Vivienne Fanoy vertelt het verhaal van haar oma Elsa Hemsing - te Kolsté

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel

Onze oma Elsa Hemsing-te Kolsté heeft vanaf 1948 haar levensverhaal opgeschreven. Als kind wisten wij een klein beetje wat zij en haar gezin hadden meegemaakt, maar we waren te jong om echt vragen te stellen. Hoe mooi is het dat zij het opgeschreven heeft en hoe fijn is het dat mijn vader het gedigitaliseerd heeft. Het verhaal is zo ook voor de volgende generaties te lezen.

Ze was voor ons een hele lieve oma en nu denk ik ook een stoere oma. Ga er maar aan staan na de oorlog en de kampen terug naar Nederland als weduwe met 3 kinderen. Maar ze deed het, haar verhaal begint zij bij haar geboorte en stopt als ze begint met schrijven rond 1948.

Later heeft ze nog wel af en toe iets aangevuld.

Wij hebben veel herinneringen aan haar en één van de tastbare herinneringen is een popje van een oude sok die zij maakte voor mijn dochter Tetske, zo maakte zij in het kamp popjes vertelde zij aan haar.

Een eerbetoon aan onze oma Els.

Vivienne Fanoy, september 2022

Het popje van een oude sok dat mijn oma voor mijn dochter Tetske maakte en inmiddels 35 jaar oud is

Ik werd geboren op de suikerfabriek Gending bij Kraksaän. Bij mijn geboorte was de
comeet van Halley te zien. Of deze gebeurtenis van invloed is geweest in mijn leven weet ik niet.
Dat zou in mijn horoscoop hebben moeten staan. Op mijn Nederlandse pas staat ,,Probolinggo”
omdat dit makkelijker was dan Kraksaän.

De Komeet Halley

Klik op de foto voor meer informatie over de Komeet Halley

Verhalen van mijn moeder

Maatje

Maatje, zoals wij Oom Wim en ik haar noemden, woonde als kind op een onderneming boven Blitar, Sietho Redjing residentie Kediri.

Opa Bob was daar administrateur (dat is beheerder, het hoofd van de onderneming). Hier in Nederland heeft dit woord een andere betekenis. Één tot tweemaal per jaar ging de hele familie naar de stad, dat was Blitar. Daar hadden ze ook een huis. Dan ging alles mee honden, katten, aap, kippen, in één woord alles wat er aan dieren was.








Éen maal per jaar waren er in Blitar tijger gevechten. In een vierkant in het midden op de aloon-aloon, dit is het dorpsplein, waren mannen met pieken  opgesteld. Dan werden de 2 tijgers losgelaten, die dan begonnen te vechten omdat ze tevoren ook uitgehongerd werden. Mocht er één willen ontsnappen dan werd die wel dood gespietst door de pieken van de mannen die om de arena stonden.

Zo gebeurde dit ook eens toen de familie in Blitar was. Na de lunch ging men in Indië altijd naar bed. Oma lag dus te slapen toen de kamer deur open ging, zij werd wakker, gaf een gil, want door die deur kwamen 2 tijgers naar binnen. Maar toen ze haar ogen weer open deed waren het geen tijgers maar 2 Deense of Duitse doggen van de buren,  Wat een schrik

Opa Bob

Mijn Grootmoeder

Mijn grootmoeder Jeanette Soesman stierf heel jong aan suikerziekte. Ze hield geen dieet. Ze werd begraven in Probolinggo. Wat er na de oorlog met dit kerkhof gebeurd is, laat zich alleen maar raden. Mijn grootvader had op dat moment geen werk, en de familie kwam in huis bij onze “Ome Charles”, een broer van opa. Hij was assistent resident in Probolinggo. Het huishouden werd gedaan door een nicht, Tante Claartje.

Tante Klaartje

Ome Charles

Van haar leerden Maatje en Tante Wies dansen (walsen) de dans van die tijd. Dit gebeurde voor de goedang, dit is de voorraadkamer, ik vermoed met een grammofoon His Masters Voice.

Grammofoon

Label grammofoonplaat

Na enige tijd kreeg mijn grootvader de benoeming als administrateur van de onderneming Nobo bij Ambarawa. Toen moest tante Wies het huishouden doen. Na het huwelijk van tante Wies met oom Münch, moest Maatje het huishouden doen op Nobo.

Tante Wies

Oom Münch

Hier in de buurt woonde "de Ome Charles". Toen hij nog assistent resident was, had hij als assistent wedono, de latere regent van Banjoewangi. Het verhaal hierover volgt na mijn trouwen.

Mijn ouders

Mijn ouders trouwden vanuit het huis van oom Henry en Tante Toon in Djatiroenggo

1= Rosalie (Oma Nie, Maatje)

2= Opa Jan Willem te Kolsté

3= Tante Wies Münch-Mac.Gillavry

4= Oom Henry, Opa van Oom Edwin

5= Opa Bob, vader van Oma Nie en Tante Wies

6= Opa te Kolsté, vader van Jan Willem te Kolsté

7= Tante Claartje

8= Tante Toontje

9= Oom Willy Mac.Gillavry, vader van Bob Mac.Gillavry

Bruidspaar te Kolsté


Tante Toontje was zoiets als de 2de moeder van mijn moeder en tante Wies. Nobo en Djatiroenggo lagen erg dicht bij elkaar en mijn moeder was dan ook dikke vrienden met Oom Donald (schoonvader van Annemarie), Ned (vader van Edwin) en Tjet.

Oom Henry

Tante Toontje

Tante Wies

Oom Donald

Ned

Tjet

Verhalen van mijn vader

Paatje

       Zoals wij mijn moeder Maatje noemden, zo noemden wij mijn vader Paatje. Paatje was employé op de suikerfabriek Gending. Ik was al geboren toen hij op een nacht gestommel hoorde op het dak. Hij vulde zijn geweer, stopte er geen kogeltjes (hagel) in maar gabah, dat is ongepelde rijst. Daarna ging hij naar buiten en zag inderdaad een man op het dak die probeerde er weer af te komen dat lukte ook, maar Paatje schoot de vent in zijn billen. De kerel rende al gillend weg. De volgende dag kwam dokter Engelmayer, de fabrieksarts op de fabriek (dit gebeurde zo eens per week). Hij vertelde toen dat hij zo iets geks had meegemaakt. Er kwam namelijk een man op zijn spreekuur, wiens billen vol met gabah zat. Mijn vader begon hardop te lachen en vertelde toen wat er gebeurd was.


Dokter Engelmayer


       Dokter Engelmayer was dokter in Probolinggo en tevens fabrieksarts van de suikerfabrieken. Hij was Duitser van geboorte maar al lang genationaliseerd. Wim en ik zijn met zijn hulp op de wereld gekomen. Het was een schat van een man. Als hij geen salaris van de suikerfabrieken gehad zou hebben, zou zijn vrouw geen huishoudgeld gehad hebben. Rekeningen schreef hij nooit. De rijke Chinezen van Probolinggo stuurden daarom altijd iets in natura. Zo vond Mevrouw Engelmayer eens een doosje, in een zak met rijst, waarin een kostbare ring met briljant zat. Hij, de dokter, reed ook nog altijd naar de fabriek in een dogkar of bandy.

Een dogkar

    Toen hij zijn zilveren doktersfeest vieren zou, reed een nieuwe auto met chauffeur het erf op. Een cadeau van de Chinezen. Maar nee hoor de auto kon doorrijden en hij nam het cadeau niet aan. Een gezegde van hem was ook bij de geboorte van de baby’s:,, Houdt het hoofd koel en de voetjes warm.” Toen ik eens als meisje (± 15 jaar) een wrat op mijn duim had, zei hij: ”Kom mee”. In de spreekkamer nam hij een stuk bamboe sleep daar een vlijmscherpe punt aan, doopte die in zoutzuur en gaf me daarmee een prik in mijn duim, in de wrat dus. Ik gilde van de pijn, maar na enkele dagen was ik die wrat kwijt. Dat was dokter Engelmayer .

Suikerfabriek Gending

    Zoals ik al vertelde werkte mijn vader op de suikerfabriek Gending. Op de suikerfabriek werd, voordat de “campagne” begon, een groot feest gehouden. Wim mijn broer, 2 jaar oud, liep op de tennisbaan, waar het feest gehouden werd, van de ene dame naar de andere en iedereen gaf hem een vruchtje uit hun glazen bowl. Op een gegeven moment werd hij doodziek, mijn moeder bracht hem direct naar huis. Ze wilde de dokter bellen, maar opa te Kolsté die bij ons logeerde zei laconiek: ”die jongen is besjoggen (dronken), laat hem maar uitslapen.” Wim liep ook altijd met zijn zakken vol oude spijkers, schroeven enz. die hij tussen het grind vond en bewaarde. Wellicht zat toen al zijn loopbaan als ingenieur in zijn aard.


Oom Wim en ik

Kandangdjati


Van Gending verhuisden we naar Kandangdjati, een fabriek bij Kraksaän. Hier gingen we ook voor het eerst naar school. Eerst woonden we in een huis vlak naast een kali. Later toen het huis van de 1e geëmployeerde klaar was verhuisden we hierheen. We hadden toen een collie, schotse herder. Ieder dag sprong dat dier in de kali als hij het warm had, maar toen we verhuisd waren kon dat niet meer. Op een zekere dag werd hij ziek, vermoedelijk hondsdolheid en mijn vader heeft hem toen zelf doodgeschoten. De man was er kapot van toen hij dat gedaan had, maar ja, het kon niet anders. Kort daarna logeerden we met vakantie in Poedjon, boven Soerabaja. Wij in een huis en tante Noes Lastdrager in het hotel. De eigenaar van het hotel had net een nest jonge angora’s en ik was er zo verrukt van dat ik van tante Noes een wit poesje kreeg: “ Poesje Mauw”.

Toen moest Wim er ook een hebben en dat was een grijze, “Kattekop”. Later toen Wim en ik in Malang “in de kost” waren en Ma en Paatje thuis, zaten de poezen altijd op een punt van de tafel als mijn ouders aten. Kattekop was ook een echte zwerver. Tegen 5 uur ’s middags moest hij opgesloten worden anders liep hij weg en ging op avontuur. Eens was hij 5 dagen weg. We dachten vast dat hij doodgeslagen was, maar na 5 dagen kwam hij broodmager thuis. Vermoedelijk had hij in een rijstschuur opgesloten gezeten, en waren daar geen muizen genoeg om op te peuzelen.

1918 uitbarsting Goenoeng Kloet


     In de tijd dat ik op Kraksaän op school was, kwam de uitbarsting van de Goenoeng Kloet. Het werd plotseling heel donker en kort daarna begon er fijne asregen te vallen. Maatje had gelukkig direct de koetsier met de dogkar naar school gestuurd, want alle kinderen werden naar huis gestuurd. Met deze uitbarsting kwam ook de vader van een latere vriendin van me (Anny Teding van Berkhout) om het leven. Ze woonden op één van de ondernemingen op de berghelling van de vulkaan. Ze vluchten toen weg, maar onderweg bedacht de Hr. T.v.B. dat hij iets vergeten had en hij ging met zijn zoon terug naar de fabriek en dat was zijn ongeluk want op de terugweg werden ze door de lavastroom achterhaald. Mevr. T.v.B. en de 3 meisjes die doorgereden waren brachten het er levend van af. Later woonden ze in Malang en daar heb ik ze toen leren kennen. De onderneming “Ngrangkah Pawon” waar wij het laatst woonden, lag op de Kloet. De grond was enorm vruchtbaar. Je kon bij wijze van spreken, een stok in de grond steken en hij begon te groeien. Na deze uitbarsting werd de Kloet voorzien van een soort kanaal waardoor men de modderstand in de gaten kon houden, opdat er geen herhaling van 1918 plaats zou vinden.

Wedana met echtgenote

Wedono

Resident West Java

Onderwijs, Wedono, Regent


Zoals ik al schreef waren we in Kraksaän op school. Op die school waren ook kinderen van de Wedono (gemeente ambtenaar, burgemeester van de Inlandse bevolking, je had eerst de assistent-wedono, wedono en dan de regent). Voor de Nederlandse bevolking was het de assistent-controleur, controleur, ass.-resident, resident en later bij herindeling kwamen de gouverneurs. (De Pateh was voor de rechtspraak) Wedana,

Scholen, Kraksaän en Ursulineklooster Tjilaket, Malang

     De wedono’s waren altijd van adellijk huize en hadden iets meer gestudeerd, zodoende mochten zijn kinderen naar een Nederlandse school. Andere Inlandse kinderen moesten naar de Hollands-Inlandse school of Hollands-Chinese school H.I.S. of H.C.S. De Inlandse kinderen moesten naar de Inlandse scholen waar de goeroe vaak aan het hoofd stond. Maar goed, ik had dus Inlandse vriendinnen, kinderen van de wedono. Deze kinderen waren op sexueel gebied veel wijzer dan wij, Hollandse meisjes. Op een dag kwam ik thuis met één of ander verhaal; ik heb nooit gehoord wat en zelf weet ik het niet meer. Enfin, het eindresultaat was dat ik met het nieuwe schooljaar naar Malang ging en in het Ursulinen klooster op Tjilaket intern kwam. Hier heb ik in de 4e klas gezeten bij Mère Ignazlie. Maar ook hier was het niet zo best, want toen ik eens met een rozenkrans thuis kwam, was het kloosterleven ook snel gedaan. Wim kwam toen ook naar Malang en we kwamen in huis bij de familie Stolp in Oro-Oro Dowo. We gingen toen naar een particuliere school, een soort Nut-school. Ik kreeg daar een onderwijzeres juffrouw Ipes, ik heb haar n.b. in 1939 toen we hier met verlof waren nog eens ontmoet. In de 6e klas kregen we, na de pensionering van het hoofd Hr. Ribbink een hele jonge onderwijzer Hr. Weekhout. Alle meisjes waren wat je noemt ”verliefd” op hem. Ik moet nog lachen als ik er aan denk. We brachten hem iedere dag na schooltijd naar huis. Ik heb hem nog eens na de oorlog in Tjideng ontmoet.


Oma Nie niet diplomatiek

     Mijn vader was, gek genoeg, een man die altijd het haasje was. Op de fabriek Gending werd hij geen administrateur omdat mijn moeder nooit “politiek” genoeg was. De baas was toen een zekere Hr. Nieuwdorp. Op een dag na mijn geboorte kwam Mevr. Nieuwdorp bij de kraamvrouw op bezoek en ze bracht uit Holland pakjes anijsmelk mee. Wat zegt mijn moeder, houdt U die Anijsmelk maar want ik houd er niet van. Ze had ze door de WC moeten spoelen en zeggen “wat heerlijk”. Maar toen er een nieuwe administrateur moest komen was het niet mijn vader maar John Douglas Mac Gillavry. Op een dag speelden we met zand en John gooide een lading naar mij toe, die kwam in mijn ogen terecht, we moesten naar Soerabaja waar mijn ogen helemaal gereinigd moesten worden. Daarom werd ik als onderwijzeres ook altijd kwaad als kinderen zand naar elkaar gooiden en vertelde ik wat mij zelf overkomen was.


 Uitgaansleven en de toekang saté

     Toen mijn ouders nog op de suikerfabriek Gending zaten en later op Kandangdjati, was het uitgaanscentrum, de “sociëteit” in Probolinggo. In hun jeugdjaren was de “wals” nog in de mode, maar toen de “step” in de mode kwam wilde mijn moeder niet meer dansen. Mijn vader ging toen “omkeren”, een kaartspel. De dames zaten dan voor de galerij of op het platje want buiten was ook een dansvloer. Op een bepaalde tijd kwam dan de toekang saté met z’n kipsaté voorbij en die werd dan aangeroepen. Tot dat op een zekere dag deze saté verkoper gesnapt werd bij het vangen van schilpadden die leefden in de sloot onder de wc’s van de soos. Deze schilpadden hadden het vlees geleverd voor de kipsaté en toen was het gedaan met saté eten.

Verkoper van Saté

bron: collectie Tropenmuseum

Paatje was de goedheid in persoon

     Paatje was de goedheid in persoon. In de suiker waren verschillende soorten rietsuiker, een soort was suikerriet no. 100. Paatje vertelde dat die alleen op een bepaalde soort grond geplant kon worden, maar de baas Hr. Zell zei: “Nee je plant het daar en daar.” Maar dat liep verkeerd uit zoals Paatje al voorspeld had. Het rendement was veel minder. Toen de directeur kwam, was Paatje de sigaar want Hr. Zell kwam niet voor de waarheid uit. Paatje nam zijn ontslag toen Hr. Schrauwen als administrateur benoemd werd en begon de bibit onderneming. Ook hier werd hij toen door zijn compagnon beduveld. Zo begon zijn periode van bioscoop manager met alle nare gevolgen van dien, zowel in Buitenzorg als Djokja. Bob Mac Gillavry heeft  nooit zoveel films gezien als in die jaren. Daarna werd hij boekhouder van het suikerfabrieken-ziekenhuis in Slawi en Maatje werd daar dame van de huishouding. Kort voordat de Japanners Java bezetten, kwamen ze bij Tante Wies en Oom Münch in Sidho Moekti.

Tante Wies


Tante Wies stierf in de ambulance auto aan buikvlies ontsteking. Ze had vermoedelijk blindedarmontsteking en omdat de Inlandse dokter een “blanda hater” was, stuurde hij de ambulance te laat. Dit hoorde Maatje van zuster Risakotto.

Bron: Oorlogsgravenstichting

Oom Münch


Oom Münch ging met mijn vader naar de gevangenis in Pekalongan, waar hij ook
stierf.



Bron: Oorlogsgravenstichting

Jan Willem te Kolsté


Mijn vader werd van Pekalongan naar Tjimahi vervoerd en ligt op het Ereveld ,,Leuwigajah” te Tjimahi begraven.



Bron: Oorlogsgravenstichting

Opa te Kolsté

      Opa te Kolsté kwam als jong onderwijzer in de vorige eeuw naar Java. Hij kreeg daar een plaats op een school in Serang, residentie Bantam. Hier vandaan gingen Opa, Oma en Tante Willemien naar Bonthain op Celebes, waar opa hoofd van een school (Nederlands-Europese) werd. Hier werd mijn vader in 1878 geboren.

Het apenhoofdje

     Opa behoorde met de dokter, notaris, en de assistent-resident tot de elite van de stad. Op zekere dag werden al deze heren uitgenodigd bij de vorst van Bonthain. Toen het etensuur was aangebroken kwam er een grote pot (met vuurtje er onder) met soep op tafel. De heren aten zich ongans hieraan, want de soep was heerlijk. Toen iedereen genoeg gegeten had en de pot ook leeg was, vroeg de vorst of ze wisten wat ze gegeten hadden. Iedereen zei natuurlijk “nee”. Toen haalde de vorst met de lepel uit de pot een schattig apenkopje te voorschijn, dat iedereen met z’n dode oogjes zielig aanstaarde. Opa verdween tegelijk naar de wc en na hem volgden vele anderen. Maar opa vertelde later “de soep was verrukkelijk!”

Geërfde hobby

     Van deze opa heb ik de hobby geërfd van het uitknippen en bewaren van allerlei interessante of leuke dingen. Ik heb hier in mijn schoolleven als onderwijzeres heel veel plezier van gehad. Ik kon de kinderen veel uit voorbije dagen laten zien en ik kon ook altijd terug zoeken in mijn uitknipsels om te vertellen over datgene waar we mee bezig waren.  Toen ik in 1930 mijn onderwijzeres examen gehaald had, solliciteerde ik bij het gouvernement. 

Ursulinenklooster Tjilaket (Malang) 1927 eindexamen onderwijzeres 2e links met strik op de borst ben ik.

     Ik kreeg mijn benoeming als onderwijzeres in Oengarang, een dorpje boven Semarang. Dit was de streek waar mijn moeder als kind en jonge vrouw had gewoond en waar de familie Mac Gillavry (onze tak) grote bekendheid genoot als, “de famillie van Djati Rongo”, de later zo bekende ‘’sigaretten fabriek” .

     De sigarettenfabriek

Tante Toontje de vrouw van Oom Henry draaide namelijk altijd de sigaretten voor haar man en iedereen vond die zo lekker dat er steeds meer sigaretten gedraaid werden door speciaal aangenomen Inlandsche vrouwen die voor de goedang niets anders deden. Dit was het begin van de sigaretten fabriek waar Oom Tonny (de jongste broer v.d. vader van Oom Edwin) naderhand de leiding over kreeg. 

Henry Donald Mac Gillavry was omstreeks 1905 op Java vermoedelijk Soerabaja, zijn sigarettenfabriek begonnen. Fabriek was een groot woord: zoals de foto laat zien werden de sigaretten door de baboes met de hand gerold. Geheel rechts zit de trotse eigenaar, bezig met de administratie van de productie. Aan beide muren hangt het affiche. De foto is afkomstig van een kleinzoon van Mac Gillavry. In 1978 gaf deze een afdruk van de foto aan de Amsterdamse verzamelaar Werner Löwenhardt. De collectie Löwenhardt werd in 2001 eigendom van het Reclame Arsenaal.

     Hij ging zelfs naar Amerika en Afrika om te zien hoe daar alles ging, hoe er reclame gemaakt werd enz. Enfin, “Djati Rongo sigaretten” kregen een grote bekendheid en ze brachten grote winsten in de familie van Oom Henry. In Zuid Afrika werd ook de Djati Rongo sigaret werd gemaakt.

     Djati Rongo lag in de omgeving van Ambarawa. Ome Charles assistent-resident van Ambarawa, kocht daar in Kali Sari een huis en bewerkte daar de coca plant, waar de cocaïne van gemaakt wordt. Toen ik dus in Oengarang zou gaan werken, belde mijn moeder natuurlijk Oom Charles op om te vragen of ik in huis kon komen en zo kwam ik op een goede dag, toen het schooljaar begon bij oom Charles en Nana, zijn Chinese vrouw in huis. Op weg van het station Semarang naar Kalisari verloor ik onderweg een hele koffer met al m’n studieboeken. De chauffeur had die koffer zo slecht vastgebonden op de bagagedrager, men had toen nog geen dichte zoals nu, zodat de hele boel er afgerold was. Na aangifte bij de politie werd gezegd dat niemand iets gevonden had. Bij Oom Charles en Nana heb ik een maand gewoond. Ik ging toen met een taxi naar school en werd ‘smiddags weer gehaald. Ik meen dat de scholen toen om 07,30 uur ‘s morgens begonnen en om 13.30 uur eindigden. Op den duur ging me dat heen en weer gerij geweldig vervelen. Oom Charles belde toen zijn vriendin Tante Roos Monod de Froideville-Butin Schaap op, om te vragen of die geen kamer voor me wist. Op een middag gingen Oom Charles en ik naar haar toe om over e.e.a. te praten. Ze zei toen dat zij in haar grote huis wel een kamer had en zo kwam ik bij tante Roos in huis.

Oom Charles Mac Gillavry

Tante Roos Monod de Froideville-Butin Schaap

Dit ben ik in Sarong en Kebaja

Pappa in beeld

     Hier leerde ik later Pappa kennen, die eens per jaar met verlof bij zijn moeder kwam. Oma Meetje woonde n.l. bij haar zuster “Tante Roos”. De man van Tante Roos heette ook Charles. Zijn broer was ook met een Roos getrouwd en dat was: “Tante Roosje”. Deze Tante Roosje gaf mij later in onze verloftijd in 1939 mijn eerste gezichtsmassage. Pappa en ik verloofden ons op 9 Juni 1931 en we trouwden op 16 Januari 1932

Hotel Batoeraden en Marta

     In Oktober nam ik ontslag als onderwijzeres en was toen nog enkele maanden thuis in Batoeraden, een bergplaatsje op de gunung Slamet, in de residentie Banjoemas. Opa en Oma te Kolsté, mijn ouders, beheerden hier het in die tijd bekende hotel Batoeraden. Vanuit dit hotel zijn wij ook getrouwd. De kok in dit hotel heette Marta. Oma heeft hem opgeleid tot een eerste klas kok. Toen Opa en Oma weggingen, ging Marta ook weg. Hij heeft toen een jaar bij ons gewerkt, maar we gingen zowat failliet want Marta kookte als in een hotel. Toen Oom Wim als ingenieur op toernooi in een hotel in Cheribon was, kwam plotseling een man aanrennen en riep Toean Mudah! Dat was Marta.


Regent en Raden Ajoe Noto Hardisoerjo

     Toen we paar maanden getrouwd waren en ik Loes verwachtte, was er ter gelegenheid van het Javaanse Nieuwjaar een receptie bij de regent van Banjoewangi, Pappa en Hr. Hilling gingen er heen. Ik bleef thuis want ik was nog in de periode van misselijkheid. Toen ik ‘s middags opstond, stond er in de eetkamer een mand van zo’n meter hoog en 60 centimeter doorsnee. Deze mand was vol met de heerlijkste mangga’s goleh–aromanis en de Tiniana-lagi. (dit  is een kruising van de goleh en aromanis en deze mogen alleen op regenten erven geplant worden). De regent van Banjoewangi van wie ik deze mangga’s kreeg heette Noto Hardisoerjo. In de tijd dat Oom Charles nog assistent-resident was , was deze regent assistent-wedono in het district waar Oom Charles assistent-resident was. Oom Charles zorgde ervoor dat hij een dogkar kreeg (i.p.v. een paard) om alle dessa’s te bezoeken. Daarvoor was deze man zo dankbaar dat hij het leven van de Mac Gillavry’s steeds volgde. In die tijd was opa Bob Mac Gillavry administrateur van de onderneming Nobo bij Ambarawa. Hier lag ook het land Djatiroenggo. Maatje en Tante Wies waren hier dan ook kind aan huis en ze trouwden ook vanuit Djatiroenggo. De Raden Ajoe Noto Hardisoerjo werd goed vriendin van mijn moeder. Maatje leerde haar naaien en handwerken en zij leerde mijn moeder koken. Ik heb ook enkele recepten. Na het huwelijk van mijn ouders volgden deze mensen dan ook het leven van mijn ouders en dit had tot gevolg, dat  zij  precies wisten, wie ik was toen ik in Goenoeng Raoen kwam. Na de pensionering van de regent ging hij in Kalibaroe wonen en wij hadden toen veel contact met deze hoogstaande Indonesiërs. Recepten van soto en goelé staan dan ook in mijn receptenboek.

De 3 recepten uit Mamma’s receptenschrift

Loes en ik

Roseline Louise (Loes)


Loes werd geboren in het ondernemingsziekenhuis te Krikilan. Dokter was hier dr. Nijk. Het duurde wel 22 uur voor ze eindelijk ter wereld kwam. Ze had een punt hoofd, zodat ik me doodschrok. Maar de dokter zei dat dit wel zou bijtrekken en dat was ook zo. Toen ik met de 9de dag weer mocht lopen en op de bril of stilletje zat voor een plas kwam er plotseling een nabloeding en een hele klodder bloed te voorschijn. Gek dat Vivienne dat met Menno ook kreeg. Zeker een familie kwaal. Toen Loes enkele maanden oud was kreeg ze een begin van Engelse ziekte. Dat kwam omdat ze te weinig vitamine C kreeg. De baby voorlichting was niet zo als nu. Ik moest haar veel “katjang idjo” pap geven en daarna was het leed gauw geleden. Ze kreeg ook sinaasappelsap enz. Ik kreeg via de oma van de verpleegster een voedingsschema. Dat heb ik ook voor Wim en Sonja gebruikt.

Het leven op de onderneming

     Het leven op de onderneming was eigenlijk erg saai. In het begin kregen de employés maar eens  in  de  10  dagen   een   vrije   dag.   Later   veranderde   dat   in   het   normale   “Zondag” vrij. We gingen dan naar Kalibaroe, waar de ondernemings “agent” een winkel had, of naar Djember als er meer boodschappen gedaan moesten worden. De weg naar Djember, 2 uur rijden, ging over een bergrug de “Merawan” een weg met vele bochten. Niets voor iemand die niet tegen zo’n bochtige weg kan, zoals Loes. We moesten onderweg dan ook altijd stoppen. Eens per jaar kreeg pappa 14 dagen vakantie “verlof” noemden we dat. Dan gingen we met de auto de chauffeur en de baboe naar de familie. Toen we verloofd waren had pappa een two seater (twee persoons Ford.)

Tante Eugenie, Oma Meetje en Pappa met de two seater

     Later toen Loes moest komen, verkocht hij two-seater en kocht de Pontiac; deze werd gesloten met zeilen. Je was nat voor de auto dicht was. Toen Wim moest komen, ruilden we deze wagen in voor een grote (2e hands ) Chrysler. Wim kon toen als baby voor onze voeten liggen. Maar de pech die we hadden met deze wagen op reis naar Oengaran, Bandoeng en Buitenzorg is niet te beschrijven. Bij iedere benzinepomp moesten we tanken. In Djokja (op de terugweg) moest ik zelfs mijn gouden Paul Kruger munt, waarde fl 12.50, inruilen om benzine te kopen. Toen we thuis waren hebben we met gezwinde spoed deze wagen ingeruild voor onze laatste auto, een nieuwe Terraplanne, d.i. een kleine Hudson. 

De nieuwe Terraplann

Willem Frederik ( Wim)

 

     Wim werd ook in Krikilan geboren. Toen we midden in de nacht in het ziekenhuis aankwamen, zei de dokter na enige uren:’’ Ga maar weer naar huis.” , maar ik dacht, ik denk  er niet aan. Met persen kwamen toch de weeën en na zo’n 12 uur denk ik, werd Wim geboren.

Gelukkig geen complicaties zoals bij Loes. Na 10 dagen mocht ik weer naar huis. Wim heet Willem naar zijn beide grootvaders, Frederik werd verzonnen door mevrouw ter Horst, administrateurs vrouw van Djatirono en wij vonden dat eigenlijk ook wel een leuke combinatie, Willem Frederik.

Mevr. Ter horst woonde later in Amsterdam. In onze verloftijd in 1939 hebben we haar nog opgezocht. Hr. ter Horst leefde toen ook nog. Het grappige is dat Sonja’s vriendin Anneke Visser later bij haar in huis was, toen ze aan de tekenacademie in Amsterdam studeerde. Raar dat het leven zo kan lopen. Ik ben toen nog bij haar geweest met Sonja om Anneke op te zoeken. Ze wist toen natuurlijk dit verhaal niet.

Ik met Wim

Charles met Wim en Loes

     De administrateur van Goenoeng Raoen was de heer Hilling hij leefde samen met een Soendanese vrouw die wij “Mas Adjeng” noemde. (Raden Adjeng = adelijke titel ongehuwd vrouw). En hoewel Mas Adjeng altijd op de achtergrond bleef, kwamen de directieleden van de firma’s toch altijd hun opwachting bij haar maken. Hr. Hilling was een “beste brave man” maar zo lui als je maar denken kon. Hij liet dan ook practisch alles aan pappa over en deze was dan ook degene die alles regelde. Als ‘s middags de djongos (huisjongen) aankwam met een boek voor mij, dan wist ik het al. Dat betekende dat pappa ‘s avonds weer moest overwerken op kantoor. Werk dat Hr. Hilling eigenlijk had moeten doen. In begin 1938 stond er plotseling een bericht in de krant (Soerabajasche Handelsblad) dat met ingang van ….... de Hr. Perlbach hoofdadministrateur zou worden van de landen Goenoeng Raoen, Djatirono en Soekamade (dit land lag aan de Zuidkust) Hr. Hilling en Hr. Ter Horst keken heel vreemd op want zij wisten van niets. Maar bij nadere informatie bleek dit waar te zijn. Hr. Perlbach (een Duitser) had alleen zijn mond voorbij gepraat. De beide administrateurs konden kiezen tussen fl 20.000.= ineens of fl 200.= per maand tot aan hun dood. Hr. Ter Horst koos voor fl 20.000.=, want hij vertrok naar Nederland, waar hij zich in Amsterdam vestigden (schreef ik al over). Zo kwam dus de fam. Perlbach op Djatirono. Alle employees moesten ontslagen worden, zo ook pappa.


Hr. Perlbach was een slimme vent, hij wist n.l. niets van de theecultuur af en pappa werd toen overgeplaatst naar Djatirono. Hr. Zeeff die hier 1e geëmployeerde was werd administrateur van een klein landje in de buurt van Loemadjang., Op Goenoeng Raoen kwam de Hr. Ruygrok, op Soekamade Hr. Jonker. Het gekke was, dat toen ik Hr. Ruygrok zag ik een voorgevoel kreeg dat ik zijn vrouw kende en toen ik het vroeg bleek dat ook. Zij was Nancy Coenraad onderwijzeres bij de Ursulinen. Ik had nog bij haar gekweekt, toen ik voor onderwijzeres studeerde. Begin December 1938 kwam Hr. Ruygrok om kennis te maken met Hr. Perlach en pappa die nog steeds op Goenoeng Raoen zat. Hr. Ruygrok hoestte zo verschrikkelijk en zag er zo slecht uit dat ik dacht, die man is ziek. 1 Januari kwam hij om alles over te nemen. Nancy kwam pas een week later en dat was maar goed ook, want hij werd doodziek met als eindresultaat dat hij eind Januari met een dubbele longontsteking in het ziekenhuis in Krikilan terecht kwam. Hij kwam er pas in Mei weer uit, moest toen met ziekteverlof en terwijl hij in Malang bij Nancy’s moeder logeerde, moest hij geopereerd worden enz. enz. Het eindresultaat was dat hij pas 1 jaar later dus 1 Januari 1939 weer aan het werk kon. Al die tijd bleef pappa dus op Goenoeng Raoen. In die tijd heeft Hr. Perlbach hem leren waarderen en was hij blij dat hij “Hemsing” niet had ontslagen. Toen pappa dus de gehele administratie onder zich had,  bleek dat in de geheime correspondentie tussen Hr. Hilling en de firma brieven zaten, waarin de firma vroeg om gegevens van Hemsing en of hij capabel was om de fabriek te leiden. Daarop had hr. Hilling negatief geantwoord, terwijl pappa n.l. alles deed en Hilling op zijn, krossi males” (luie stoel) zat.

Toen Hr. Ruygrok op Goenoeng Raoen kwam verhuisden wij naar Djatirono en toen vertelde Hr. Perlbach dat wij met verlof naar Holland moesten gaan. De firma zou onze overtocht voorschieten.

Zo vertrokken wij begin 8 Maart 1939 met het m.s. Baloeran naar Holland.


Klik hier voor informatie over het m.s. Baloeran

Oma Meetje die ook nog nooit in Holland was geweest, ging met ons mee. We reden met onze eigen auto naar Sidho Moekti om mijn ouders, Tante Wies en Oom Münch te groeten. De auto lieten we hier staan en we gingen met de trein naar Batavia, waar we in Tandjong Priok aan boord gingen. In Belawan de haven van Deli stonden Oom Dick en Tante Hilly ons op te wachten. Met hun gingen we toen naar Medan, waar ik bij Gerzon een regenjas kocht.


Hilly en ik

Oma Meetje, Dick Hemsing, Pappa, ik,Loes en Wim

     Van Mevr. Zeeff had ik voor Wim en Loes mantels enz. gekregen, want zij waren net uit Holland terug, toen wij weg gingen. De zeereis ging voorspoedig totdat we in Suez de Middellandse zee in kwamen. Het begon toen te stormen, zo erg dat we alle vier zeeziek waren. Van Oma Meetje weet ik het niet meer. We hadden de hele reis per boot geboekt, maar omdat we zo verschrikkelijk ziek bleven, gingen we er in Marseille af en met de boottrein verder naar Den Haag.

Den Haag

     Hier werden we door Oom Herman en Tante Cor Hemsing (zwager en schoonzuster van Oma Meetje) opgewacht. Oma Meetje logeerde bij haar zwager en schoonzuster. Voor ons hadden ze in de Balistraat, vlak naast hun een appartement gehuurd. Hier bleven we ± 2 maanden. Toen we in Holland aankwamen, begin April was het hier nog koud. De bomen begonnen toen net uit te lopen. Het was altijd, mantel aan en hoed op. Loes liep ook met een hoed, Wim een muts, en handschoenen aan. Het was altijd een hele aankleed partij.

Amsterdam

     Na 2 maanden gingen we naar Amsterdam. We hadden daar een etage dicht bij het Vondelpark. Hier zaten we dan ook heel veel. De geboorte van Prinses Irene hebben we in Amsterdam meegemaakt. Het was een heel feest. Draaiorgels op straat en mensen die dansten
en feest vierden.


Amersfoort


      Van Amsterdam gingen we 2 maanden naar een pension in de Emmastraat in Amersfoort. Hier kwam er weer kleur op de wangen van Loes en Wim, want we wandelden veel. De heide was er dichtbij en dat was dus fijn.


Den Haag


     Van Amersfoort gingen we terug naar Den Haag waar we toen in de Obrechtstraat logeerden bij Tante Annie Buurman van Vreede, een nicht van Oma Meetje. Ja, toen brak de oorlog met Polen uit. Pappa moest zich toen bij de gemeente instanties melden en die gaven ons de raad om zo vlug mogelijk terug te gaan naar Indië.

Wim en Loes

Oma Meetje, Loes en Wim

De terugreis

     Zo stapten we begin Oktober op de m.s.,,Dempo”, terug naar Indië. We hadden nog een reisje naar België willen maken, maar daar kwam natuurlijk niets van.

De Dempo


     Op de Dempo hadden we 2e klas hutten en dat was veel prettiger dan toen we 3e klas gingen. De 1e klas was in die tijd alleen voor de zeer rijke mensen en wij waren eigenlijk maar “arme drommels” die de reis zelf moesten betalen. Later werd de helft van de reissom die we als voorschot gekregen hadden van de firma Tiedeman en van Kerchem, kwijt gescholden, toen Hr. Perlbach gemerkt had hoe hard en goed pappa eigenlijk gewerkt had. De reis naar Indië ging eerst door het Kanaal dat inmiddels vol mijnen lag en het was dus zeer gevaarlijk. Daarna gingen we richting Zuid-Afrika. We zagen niets en dan ook niets
meer dan water. Één keer zagen we een duikboot. Na 3 weken kwamen we in Kaapstad aan. Hier bleven we 1½ dag liggen, zodat we nog een dagtocht langs de kust konden maken. Ik herinner me alleen nog de plaats Muizenberg, een badplaats. Van Kaapstad ging het linea recta naar Sabang en daar konden we weer even van boord. Hier vandaan gingen we langs de andere kant naar Padang, dus niet naar Deli. Na 5 weken varen kwamen we half November weer in Batavia aan. Van hier uit gingen we weer eerst naar Sidho Moekti om de auto op te halen. Oma Meetje bleef in Semarang (Oengarang, Villa Rosa bij Tante Roos.). Wij gingen naar Goenoeng Raoen. De honden waren dol van vreugde, ze huilden als het ware. We moesten kort hierna alles inpakken en verhuisden naar Djatirono.

Oelar Weling

Oelar Welang

Hier kwamen we in een huis waar het wemelde van slangen. We hielden dan ook ganzen want die pakten de slangen. Het waren behoorlijke gifslangen, oelar weling en oelar welang. De ene soort had strepen horizontaal, de andere als ringen om het lijf. Ik vond ze dood eng. Eens was zo’n slang geslingerd om de stijl van het logeerbed.


De Bedden

     De bedden hadden daar spijlen omdat er klamboes om de bedden waren vanwege de muskieten. De malaria muskiet kwam daar veel voor. De klamboe werd ‘smorgens open geslagen en vast gehaakt met zilveren bewerkte haken. De lakens waren aan weerskanten voorzien van prachtige gehaakt kant. Oma heeft dan ook heel wat afgehaakt, zo’n kant was vaak 50 centimeter breed. De lakens werden dan ook niet ingestopt zoals hier. De dekens lagen opgevouwen aan het voeteneind. De dekens heetten wafeldekens en de gestreepte soldatendekens. Deze waren van een soort flanel en dus niet zo warm. Alleen heel, héél hoog in de bergen had men wollen dekens. Wij sliepen ook veel onder kaïns, twee aan elkaar genaaid. Een kaïn is een sarong die niet aan elkaar genaaid is. Zoals die ik nog heb; deze van mij is heel kostbaar. Hij heeft een naam (ik ben hem vergeten) maar de betekenis is: als je deze kaïn in je bezit hebt, wordt er nooit iets bij je gestolen. Vlakbij het huis in Djatirono was een diep ravijn, waar apen en panters in de bossen huisden.

Bed met Klamboe

Bron: Collectie Tropenmuseum

10 MEI 1940

Ons huis in Djatirono

    In dit huis woonden we toen op 10 Mei 1940 in Holland de oorlog uitbrak. De Hr. Perlbach (de administrateur een Duitser) was al een paar dagen erg nerveus. Hij wilde maar steeds in de buurt van de telefoon blijven. Later bleek dat hij op een bericht van de Duitse ambassade wachtte en dan had hij alle Nederlanders gevangen moeten nemen of doodschieten. “Die Deutsche Ferrein” had een hele lijst van alle mensen die dit lot hadden moeten ondergaan. Maar het liep anders; het bericht kwam niet en de Nederlandse regering (gouvernement) was eerder van het uitbreken van de oorlog op de hoogte met als gevolg dat alle Duitsers gevangen genomen werden.

Hr. Perlbach werd ook weggevoerd en de heren Ruygrok, Jonker en pappa werden waarnemend administrateur op Goenoeng Raoen, Djatirono en Soekamade. Tot Oktober 1941 bleven wij op Djatirono wonen. Mevr. Perlbach bleef in het administrateurshuis wonen totdat de omwonenden hier aanmerking op maakten. De directie van Tiedeman en van Kerchem dacht dat Hr. Ruygrok en pappa hier achter zaten maar gelukkig konden ze bewijzen ze er niets mee te maken hadden. Mevr. Perlbach moest toen weg en ging naar Malang. Ik heb nooit meer iets van, of over haar gehoord.

Toen begon de Hr. Zeeff problemen te maken, omdat er sprake was dat de waarnemend-administrateurs, administrateurs zouden worden. Hij was voor de oorlog employé op Djatirono geweest, ging in 1938 met verlof naar Holland en had van de directie gedaan weten te krijgen dat hij eens administrateur op Djatirono zou worden. Hij kwam dus met dit papier te voorschijn toen er spraken van was dat pappa, dat zou worden. Na veel geharrewar moesten wij weg en zo kwamen wij dus op Ngrankah Pawon. 38 Zo kwam Sonja dus in Paree ter wereld. Hier was de Hr. Colenbrander de administrateur.

Pappa werd toen onder-administrateur. Ngrankah Pawon bestond eigenlijk uit 3 kleine ondernemingen en omdat Hr. Colenbrander toen adviseur van Tiedeman en van Kerchem werd had hij hulp nodig omdat hij veel weg moest. Eind november 1941 werd pappa voor herhalingsoefeningen opgeroepen en kwam de dienst niet meer uit, want intussen was het bombardement op Pearl Harbour geweest. 

Sonja en ik

Toen Sonja geboren is, was hij nog in Kediri en heeft haar nog wel aangegeven. Toen de Jappen 6 Maart Soerabaja binnen vielen en door trokken en pappa met zijn medelotgenoten daar tegenin moesten, werden ze in Kediri al vanuit de bomen beschoten. De Jappen waren de stad al ingetrokken. Pappa die achter in de auto zat kreeg toen een kogel door z’n kuit en door z’n buik, en kwam hij in het ziekenhuis te Kediri terecht. Wij hadden toen telefonisch
geregeld contact en ik ben toen nog 1x op bezoek geweest met Loes en Wim. Maar ik mocht Sonja niet meenemen omdat we met een dogkar door binnenwegen naar Kediri moesten. De 2e keer ben ik met de familie Colenbrander meegereden met de auto naar het ziekenhuis. Terug naar de Kempetai ben ik door het oog van de naald gekropen, want er zat, weer zo’n Jap in een boom, aangezien ik dat niet wist en dus niet boog, hadden ze me gepakt, maar aangezien ik even later bij de Kempetai binnenreed, liep dit incident met een sisser af. Toen we weer alleen naar Kediri zouden gaan, dat was begin Mei, waren alle gewonde militairen die ochtend al naar Malang gevoerd, zodat we pappa nooit meer gezien hebben.

De kamp periode


Brief van mamma aan Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie


                                                                                                                Wassenaar, 28 augustus 1947
Aan Mevr. A.H. Joustra
Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
Indische Afdeling- Onderzoek Vrouwenkampen


Geachte Mevrouw,
Naar aanleiding van Uw verzoek dd. 21 Aug. Wil ik U hierbij gaarne e.e.a. mededelen van de verschillende kampen en vrije adressen, waar we gezeten hebben tijdens de Japanse Bezetting en daarna. U kunt dan zelf zien wat U eruit gebruiken kunt.


Wij woonden op de onderneming Ngrangkah Pawon in de residentie Kediri. Daar Mijn man geïnterneerd was, behoorden wij ( mijn kinderen en schoonmoeder) tot de eerste die in een z.g. ,, beschermingskamp kwamen (Perlindoengan). 27 Dec. 1942 werd me aangezegd dat we de 29ste bij Mantri Politie in Wates moesten komen met zo min mogelijk bagage. Ieder mocht een bed, stoel, lepel enz. meenemen, verder mochten we wel zoveel mogelijk voedsel en kleren bij ons hebben. De rest werd door de Jappen “goed” bewaard. Waar we heen gingen mocht ons niet verteld worden, ik wist alleen dat het in de warmte was. Het eindpunt was de cassave onderneming Galoehan ± ½ uur buiten Kediri. Hier was de administrateurwoning + 2 aangrenzende paviljoens in orde gebracht om ± 300 vrouwen en kinderen te herbergen. Wij kwamen met nog 3 anderen in een reusachtige keuken terecht. Naderhand bleek dit nog niet zo gek omdat er stromend water was en water betekende in de komende maanden alles. De grote jongens en mannen werden spoedig iets verder in een apart huis ondergebracht. In dit Kamp genoten we nog enige vrijheid. Ik kon bv. de was nog altijd naar de onderneming sturen met mijn oude tuinjongen en zo kreeg ik ook geregeld steun in voedsel en geld van de administrateur die nog op de fabriek zat. Zo deden ook anderen. We mochten ook vrij kopen op de passar en in de Chinese winkels. Eten konden wij buiten laten koken. Verder werd toegestaan de dokter en de tandarts te bezoeken. Sterfgevallen hebben zich hier in dit kamp niet voorgedaan, niettegenstaande enkele difterie gevallen. Eind Augustus 1943 werden ook de andere los lopende personen geïnterneerd. Nadat deze nog eerst enkele dagen gezinsinternering kregen, werden toen de vrouwen en kinderen opgeborgen te Kawarasan (een zuster onderneming van Galoehan) en de mannen werden naar Bandoeng gebracht. Het leven werd toen wel moeilijker. In Februari 1944 werden we allen overgebracht naar Kamp 10 te Banjoebiroe Ambarawa. Hier kwamen we werkelijk in een gevangenis terecht. Hoge muren en in het begin nog tralie deuren voor de kamers. Hier kregen we eten uit de gaarkeuken, zeer slecht verzorgd in het begin,
naderhand echter werd alles gedaan om wat er was smakelijk te verzorgen. In November 1944 werden de jongens van 10 jaar en ouder weggebracht naar Kamp 7 in Ambara

Na de Japanse capitulatie

     Toen de capitulatie kwam. Mochten zij, die zich maar opgaven als Blanda Indo, direct op eigen risico naar buiten. Daar we helemaal niet wisten hoe de toestand buiten was ging ik ook met de kinderen (mijn schoonmoeder was al overleden) omdat wij in Bandoengan boven Ambarawa een huis bezaten en ik er ook nog een tante van mijn man had wonen. We werden per vrachtauto naar Ambarawa gebracht en moesten daar voor ons zelf zorgen. Zo 40 hebben we de 1ste nacht in vrijheid doorgebracht bij de in Ambarawa bekende broodbakker Bie Sing Hoo. Mijn naam was hun welbekend en ik werd er gastvrij ontvangen. De volgende dag gingen we per tjikar (ossenwagen) naar boven.

Tjikar voor personen vervoer

Tjikar voor vracht vervoer

     Tot m’n grote verbazing mocht ik niet in m’n eigen huis omdat dit nog steeds buitenverblijf was van zieke Jappen. Door toedoen van mijn broer die uit de boei (gevangenis) Ambarawa kwam en toen in Semarang bij de RAPWI werkte, kreeg ik gedaan om in het huis te trekken. Gelukkig konden we al die tijd logeren bij de tante die in Ngablak woonde, even boven Bandoengan.

Tussen Bandoengan en Ngablak lag het jongenskamp waar geregeld de grote jongens uit het kamp 7 moesten werken op de velden. Boven Ngablak lag ons oude schietbivak Soemowono. Hier hebben ook nog vrouwen geïnterneerd gezeten die later weer vervoerd werden naar anderen kampen. Toen ik in Bandoengan zat kwam de order dat geen Inlanders meer voor ons mochten werken of aan ons verkopen. Enfin toen kwam het langs de achterdeur en ik heb nooit last met e.e.a. gehad. 6 november kreeg ik via het Rode Kruis te horen dat we 8 november door de Engelsen zouden worden opgehaald om weer de kampen in te gaan. Daar er vele dames in Bandoengan waren komen wonen werd het een heel transport, een deel ging naar Kamp 6, wij o.a. naar Kamp 8 waar 14 dagen er na de 1ste aanval van de extremisten plaats had. We werden 26 november overgebracht naar Ambarawa zelf en 2 december werden we vervoerd naar Semarang. Op 5 december zat ik in het vliegtuig naar Batavia, waar mijn moeder in het Tjidengkamp zat en waar wij toen ook onderdak kregen. Hier was voor mij en de kinderen een einde gekomen aan alle verschrikkingen.

In de volgende kampen was mijn moeder ook nog geinterneerd:

Kamp Toban in Tegal van oktober 1943 to maart 1944

Gedung Badak bij Buitenzorg tot oktober1944

Tjideng Kamp

E. Hemsing - te Kolsté


Mijn moeder Loes Fanoy-Hemsing is ondertussen bijna 90 jaar en vertelde mij de volgende details die ik graag nog wil toevoegen. Toen mijn oma na de oorlog terug waren uit Indië is ze begonnen haar levensverhaal op te schrijven. Ze was immers onderwijzeres en kon mooi schrijven. Later heeft mijn vader het gedigitaliseerd, zoals u hierboven kan lezen en de foto's toegevoegd. Het interview wat jaren later werd afgenomen staat hier los van.

Ook ter afsluiting van het verhaal van mijn oma hierboven nog het volgende: Na de oorlog gingen de overlevende families van zowel mijn vader als mijn moeder terug naar Nederland. Mijn beide opa's kwamen om als krijgsgevangenen bij de beruchte birma en Pakan Baru spoorlijn.

Uiteindelijk kwamen zij te wonen in de Trompstraat in Leidschendam. Mijn vader met zijn moeder, broertje en zusje op nummer 6 en mijn oma en moeder met haar broer en zusje op nummer 20. Zo leerden mijn ouders elkaar dan ook kennen en mede door hun gedeelde achtergrond in Nederlands-Indië werden ze verliefd. Ze trouwden kregen 5 kinderen, 14 kleinkinderen en inmiddels heeft mijn moeder 10 achterkleinkinderen. Mijn vader overleed in 2020 op 90-jarige leeftijd.

Op 27 augustus j.l. waren we met veel familie bij de herdenking van de Brima en Pakan Baru spoorlijn in Bronbeek.

Vivienne Fanoy, september 2022

Trouwfoto van mijn ouders

Loes Hemsing - Fanoy en Ru Fanoy

Mijn moeder (rechts) met haar broer en zuster op de herdenking op 27 augustus 2022 in Bronbeek

Mijn moeder Loes legt bloemen bij het monument op 27.08.2022 in Bronbeek