst in Meester Cornelis, een voorstad van Batavia. Daar wordt in 1922 hun derde kind geboren: Jaap, het eerste kind dat in Indië ter wereld komt. De jaren daarna wonen zij afwisselend in Meester Cornelis, Weltevreden, Soekabumi en uiteindelijk Surakarta (Solo). Opa geeft les aan verschillende MULO‑scholen en groeit uit tot een gerespecteerd hoofd van de school in Solo.

Het leven is er goed. De kinderen groeien op in een wereld van zon, ruimte en avontuur: spelen onder het spoorviaduct, zwemmen, tennis, vakanties in de koele bergen van de Preanger, en natuurlijk Sinterklaas en Kerst — gewoon zoals thuis, maar dan onder de tropenzon.

Het is de tijd die later Tempo Doeloe zou worden genoemd.

Een groot gezin in de tropen

In de jaren die volgen worden nog zeven kinderen geboren. Het huishouden is groot en druk, en mijn oma — die vaak zwanger was en veel last had van migraine — kon gelukkig rekenen op het Indische personeel dat in die tijd gebruikelijk was: een baboe, een kokkie, een djongos.

Een herinnering van Elsbeth, dochter van tante Jeanne, vangt de sfeer van die tijd prachtig:

“Mijn moeder sprak altijd met heimwee over haar Indische jeugd. Als de tantes samen waren, kwamen de Maleise woorden vanzelf terug. Onze oma was bijna voortdurend zwanger; het was zwaar, maar gelukkig had zij haar personeel. Opa was hoofd van de school en een gezien persoon. De kinderen speelden in en om het huis, en er gebeurde natuurlijk wel eens iets — één van de kinderen is bijna verdronken in een kuil die door een oom was gegraven en vol water liep tijdens een tropische regenbui. De vakanties brachten ze door in de bergen. Mijn moeder is nooit terug geweest naar Indonesië; ze zei altijd dat ze genoeg had aan haar herinneringen.”

Het gezin Rozendaal in de tuin van hun huis

in Meester Cornelis bij Batavia

De Kerkeraad van de Gereformeerde Kerk te Solo

(Opa geheel achter links)

School, kerk en gemeenschap

Opa is actief binnen de Gereformeerde Kerk in Indië, waar veel Nederlandse gezinnen elkaar ontmoetten. De gemeenschap was hecht: verjaardagen, kerkelijke feestdagen, gezamenlijke uitjes en veel onderlinge steun.

Het gezin gaat twee keer met verlof naar Nederland:

  • 1927/1928 – logeren bij familie in Oud‑Beijerland, in het oude herenhuis Iependaal.
  • 1933 – een gehuurd huis in Heemstede, omdat het gezin inmiddels te groot is om maandenlang bij familie in te wonen.

De kinderen en hun passies

Mijn vader doorloopt in Indië de Lagere School en de MULO‑B (diploma 1934). Daarna reist hij alleen terug naar Nederland om het Gymnasium‑B te volgen (diploma 1938), met het doel om in Leiden Rechten te studeren, met specialisaties in Adat‑recht en Indonesisch agrarisch recht. Hij wist toen al dat hij na afronding van die studie zou terugkeren naar zijn geliefde Indië.

Broer Jaap doorloopt eveneens de lagere school en MULO in Solo.

In Solo ontstaat bij beide jongens een levenslange passie: stoomtreinen. Ze speelden vaak bij het spoor, onder en op een viaduct. Die fascinatie zou nooit meer verdwijnen. Mijn vader werd later een fervent filmer van stoomtreinen wereldwijd en bouwde enorme modelbanen in de kelder van hun huis in Rotterdam. Jaap schreef een boek over stoomtreinen in Indonesië en leverde artikelen aan voor Locomotive International.

Opa van 1939 tot begin 1940 tijdelijk vrijgezel ,

(rechts  een collega):

Ergens in deze menigte zwaait Opa zijn gezin uit bij het vertrek per schip naar Nederland

De dreiging van Japan en de terugkeer (1938–1940)

Vanaf eind jaren ’30 wordt de Japanse dreiging steeds voelbaarder. Veel gezinnen sturen hun kinderen alvast naar Nederland. Mijn vader gaat in 1934 al voor zijn studie, maar in 1939 reist ook mijn oma met de overige kinderen naar Nederland, per ms Johan van Oldenbarnevelt.

Opa blijft nog even achter om zijn volledige pensioen veilig te stellen — tropenjaren telden dubbel. Begin 1940 keert ook hij terug, en komt één week vóór de Duitse inval in Nederland aan. Net op tijd dus, anders zou hij wellicht naar Indië terug moeten keren en daar later door de jappen geïnterneerd worden met alle gevolgen van dien.

Het gezin vestigt zich in Haarlem, aan de Zomerluststraat 14, waar opa en oma tot hun overlijden zouden blijven wonen.

De familie bevond zich dus niet meer in bezet Nederlands‑Indië tijdens de Japanse bezetting (1942–1945).

Ontspanning in die tijd:

Opa en Oma Rozendaal voor hun huis in de Zomerluststraat 14

Sinterklaas en Kerst in Indië:

De Zomerluststraat in Haarlem nu