De Overtochten per Schip

Het IHC (Indisch Herrinnerings Centrum) in Den Haag heeft een interessante website opgezet over de naoorlogse repatriëring per schip en vliegtuig vanuit Nederlands-Indië/Indonesië naar Nederland:


Een groeiend aantal passagierslijsten is daar ook doorzoekbaar op passagiersnaam, schip en afvaart.

De volgende tekst en nevenstaande foto's/grafieken zijn hieruit overgenomen: 

"In de geschiedenis van Indische families is de reis naar Nederland een ijkpunt. De overtocht vormt het persoonlijk sluitstuk van het leven in Indië/Indonesië en het begin van het leven in Nederland. Geschat wordt dat ongeveer 95% van de repatrianten de reis per schip heeft gemaakt en ongeveer 5% per vliegtuig. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het schip het symbool is geworden van de naoorlogse repatriëring.

De ruim 420.000 mensen werden vervoerd op passagiersschepen of tot passagiersschepen omgebouwde vrachtschepen. In totaal vonden er ruim 1.600 vaarten plaats richting Nederland uitgevoerd door ruim 260 schepen. Het M.S. ‘Oranje’ heeft veruit de meeste vaarten gemaakt op afstand gevolgd door het M.S. ‘Willem Ruys’ . Andere bekende schepen waren het M.S. ‘Johan van Oldenbarnevelt’ en  het M.S. 'Sibajak’ .

Door het tekort aan scheepsruimte werden er naast Nederlandse ook buitenlandse schepen ingezet zoals het Italiaanse schip de ‘Roma’, het Noorse schip de ‘Skaugum’ of het Britse schip de ‘Atlantis’.

Slechts een minderheid maakte de overtocht per vliegtuig. Een bekend vliegtuig dat ingezet werd, was de Skymaster. In de Collectie Repatriëringslijsten zijn 124 passagierslijsten van vluchten opgenomen uit de jaren 1946 en 1947 met bijna 7600 passagiers. Verder één charter uit 1952 en twee uit 1955 met een onbekend aantal passagiers. Tenslotte bevat de collectie 21 vluchten die in de jaren 1961 en 1962 hebben plaatsgevonden. In totaal betreft dit ruim 1.200 passagiers. Het is echter onbekend hoeveel passagiers er per vliegtuig naar Nederland zijn gerepatrieerd.

De vaarroute van Indië/Indonesië naar Nederland

Reizen van Nederland naar Indië v.v. met Nederlandse schepen of vliegtuigen. Bron: Kleine schoolatlas der gehele Aarde (Groningen 1939)

De schepen vertrokken doorgaans vanaf de havens van Java zoals Tandjong Priok in Batavia/Jakarta en Tandjong Perak in Soerabaja en kwamen aan in Amsterdam of Rotterdam. Op de vaarroute werden verschillende havens aangedaan.

Vanaf Java voer het schip eerst naar Colombo op het eiland Sri Lanka, toen nog Ceylon geheten. Soms voer het rechtstreeks via de Straat van Java, langs de vulkaan de Krakatau en over de Indische Oceaan naar Colombo. Andere schepen voeren eerst naar Singapore en de haven van Belawan bij Medan op Sumatra, langs Sabang naar Colombo.

Na Colombo voer men over de Indische Oceaan naar de Golf van Aden. Vervolgens over de Rode Zee en de Golf van Suez via het Suezkanaal naar Port Said. In 1946 deden de schepen Ataka aan. Ter hoogte van Adabiya (bij Suez) meerde het schip af aan een door de Geallieerden tijdelijk aangelegde haven. Vanuit de haven werden de passagiers per treintje vervoerd naar een tentenkamp van het Rode Kruis midden in de woestijn. Hier kregen de repatrianten een medische check-up en winterkleding. In latere jaren vond de kledingverstrekking plaats op het schip zelf in de buurt van Port Said en nog later in de haven van aankomst in Nederland.

Reiskosten

Uitgezonden personeel en lokaal aangenomen personeel:

Nederlands-Indië was een kolonie. Vanuit Nederland werden ambtenaren, militairen en personeel voor het bedrijfsleven uitgezonden. De reis voor hun uitzending werd betaald door de werkgever evenals die voor de terugkeer naar Nederland. Tijdens hun loopbaan hadden zij tevens recht op verlof, gemiddeld om de vier jaar. Ook deze reiskosten kwamen voor rekening van de werkgever. Tijdens dit verblijf kregen de werknemers, ambtenaren en militairen verlofsalaris c.q. soldij uitbetaald. In Nederlands-Indië zelf werd ook personeel aangenomen voor het Nederlands bedrijfsleven, het gouvernement en het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Afhankelijk van de werkgever en hun positie binnen het bedrijf of de overheid kwamen zij in aanmerking voor een buitenlands verlof. Dus niet iedereen had recht op verlof. Deze verlofreis of de terugkeerregeling werd tijdens de naoorlogse repatriëring aangewend om de reis naar Nederland te maken.

Overig:

Een groot deel van de Indische bevolking had echter geen werkgever die de reiskosten droeg. Zij dienden de reis zelf te betalen. Dit kon door aanwending van het eigen vermogen als men dat had of men kon een financieel voorschot voor de reis aanvragen bij het Nederlandse Rijk. Dit renteloze voorschot diende later in Nederland in termijnen terugbetaald te worden. Het verkrijgen van een Rijksvoorschot was door het Nederlandse kabinet aan strikte voorwaarden gebonden, waardoor dit voorschot tot 1955 slechts minimaal verstrekt werd. Na 1955 werden de eisen versoepeld, ingegeven door de steeds slechter wordende politieke en maatschappelijke situatie van de Indische Nederlanders."

 

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel

Top 10 Passagiersschepen met de meeste vaarten en de bijbehorende rederij. SMN: Scheepvaart Maatschappij Nederland (thuishaven Amsterdam); KRL: Koninklijke Rotterdamse Lloyd (thuishaven Rotterdam)

Hieronder meer informatie over de vier meest iconische schepen van

De Indische Repatriëring en hun rederijen t.w. de Scheepvaart Maatschappij Nederland (S.M.N.) en de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd (K.R.L.):