Mijn ouders kwamen min of meer per ongeluk in Nederlands-Indië terecht. Om precies te zijn op Sumatra’s oostkust, waar mijn vader in 1929 een leidinggevende functie kreeg op de rubberplantage Sennah Estate, dicht bij Medan.

Mijn vader, Moische Colcher, is geboren op 31 augustus 1905 in Marculesti in Bessarabië, het huidige Moldavië. Een paar maanden na zijn geboorte vond er een grote pogrom plaats in Bessarabië, met tientallen doden en gewonden tot gevolg. Het anti-joodse klimaat in heel Oost-Europa zorgde ervoor dat tienduizenden joden probeerden te immigreren. Mijn vaders droom was om in Palestina een stukje land te kopen. Rond zijn twintigste vertrok hij uit Marculesti om in België te gaan studeren.

NAAR HET WESTEN

Hij wilde landbouwkundig ingenieur worden en in Leuven was een mogelijkheid om die studie te volgen. De andere optie was Wageningen, maar omdat hij vloeiend Frans sprak, en geen Nederlands, lag de keuze voor België meer voor de hand. Ook zijn broer Chaim ging daar studeren: medicijnen. Moische voltooide er zijn opleiding, maar de voorwaarde was wel dat hij daarna een aantal jaren voor een Belgische maatschappij in het buitenland zou gaan werken. Dat werd dus op Sumatra. In zijn studietijd heeft hij mijn moeder, Pauline Knorpel, ontmoet. Zij is geboren in Warschau, Polen, op 21 januari 1905, en op haar tiende jaar, na de scheiding van haar ouders, met haar moeder en broertje naar België verhuisd. Moische en zij leerden elkaar kennen bij de zionistische jeugdvereniging Poale Zion, in 1928 trouwden ze.

NAAR DE OOST

Kort nadat mijn oudste zusje, Sima, op 24 maart 1929 geboren werd, vertrok mijn vader naar Nederlands-Indië met een contract voor vier jaar op zak. Volgens de passagierslijst reisde hij op 1 mei 1929 met de ms. Tambora van Rotterdam naar Belawan. Hier zou hij ongeveer een maand later ‘debarkeren’. Mijn moeder en Sima reisden hem bijna een jaar later achterna. Ze vertrokken op 30 april 1930 met het stoomschip Tjerimai van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd en dokten op 23 mei 1930 in de haven van Batavia.

Ik ben geboren op 3 juli 1931, op rubberplantage Sennah Estate. Anderhalf jaar later, op 27 november 1932, werd mijn jongste zusje, Ariette, geboren. We bewoonden een mooi groot huis met enorme tuinen eromheen, waar veel fruitbomen ons uitnodigden om erin te klimmen en het rijpe fruit te plukken.

De Sennah Rubber Company bezat verschillende rubberplantages, gefinancierd door een Belgische koloniale investeringsmaatschappij, de ‘Société Financière des Caoutchoucs’. (bron: Commerce Reports free Ebook)

VROEGE JEUGD EN SCHOOLTIJD

Zoals alle Europese bewoners, beschikten wij over bedienden. Daar had je de boy, de baboe, de baboe tjoetjie (de wasvrouw), de djongos (de loopjongen), de kebon (de tuinman), en natuurlijk de kokkie. De eerste jaren waren voor ons, de kinderen, zorgeloos. We speelden hele dagen in de tuinen en in de rubberbossen, en ontmoetten de andere Europese families die in deze streek woonden. Toen we de schoolleeftijd bereikten, stuurden onze ouders ons naar kostschool, de Planters School Vereniging in Brastagi, in het binnenland. Tegenwoordig zou het krap twee uur rijden zijn vanaf Medan, toen was het héél ver van huis. Maar in de buurt van de plantage was geen school, dit was de enige mogelijkheid om onderwijs te volgen. In de herfst-, kerst- en paasvakantie kwamen onze ouders ons ophalen en verbleven we in een van de zomerhuizen van de maatschappij, die zich bevonden op de heuvel de Goendaling, in een bergachtig en dus koel gebied. In de zomervakantie gingen we terug naar Sennah.

Het kostschoolleven heb ik als zeer traumatisch ervaren. De kinderen, de meesten net als wij nogal vrijgevochten, werden gedrild in netjes gedrag.

Er was geen Joodse gemeenschap en synagoge in Medan of op Sumatra, van een Joods leven was in ons gezinsleven ook geen sprake. In de zomer van 1935 kreeg mijn vader verlof. Zijn vierjarig contract was inmiddels verlengd, en zou een paar jaar later nogmaals verlengd worden. We brachten het verlof met het hele gezin door in Europa, waar we een paar maanden op familiebezoek gingen in Brussel en Parijs. Ik kan me van die periode ook geen religieuze activiteiten herinneren.

Volgens de door Tilly’s research gevonden passagierslijst reisden vader, moeder en de drie kinderen op 1 mei 1935 met de ms. Sibajak naar Rotterdam en keerden op 4 september 1935 terug met de ss. Slamat van Rotterdam naar Tandjung Priok, alwaar ze op 3 oktober 1935 arriveerden.

OORLOG

Japan was bezig Nederlands-Indië te veroveren en er ontstond overal onrust. Er vormden zich groepjes opstandelingen en plunderaars, die het niet alleen op de Europeanen, maar ook op de Chinezen hadden gemunt. Wij merkten daar op de Plantersschool nog niets van, maar op Sennah kwam op een ochtend de boy helemaal overstuur bij mijn ouders en vertelde dat plunderaars zijn dorp waren binnengetrokken en de bewoners hadden bedreigd, met name de Chinese winkeliers die daar woonden. De boy smeekte mijn vader mee naar het dorp te gaan en iets tegen de onruststokers te doen.

In eerste instantie belde mijn vader de politie, maar die antwoordde dat ze de handen vol hadden aan alle oproer overal en voorlopig niet naar Sennah konden komen. Mijn vader, zo is ons later verteld, identificeerde zich met de Chinezen, die in zijn ogen in Indië eenzelfde positie hadden als de joden in Oost-Europa. Vertrouwend op zijn autoriteit, besloot hij met de boy mee te gaan om wellicht met de overvallers te praten.

Die plunderaars zagen een blanke man (mijn vader) het huisje waar ze zich verschanst hadden, binnenkomen en vielen hem onmiddellijk aan. Familie van de boy heeft mijn vader zwaargewond naar een ziekenhuis gebracht en de boy is terug gerend naar de plantage om mijn moeder te waarschuwen dat ze niet meer veilig was en haar dringend aangeraden te vluchten.

Het is de Chinese gemeenschap die een graf voor mijn vader heeft geregeld. Dat graf wordt tot op de dag van vandaag door hen betaald en onderhouden. Dat weten we omdat we alle drie – vele jaren later – het graf hebben bezocht.

KAMPTIJD

Nadat mijn moeder nog twee dagen bij mijn vader in het ziekenhuis doorgebracht heeft voordat hij stierf, is ze zoals de boy haar op het hart gedrukt had, gevlucht, samen met een Nederlands doktersechtpaar waarvan de zoon ook op de Plantersschool in Brastagi zat. Kort nadat ze daar aankwamen vielen de jappen binnen en bouwden de kostschool om tot interneringskamp. Mijn moeder, mijn zusjes en ik hebben daar drieënhalf jaar doorgebracht.

Aan de kamptijd hebben mijn zusters en ik heel verschillende herinneringen overgehouden, zo bleek toen we in 2015 gezamenlijk geïnterviewd werden door journalist Max Arian en Sima's dochter Ariëla over onze jeugd. Ariette, 9 jaar oud toen de oorlog begon, noemde de kamptijd ‘een heerlijke tijd’, verlost als ze zich voelde van de strenge discipline van de school. Terwijl Sima, als oudste, de lessen miste en de onderdrukking door de jappen veel bewuster beleefde. Ik herinner me de danslessen van mevrouw McNamara, een kampbewoonster. En dat die op zeker moment ook weer verboden werden omdat we niet genoeg te eten kregen, dus dansen werd te inspannend geacht. Jammer, vond ik dat. Voor onze moeder was het kamp op een bepaalde manier misschien wel een redding. Omdat ze niet Nederlands was had ze ook buiten het kamp mogen blijven, maar waar had ze naartoe gemoeten? Met drie kleine meisjes bovendien. Aan het eind van de kamptijd is ze wel doodziek geweest, ze kreeg malaria en het scheelde niet veel of ze had dat niet overleefd.

Wie het interesseert, kan het interview met Max Arian hier lezen. Het is gepubliceerd in het augustusnummer 2015 van het Auschwitz Bulletin ter gelegenheid van 70 jaar bevrijding van Nederlands-Indië.

EIND VAN DE OORLOG

In het voorjaar van 1945 werd het kamp ontruimd en kwamen we terecht in Aek Pamienke, een kamp diep in het oerwoud, waar de omstandigheden mede door de hitte nog veel slechter waren dan in het relatief koele Brastagi. Daar werd onze moeder ziek. En daar hoorden we, pas op 24 augustus 1945, dat de oorlog voorbij was. Omdat er nog veel onrust was – voorafgaand aan de Bersiaptijd – en het daarom niet veilig voor ons was, mochten we het kamp niet verlaten.

Aek Pamienke (I, II en III) werd aan het eind van de oorlog gebouwd als ‘verzamelkamp’. Ongeveer 5.000 vrouwen en kinderen werden er uit verschillende kampen op Noord-Sumatra naartoe gebracht. Aek Pamienke III lag bij de weg tussen Medan en Rantau Prapat, naast de rubberfabriek. Er woonden ongeveer 1.500 vrouwen en kinderen uit Brastagi. Aek Pamienke lag zo afgelegen dat het nieuws dat Japan op 15 augustus 1945 capituleerde, pas tien dagen later in de kampen bekend werd. Het heeft nog tot 1 november 1945 geduurd voordat alle geïnterneerden per trein naar Medan waren vervoerd. (bron: Wikipedia)

Op een dag werd ons verteld dat er bezoek voor ons was aan de poort van het kamp. Daar troffen we onze oude boy en de baboe aan. Op de een of andere manier waren ze te weten gekomen hoe het ons was vergaan en waar ze ons terug konden vinden. We werden door ze overladen met fruit, levende kippen en allerhande lekkers. Meer dan welkom na jaren van honger. Een paar maanden later werden we overgebracht naar Medan. Daar kreeg onze moeder bericht van het Rode Kruis, dat haar moeder, onze grootmoeder, in een concentratiekamp in haar geboorteland Polen door de nazi’s was vermoord.

NAAR NEDERLAND

Wij waren inmiddels niet alleen vaderloos, maar ook stateloos. We waren geen Hollanders, maar ook geen Belgen of Polen, en behoorden daarom tot de laatsten die ‘gerepatrieerd’ werden. Op 14 april 1946 mochten we aan boord van de ms. Sommelsdijk van de HAL (Holland America Lijn), waarmee we op 8 mei 1946 in Rotterdam aankwamen. Eenmaal in Nederland – een vreemd, koud land voor ons meisjes, maar ook voor onze moeder, die er niemand kende – werden we opgevangen in Huize Lydia op het Roelof Hartplein in Amsterdam. Mijn jongste zusje en ik gingen daar recht tegenover naar school. Later zijn we op verschillende adressen in Amsterdam gehuisvest.

Onze oudste zus, Sima, die goed kon tekenen, vertrok al gauw naar New York, om een opleiding in graphic design te volgen. Ze woonde daar bij Chaim, de broer van onze vader, die voor de oorlog had weten te emigreren. De bedoeling was dat we haar met het hele gezin achterna zouden gaan, maar binnen een jaar was ze terug, met weinig fraaie verhalen over New York en de familie aldaar, dus bleven we in Amsterdam. Inmiddels waren we daar ook al een beetje gewend. Ik was aan een balletopleiding begonnen, Ariette was lid geworden van de Joodse Jeugd Federatie en mijn moeder ontving een weduwepensioen van de Société Financière de Caoutchoucs en werd lid van de zionistische vrouwenorganisatie WIZO*, waarvoor zij jarenlang vrijwilligerswerk heeft gedaan.

VOLWASSEN LEVEN

Sima heeft eind jaren 40 een half jaar in Israël gewoond. Ze woonde in Beth Berl en volgde een opleiding tot jeugdleidster voor de Joodse Jeugd Federatie in Amsterdam. Na haar remigratie naar Nederland heeft ze tot begin jaren 60 op het Israëlische consulaat in Amsterdam gewerkt en lesgegeven in Israëlische volksdansen.

Ariette heeft na de middelbare school ook een opleiding tot jeugdleidster gevolgd in Israël en werkte een aantal jaar voor Haboniem-Dror**. In 1956 is ze op alia*** gegaan. Ze werkte een jaar in een kibboets in de Negev-woestijn en heeft daarna in Jeruzalem een opleiding maatschappelijk werk gevolgd. In 1958 trouwde ze daar met Nico Vissel, een Nederlandse student medicijnen. Na de geboorte van hun eerste zoon, in 1960, keerden ze terug naar Nederland in verband met Nico’s opleiding tot chirurg. In Nederland heeft Ariette nog drie kinderen gekregen en toen die het huis uit waren, is ze maatschappelijk werkster geworden bij Joods Maatschappelijk Werk in Amsterdam.

Sima ontwikkelde zich van volksdanslerares tot mensendiecktherapeut, en ten slotte danstherapeut. Ze had een relatie met een Amerikaanse schrijver, van wie ze een buitenechtelijk kind kreeg, een dochter. Een paar jaar later trouwde ze met journalist Maarten van Dullemen, met hem kreeg ze een zoon.

Na mijn carrière als balletdanseres werd ik dansdocent en kreeg ik samen met musicus Otto Klap ook twee kinderen.

Onze moeder, Pauline Colcher-Knorpel, leefde tot haar dood samen met Sima’s gezin. Zij overleed in Amsterdam, op 11 januari 1984, 79 jaar oud.

Sima is in 2017 overleden, 88 jaar oud.


Vellah Colcher, Amsterdam, december 2020

 

noten:

* WIZO (Women’s International Zionist Organization), in 1920 opgericht in Londen en sinds 1948 ook in Nederland gevestigd. Een internationale organisatie met inmiddels 250.000 joodse vrouwelijke vrijwilligers in 53 landen. Doelstelling: kwetsbare groepen binnen de Israëlische samenleving een beter leven bieden en gelijke kansen geven, ongeacht achtergrond of geloofsovertuiging.

** Haboniem-Dror, letterlijk ‘bouwers-vrijheid’, is een internationale socialistisch-zionistische jeugdbeweging voor joodse kinderen.

*** Alia, letterlijk ‘opgang’, is een bijbels begrip, in de 19e eeuw overgenomen als term voor de joods-zionistische emigratie naar Israël.

meer lezen:

Een onbekende joodse held. Het verzwegen verhaal over hoe Moische Colcher in 1942 in een kampong op Sumatra werd doodgestoken. Interview met Sima, Vellah en Ariette door Max Arian en Ariëla Legman verschenen in het Auschwitz Bulletin, 2015-03.




MS Sommelsdijk

Mijn vader Moische Colcher

Pauline en Sima volgden in mei 1930

Pauline en Moische eind jaren 30

Passagierslijst van de Sumatrapost van 23.05.1929. Moische reisde vooruit naar Nederlands-Indië 

Paps met Sima en mams met mij in 1932

Ariette, Sima, Vellah 

Hoofdgebouw van de Planters School Vereniging 

Bron: Terug naar Negri Pan Erkoms,  Rudy Kousbroek

Aandelencertificaat van de Sennah Rubber Company

Jappenkamp Aek Pamienke III in vogelperspectief, getekend met hulp van mede oud-kampbewoonsters door Joke Wassink-Broekema voor het boek 'Terug naar Negri Pan Erkoms' van Rudy Kousbroek. 

Bron: wikiwand.com

Vellah Colcher vertelt over haar familiegeschiedenis en haar jeugd op Sumatra

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel