Mijn vader is geboren in Hongkong, zijn vader Anton Wahr (mijn opa dus) was een Zwitsers civiel ingenieur die veel geld verdiende in de Oost. Hij legde spoorwegen aan in China, met standplaats Hongkong.

In Indonesië, waar hij mijn oma Isabella Walsen Tambajong ontmoette in de Minahasa, ontgon hij goud- en diamantmijnen. De Minahasa is een etnische groep die zich bevindt in de provincie Noord-Celebes.

Helaas had hij losse handjes en een slechte dronk. Onder invloed van alcohol sloeg hij mijn oma met regelmaat de kamer door. Hij hield van gokken in Macao en van leuke vrouwtjes die voorbijkwamen. Kortom, hij was één van die succesvolle avonturiers eind 19e eeuw.

Mijn vader heeft later gezworen geen alcohol tot zich te nemen. Hij heeft het als kleuter meegemaakt en verafschuwde het. Uiteindelijk heeft mijn oma, een dame uit de lijn van voorname leiders uit de Minahasa, de Tambajong dynastie, opa Wahr in Hongkong aan de dijk gezet. Zij rapporteerde hem bij de overheid van Hongkong en ging zelf met haar kinderen terug naar de Minahasa, in eerste instantie via Cirebon op Java.

Mijn vader was toen 7 jaar oud. Daar maakte hij kennis met de KPM (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij) via een oom die daar agent voor was in Cirebon.

Mijn voorouders komen voort uit de lijn van stamhoofden en districthoofden van de Minahasa. Oma Isabella Benjamina Walsen-Tambajong-Wahr was in haar familielijn ook vermengd met een beetje Frans, een beetje Brits bloed. Mijn moeder komt uit de volle lijn van Warokka leiders in de Minahasa.

Mijn ouders mochten van wederzijdse familie niet trouwen met elkaar, die van mijn moeder vond mijn vader te blank en die van mijn vader vond mijn moeder te donker.

Het was in de Minahasa gebruikelijk dat kinderen van de 7 lijnen van Hukum Besar (Districtshoofden) trouwden met kinderen van een andere Hukum Besar lijn. Dit gebeurde zodat de erfdelen (grote landerijen) binnen het familiebezit bleven.

Over het algemeen was een Hukum Besar titel overdraagbaar van vader op zoon, al vanaf de tijd van de aartsvaderen van de Minahasa. Zo was mijn moeder eigenlijk voorbestemd om met een neef te gaan trouwen. Zij had zelfs al een aanzoek gekregen van de neef van Bernhard von Lippe Biesterfeld (die later trouwde met koningin Juliana), die door haar vader was afgeslagen vanwege de adat (culturele lokale wetgeving).

In hun vrijersdagen poogde mijn vader enkele malen om een aanzoek te doen bij de ouders van mijn moeder, echter telkens werden alle ramen en deuren van het grote huis direct gesloten en mocht hij nooit binnenkomen.

Uiteindelijk heeft mijn opa, van moeder's kant, mijn moeder naar Yogyakarta gestuurd om rechten te gaan studeren, echter de echte reden was zodat zij mijn vader niet meer zou kunnen ontmoeten. Mijn vader heeft toen aan de KPM overplaatsing gevraagd en gekregen naar Soerabaja, waar ze zich stiekem met elkaar verloofden.

Na enige tijd moest mijn moeder terugkomen naar Amoerang, want het geld was op. De nootmuskaat tuinen en de kokosnoot oogsten waren mislukt. Zij ging toen naar Gorontalo om daar verder te studeren. Mijn vader volgde haar trouw. Omdat wederzijdse ouders geen toestemming wilden geven tot een huwelijk zijn mijn ouders op een gegeven moment met hulp van een kapitein van de KPM weggelopen uit de Minahasa om in Soerabaja te trouwen.

Daarna keerden ze weer terug naar Gorontalo waar papa weer voor de KPM ging werken, verantwoordelijk voor verscheping van vracht. Mijn vader was gewild bij de handelaren omdat hij hen altijd hielp hun lading zo goed mogelijk te verschepen en niet corrupt was.

Een welgestelde Chinese handelaar gaf papa en mama als dank een klein huisje als huwelijkscadeau, want haar ouders waren nog boos om hun huwelijk. Dit zette veel kwaad bloed bij zijn collega's. Papa’s KPM collega’s waren jaloers en begonnen een hetze tegen hem. Men begon een roddelcampagne, zei dat hij een dronkaard was (mijn vader was nooit een drinker omdat zijn vader er wél één was) en vertelden allerlei lelijke dingen over hem.

Dit kwam het hoofdkantoor in Batavia ten gehore. Om alles te sussen werd papa naar Soembawa Besar op Soembawa eiland gestuurd als sub-agent om de zaken van de KPM te behartigen. Het was eind 1939, papa was 29, mama 26, zij was zwanger en moest bijna bevallen.

Soembawa was een rustige plek waar eens per week een schip langskwam. In 1931 kwam Sultan Muhammad Kaharuddin III aan het bewind op Soembawa Besar. Zijn machtsperiode begon nog onder het Nederlandse bewind.

De Sultan had een kolossaal paleis in het centrum van Soembawa Besar. Het was een gebouw gebouwd op 99 palen en reuze indrukwekkend (het stond er in 2002 nog, echter is nu een soort museum). Toen mijn vader in 1939 zich als agent van de KPM in Sumbawa vestigde raakte hij bevriend met deze Sultan, die enkele jaren ouder was dan hij. Zij waren de enigen op het eiland die over een auto beschikten. Mijn vader ging regelmatig met de Sultan op hertenjacht (er zijn daar veel herten in de bossen). En mijn ouders kwamen ook vaak op het paleis van de Sultan om bridge te spelen.

De Sultan en mijn beide ouders waren fanatieke bridge spelers. Eind 1939 werd mijn oudste zus geboren, Isabella. Zij overleed na 10 maanden aan een ziekte, medio 1940. Zij was niet gedoopt want er was toen nog geen vaste pastoor of dominee (mijn vader was Katholiek, mijn moeder Protestant).

Zendelingen kwamen niet vaak naar de kleine Sunda eilanden. Mijn ouders hadden verschrikkelijk veel verdriet en waren ontroostbaar, zij voelden zich schuldig omdat Bella niet was gedoopt. Ze voelden het als een straf van God.

Om vergiffenis te vragen heeft mijn vader toen als boetedoening achter hun huis op het grote erf met eigen handen een Katholieke kapel gebouwd. De eerste kerk in Soembawa Besar; Soembawa is voor meer dan 95% moslim.

Mijn moeder was bang geen kinderen meer te kunnen krijgen en ze adopteerden een chinees kindje, maar dat kind liep telkens weg terug naar haar ouders. Daar bleef het bij en dus lieten zij het maar zo. In 't midden van 1941 ontdekte mijn moeder tot haar grote opluchting dat zij opnieuw zwanger was.

Op 5 Januari 1942, in de vroege ochtend, werd ik geboren. Zoals ik al schreef was mijn vader katholiek en mijn moeder protestants. Zij hadden echter onderling al besloten dat de eerstvolgende geestelijke die langs kwam mij zou dopen. Het werd pater De Beer, die na 2 weken op doorreis door Soembawa Besar mijn ouders tegenkwam. Zo werd ik dus Rooms Katholiek gedoopt.

In mei 1942 kwamen 8 Japanse oorlogsschepen aan in Sumbawa. onder leiding van Kolonel Haraichi.

Er waren vóór die tijd 2 schepen op weg naar de haven van Sumbawa Besar, en mijn vader had ijlings via radiotelefonie de kapiteins gewaarschuwd om direkt door te stomen naar Australië. Zo konden deze schepen ontkomen.

De Japanners waren niet blij toen zij hierover hoorden en gaven opdracht mijn vader onmiddelijk te gaan zoeken. Mijn vader kreeg hier lucht van en vluchtte met behulp van een aantal werknemers de bergen van Sumbawa in. Sumbawa heeft een lange bergrug met vele spelonken en grotten in de bergen.

Het was de verraderlijke Sultan Kaharuddin III die onmiddelijk de Japanners had ingelicht over mijn vaders daad. Hij vertelde Kolonel Haraichi waar mijn vader zich verborgen hield in de bergen (hij was op de hoogte dat mijn vader de bergen in was gevlucht omdat mijn vader hem dit als vriend had verteld). Deze Sultan Kaharuddin III draaide als een blad aan een boom, heeft het schilderij van Wilhelmina uit het paleis gegooid, de vlaggen verbrand en heulde onmiddelijk mee met de Japanners.

Met de hulp van de Sultan hebben de Japanners binnen een week mijn vader weten te vinden in de bergen. Toen hij gevangen was genomen werd hij naar het paleis van de Sultan gebracht waar de Japanners, vlak bij de vlaggestok in het midden op het voorerf, in rijen stonden te wachten.

Het hele dorp was bij elkaar geroepen om het schouwspel te zien. Men wilde het volk laten zien dat Hollanders zouden worden gestraft voor hun slechte daden. Mijn vader moest in aanwezigheid van het gehele dorp zich uitkleden en kreeg toen alleen een lendendoek te dragen.

Er werd aangekondigd dat de straf voor mijn vaders vergrijp onthoofding was. Er werd een grote cirkel van soldaten gemaakt om het plein en het volk moest aan de hekken rondom het plein van het paleis gaan staan om van deze onthoofding getuige te zijn.

Mijn vader werd op zijn knieen geslagen en moest zijn hoofd voorover buigen. De Japanse beul die het vonnis zou voltrekken stond naast mijn vader met opgeheven zwaard. Mijn vader vertelde altijd dat hij toen op dat moment niet meer bang was. Hij begreep dat zijn tijd op aarde ten einde was.

Hij was een diep gelovig man (sedert het overlijden van mijn oudste zuster 3 jaar tevoren) en hij zei dat hij alleen maar bad dat mijn moeder met mij een goed heenkomen had gevonden. Op het moment dat de beul het kommando kreeg om het vonnis te voltrekken en het zwaard naar beneden zou komen kwam plotseling Kolonel Haraichi het erf van de sultan op en schreeuwde "Halt!".

Op dat moment had deze kolonel besloten dat het een te snelle straf zou zijn. Hij beval dat mijn vader te schande zou worden gemaakt tegenover de hele bevolking.

Mijn moeder had in 1942, toen ze er woord van kreeg dat vader werd gezocht, inmiddels ook onmiddelijk wat spullen bij elkaar geraapt, de waardevolle zaken, zilver etc. in een kuil onder de mangga boom achter het huis begraven en is alleen met mij, als 4 maanden oude baby, gevlucht naar Ampenan, een klein dorp vlakbij Mataram de hoofdstad van het aangrenzende eiland Lombok.

Mijn moeder nam dit besluit om te voorkomen dat de Japanners ook haar samen met mij zouden interneren. Ik had immers een lichte huid en rood haar? In Ampenan dook mijn moeder onder en hield ons in leven door onderwijs te geven in het dorp. Bij Japanners staat een lerares in hoog aanzien en wordt met rust gelaten. Mijn moeder sprak alleen Indonesisch met mij opdat men niet zou vermoeden dat mijn vader blank was, want dan zou ik worden meegenomen en in het kamp gestopt

Sumbawa is een eiland dat heel bekend is vanwegen zijn kleine, sterke, paarden. Deze dieren werden gebruikt om dokars (Deleman, dilman, dos-a-dos, bandy), personen vervoer karretjes, te trekken. Derhalve waren de straten van Sumbawa Besar altijd vol bezaaid met paardenstront.

Totdat hij zou werden verscheept naar Tana Toraja in Midden Celebes, naar het interneringskamp, moest mijn vader elke dag, de gehele dag door, een grobak (een vuilnis trekkar) door de straten trekken, met

alleen een lendendoek om. Hij moest dan alle stront van de paarden met de handen oprapen en in de grobak gooien. Het hele dorp werd bevolen om, als mijn vader langs kwam, langs de kant van de weg te staan en toe te zien hoe deze blanke (mijn vader had een heel blanke huid) Hollander (iedereen die voor de KPM werkte was in hun ogen een Hollander) werd vernederd en het stront met zijn handen moest oprapen.

Mijn vader vertelde dat zijn baard was beginnen te groeien, alsook zijn haren. Hij vertelde dat mensen wel langs de kant van de weg stonden, maar hun hoofd afwenden. Je moet namelijk weten dat mijn vader voor de oorlog in hoog aanzien stond aangezien hij veel mensen werk verschafte via de KPM. Er waren Christenen (uit het plaatselijke Ambonezen kamp) die een vergelijk maakten met Jezus Christus die langs de weg liep, alleen had mijn vader die grobak met trekarmen op zijn rug in plaats van een kruis.

Toen hij geinterneerd is in Tana Toraja zat hij daar met een stel mede oorlogsgevangenen, maar had het voordeel dat hij bij de keukenploeg ingedeeld en met het koken belast was. Dat leverde in ieder geval wat eten op.  Dit nam niet weg dat hij toch regelmatig straf kreeg als hij werd gepakt bij het achterover drukken van een kip.

Dit betekende meestal dat hij, bloot, aan de handen werd opgehangen aan een bamboe stelsel en dan werd afgeranseld met rotan stokken. Één keer liep het zelfs zo uit de hand en werd zijn stuitbeen kapotgeslagen, wat hem jarenlang pijn heeft veroorzaakt, bijvoorbeeld bij het zitten.

Toen later na de oorlog, de Nederlandse overheid een lintjesregen liet neerdalen in Indonesië, kreeg Sultan Muhammad Kaharuddin III er ook een. Hierover was mijn vader zo verbolgen dat, toen op aanbeveling van de KPM hem zelf daarop ook een lintje werd aangeboden, hij het direct heeft geweigerd.

Een wel leuke bijkomstigheid van het geinterneerd zitten in Tanah Toraja; in het kamp raakte mijn vader erg bevriend met Willem Gerard Hofker, een schilder die later heel bekend werd door zijn schilderijen en tekeningen over o.a. Bali.

Deze Gerard Hofker vond dat mijn vader een karakteristieke kop had en heeft mijn vader's portret getekend met rode en zwarte potlood.

Deze mooie tekening is nog steeds in mijn bezit en geeft een beeld van hoe mijn vader er omstreeks 1944 in het kamp uitzag.

In 1945 werd Celebes bevrijd door de Australiërs, ook Tana Toraja (Centraal-Celebes) waar mijn vader geīnterneerd zat. Omdat mijn vader goed bekend was in Celebes moest hij van de bevrijders de oorlogsbuit weer onder de bevolking terugverdelen en teruggeven.

Mijn vader vertelde daar prachtige verhalen over. De Japanners moesten bij hem hun oorlogsbuit inleveren, alle Japanse militairen deden dat. Er was een officier van het Japanse leger die al neerbuigend bij mijn vader kwam om hem te spreken. Hij vertelde mijn vader dat hij dankbaar was dat hij als Japanner door mijn vader humaan werd behandeld. Mijn vader was geen wrokkig persoon.

Schuchter gaf hij toen een dichtgebonden zakdoek aan mijn vader, met de woorden: "Dit is mijn dank aan u voor uw goedheid. Dit heb ik eerlijk

gekregen en u hoeft het dus niet in te leveren als oorlogsbuit, dit is voor u persoonlijk."

Mijn vader maakte de grote zakdoek open en het was gevuld met allemaal zwarte parels. Zwarte parels zijn enorm zeldzaam en dus ook enorm veel waard. Mijn vader bedankte de officier en zei dat hij dit toch bij de ingeleverde oorlogsbuit officieel zou bijschrijven en hij deed dat ook. Later, bij de overdracht aan de Australiërs bleek die zakdoek met zwarte parels te zijn verdwenen!

Mijn vader vertelde me dat hij zichzelf voor de kop heeft geslagen dat hij die niet voor zichzelf heeft gehouden. Die parels waren een fortuin waard! Maar ach, voegde hij er dan aan toe: "Eerlijk duurt het langst, God geeft je er iets anders voor terug".

Mijn vader werd in Pare-pare gevestigd door de KPM. In Soembawa verving Sultan Kaharuddin het schilderij van Hirohito weer door die van Wilhelmina alsof er niets gebeurd was.

Na de oorlog vond mijn moeder papa terug via scheepskapiteins van de KPM, die vertelden dat hij nog in leven was en in Pare-pare, Midden-Celebes woonde en werkte.

Mijn eerste herinnering aan mijn vader was het huis in Pare-pare waar we woonden. Het was ochtend en mijn vader kwam langs. Voor mij was hij nog steeds een vreemde blanke man. Ik kwam uit de badkamer waar ik mij net had gebaad met een groot margarine blik, die als emmer fungeerde om water uit de waterbak te scheppen en over mij heen te gooien.

In mijn geheugen staat nog steeds gegrift hoe ik in de badkamerdeur stond en mijn vader op zijn knieëen, een kleine blikken Amerikaanse Willy leger Jeep in legerkleur met een vliegwiel naar mij toe duwde. Het was het eerste echte speelgoed dat ik kreeg sinds mijn geboorte.

Omdat mijn vader weer bij ons was, moest ik dan ook Nederlands leren spreken. Immers, mijn vader werkte voor de KPM, een Nederlandse maatschappij. Ik vond mijn vader aanvankelijk een enge man, hij was zo bleek (ondanks dat zijn moeder ook uit de Minahassa kwam). Verder zag hij er ook zo streng uit en was hij heel ongeduldig en had een harde stem, in tegenstelling tot mijn o-zo geduldige moeder. Daarbij kwam ook nog eens dat de taal die mijn ouders spraken, Nederlands, zo´n rare taal was. Het duurde even alvorens ik dan ook enigszins goed Nederlands kon spreken.

In 1947 werd mijn zuster Molly Lily in Pare-Pare geboren en kreeg aanzienlijk meer aandacht dan ik. Ik ging in Pare-Pare niet naar de lagere school, want die was er niet, of het was te slecht, één van beide. Ik werd dus door mijn moeder thuis geschoold.

Mijn moeder had, zoals eerder genoemd, vóór de oorlog als jonge vrouw rechten gestudeerd in Yogyakarta. Daar ontmoette ze Tuti Marini Puspowardojo die haar hartsvriendin werd. Tuti was inmiddels getrouwd met haar vriend Djalil Habibie uit Tana Toraja en was ook in Pare-Pare. Haar man kwam uit Tana Toraja.

Mijn vader kende hen beiden ook goed uit Gorontalo, N-Celebes. Tuti zat financieel aan de grond, ze waren alles kwijtgeraakt in de oorlog. Ze kwamen met hun kinderen bij mijn vader langs, die door de Japanners geconfisqueerde goederen teruggaf aan de bevolking, papa hielp hen aan een huisje en wat meubeltjes. Ze kwamen in Pare-Pare regelmatig bij ons thuis Bridge spelen.

Tuti’s man Habibie was een echte nationalist, maar thuis werd politiek altijd buiten de deur gehouden. Tuti heeft zich opgewerkt voor het gezin door hard werken als 'toekang tjatoet', koper-verkoper van goud en edelstenen. Ze kon een aantal jaren later haar zoon uiteindelijk in Duitsland laten studeren (met hulp van Soeharto, die na de oorlog als sergeant ook in Pare-pare was).

Die oudste zoon, Rudi Habibie, maakte carrière in Duitsland en schopte het tot Vice President van Messerschmitt Bölkow Blohm in Hamburg in 1974. Hij werd door President Soeharto in Indonesië teruggeroepen om

het land verder te ontwikkelen. Toen hij in 1976 werd aangesteld tot CEO van het staatsbedrijf IPTN (vliegtuigontwikkeling) en benoemd tot Minister of Research and Technology, woonden wij inmiddels al in Amsterdam en werden wij door de Indonesische Ambassade uitgenodigd om de plechtigheid bij te wonen in Den Haag, waar het werd gevierd.

Tuti Habibie had ons speciaal hiervoor uitgenodigd omdat zij zo blij was dat Rudi zover was gekomen. Zij weet dat aan de hulp van mijn ouders te danken is die zij in de moeilijke jaren van 1947 van hen heeft mogen ontvangen.

Eind 1947 werd mijn vader overgeplaatst naar Makassar. Daar ging ik voor het eerst naar een echte lagere school. Het was een Indonesische school, men sprak daar Indonesisch (Maleis).

Mijn moeder was echter heel slim, die liet iedereen die uit ´Holland´ kwam boekjes meenemen, boekjes met van die grote letters die je makkelijk kon lezen. Zo heb ik dan uiteindelijk de Nederlandse taal beter onder de knie kunnen krijgen. Ik verslond die boekjes. Er stonden zoveel prachtige verhalen in, ik wilde steeds meer. Op school voelde ik mij net als de Indonesische jongens, ik deelde in al hun kattekwaad. Papa moest van de KPM weer terug naar Makassar omdat hij werd uitgeleend aan de nieuwe Indonesische regering op verzoek van Soekarno, om de 1e Indonesische nationale scheepvaartmaatschappij op te richten in 1947. Het werd de MKSS (Maskapai Kapal Selebes Selatan).

Mohammad Hatta kwam bij ons en papa kreeg Hfl. 100.000 om de MKSS op te richten. Hij begon met niets, geen kantoor, geen goedang (magazijn/opslagplaats), personeel of schip. Na een jaar had de MKSS drie eigen schepen, alle handel in hun beheer rondom Celebes en was de grootste concurrent voor de KPM.

Mijn vader was gewild bij de handelaren. De MKSS werd in de ogen van de KPM veel te succesvol en mijn vader werd dan ook door hen teruggefloten in 1949. De MKSS beconcureerde de KPM te zwaar in Sulawesi. Maar Soekarno was het hier niet mee eens en werd er hevig touwtje getrokken om papa.

Papa werd door Mohammad Hatta nog eens Hfl. 100.000 beloofd als hij bij MKSS zou blijven, als compensatie voor pensioengeld van de KPM dat hij anders zou kwijtraken bij de KPM. Helaas was de nieuwe regering te laat met het storten van het geld. Na 6 weken wachten (papa had hen 2 weken de tijd gegeven) nam papa zijn besluit omdat hij meende dat Soekarno niet serieus was. Hij bleef dus bij de KPM. Deze zette alle zeilen bij en had hem meteen 'strategisch' onzichtbaar gemaakt voor Soekarno door hem op verlof te sturen naar Nederland rond eind 1948.

Dit was ons eerste verlof en alle kosten werden voor ons betaald.  Dit was de eerste keer dat de KPM een lokaal ingehuurde employee op verlof stuurde! We kregen 1 jaar verlof en gingen naar Amsterdam waar mijn moeder (inmiddels weer zwanger) de tweeling zou krijgen. We kregen een ruime per diem (dagelijkse vergoeding) mee, reis-, kleding- en vakantiegeld voor één jaar.

 Wij reisden met de de Johan van Oldenbarneveld of de Willem Ruys (helaas ben ik vergeten welke van de twee het geweest is) naar Nederland. Het was een geweldige tijd aan boord; de kinderen konden zwemmen en spelen naar hartelust en de ouders konden 's-avonds dansen en allerlei gokspelletjes spelen en/of op het dek lanterfanten. De tocht door het Suez kanaal was een waar evenement, evenals het 'mampiren' (aanleggen) in Port Said!

Dit werd voor ons allemaal de eerste keer dat wij Nederland 'live' zagen! Voor die tijd kenden wij het alleen maar van 'De Lach' uit de soos (societeit), de schoolkaart, de ansichtkaarten en van horen zeggen.

Nederland was koud maar schoon en reuze georganiseerd (stel je voor, trams en bussen die op tijd vertrokken!), en we verbleven in Amsterdam en Nunspeet. We gingen eerst naar Amsterdam, waar wij in de Beethovenstraat boven een groentenboer kamers huurden. Mijn moeder was hoog zwanger en wilde het liefst in een grote stad bevallen van haar tweeling. Het werd dus Amsterdam.

Voor mij, als kind, brak een heel nieuw tijdperk aan en een hele verandering. Ik moest bijvoorbeeld in plaats van op blote voeten ineens met schoenen rondlopen. Ons verlof in Nederland duurde maar 1 jaar, maar ik deed daar zoveel nieuwe indrukken op. Ik had een dikke jas, een soort scheve 'Kees de Jongen' pet op mijn hoofd en oorwarmers. Ik weet dit nog zo goed te herinneren want mijn vader was een fervent fotograaf, vanaf jongs af aan. We hebben dus tig-tig-tig fotos vanaf ca. 1930. Ons verblijf in de Beethovenstraat was niet echt gedenkwaardig. We woonden op de bovenste verdieping en gingen vaak het dak op. ‘We’ zijn papa, mama, mijn zus Lily en ik. Wij hadden de 3e verdieping voor onszelf.

Mama liep op haar laatste dagen en wilde dus niet met ons naar buiten, en op het dak was het veilig, als je maar bij de muur bleef.

Toen de tweeling was geboren, Richard en Leo, die die bijnaam Pukkel en Doedel kregen (Pukkel omdat hij een grote moedervlek aan zijn elleboog had, en Doedel omdat hij mollig was en een schaterende lach had), bleven wij nog even in Amsterdam totdat  ze ook makkelijk mee op reis konden worden genomen.

Mijn vader maakte vaak wandelingen om boodschappen te doen. Vaak ging ik dan met hem mee. In die tijd was er in Amsterdam toch wel iets wat een beetje op racisme leek. Het wás het volgens mij ook nog niet echt, maar alleen stond men wel vreemd te kijken als je langskwam met je lengang-lengang loop (nonchalant wiegend), je kleurtje en je accentje.

Het gebeurde dan ook regelmatig dat ik door andere jongens werd nageroepen. Gewoonlijk deed ik of ik het niet hoorde en liep door. Op een keer liep ik met mijn vader in de Beethovenstraat, toen er zo’n jonge jongen, forser dan ik, van een afstandje riep: "Hee, pindachinees lekkalekka".

Ik deed of ik het niet hoorde, maar papa had het wél gehoord! Hij stond stil en zei tegen mij: "Heb je dat gehoord? Wat doe je dan?". Ik loog erop los: "nee, ik heb niks gehoord." Papa: "Hij zei Pindachinees!" En weer riep dat joch "Pinda poep chinees!". Mijn vader was kort: "Óf je gaat erop af en slaat 'm op z'n smoel en krijg je thuis een gulden, al heb je verloren, óf we gaan naar huis, dan geef ik jou een pakslaag en dát doet meer zeer!!!"

Mijn vader kon zich soms heel plastisch uitdrukken... Ik ben naar dat joch toe gegaan (mijn vader kon hard slaan!) en na de gebruikelijke "Wat zég je, wat zég je, ik sla je op je bek" enz. ging ik later met papa mee terug, een blauw oog rijker, maar óók een gulden meer op zak. Zo hadden we wel meer voorvallen die om te lachen waren of waar ik vreemd tegenaan keek. Tja, je bent nu in Holland!

Na Amsterdam togen wij naar Nunspeet waar mijn ouders een klein huisje hadden gehuurd voor de rest van ons verblijf. Het was een kleine eengezinswoning met een kolenhaard. Je moest van buiten de kolen halen uit de schuur. Er was geen toilet in huis, maar een soort houten hok, buiten in de tuin, met een plank met een gat boven een bak. Het heette een "kak-hoes" (kak huisje). Dan weet je meteen ook waar het Indische woord kakoes vandaan komt. De was deed je buiten in een houten tobbe en droogde je met een wringer waar je je natte kleren tussen deed terwijl je aan de zwengel draaide. In die dagen bleek de badkamer in die streken ook niet altijd gebruikt te worden waar het voor was gemaakt.

De Nederlander op het platteland vond zo'n extra ruimte een overbodige luxe. De huisjes en kamers waren klein en men moest er spaarzaam mee omspringen. Dus werd vaak de badkamer een soort fietsen- of kolenhok annex opslagplaats. Het was immers voldoende om 's ochtends alleen maar een washandje over je gezicht te wrijven? Voor ons, uit de tropen, was dat ondenkbaar. Wij waren gewend aan 3 keer per dag "sirammen" (water over je lijf gieten). En natuurlijk hadden wij flessen in het toilet... en neen, niet om water uit te drinken. Iets waarvan menig Nunspeetenaar die op bezoek kwam zich kennelijk afvroeg waarom wij zo'n dorstig volk waren.

We hadden veel bekijks want we kwamen uit Indië en we hadden ook een pas geboren tweeling! De tweeling waren de trekpleister van de buurt. De schoolmeisjes uit de buurt waren elke dag bij ons te vinden! Één van de meisjes heette Gerda, haar vriendin heette Rien. Op een dag kwam ze langs toen ik heel verkouden in bed lag. Ik zag haar binnenkomen in een tule rokje. Ik vond dat zó mooi dat ik zei: "O Gerda wat ben je mooi! Je lijkt precies een prinses!". Een gezegde waar mama mij later nog vaak aan herinnerde. In Nunspeet kreeg ik mazelen. Mama stopte ons prompt allemaal bij elkaar zodat ze maar 1 keer die ellende hoefde mee te maken. Ze was wel erg praktisch ingesteld.

In Nunspeet leerde ik ook voetballen, ik was een soort mascotte van de kinderen daar, die in mij toch zoiets als een 'half buitenaards wezen' zagen. Men vond het dan ook niet erg dat ik de voetbal in eigen doel schopte omdat ze me bij het wisselen niet hadden verteld dat ik nu in het andere doel moest schoppen. In Nunspeet kreeg ik weer les van mijn moeder. De laatste paar maanden verbleven we in Amsterdam tot ons vertrek eind 1949. Papa kreeg namelijk bericht dat hij direct naar Timor Koepang moest, waar zijn volgende post zou zijn. We moesten naar Timor Koepang omdat het niet teveel moest opvallen bij Soekarno en Hatta dat hij inmiddels weer terug in het land was.

Timor Koepang was afgelegen, buiten de gewone route. Daar waren we dus, we verruilden Holland weer voor Zoet Insulinde, op naar Timor Koepang... 

Ik was bijna 8 jaar oud toen KPM mijn vader terugriep naar Timor Koepang. Mijn vader werd Agent voor de KPM. Hier ben ik pas echt bewust dingen gaan herinneren waar ik op veel latere leeftijd naar teruggrijp. Het eiland Timor bestaat uit twee delen, Oost Timor en West Timor. West Timor had als hoofdstad Koepang. In Oost Timor (ook wel genoemd Timor-Leste - lokaal: Timor Lorosa'e) was de hoofdstad Dili, Oost Timor viel toen nog onder Portugees regime. West Timor behoorde onder Nederlands-Indië.

Na de overdracht van souvereiniteit van Nederland naar Indonesië bleef Oost Timor behoren tot de Portugezen, die er echter weinig aandacht aan schonken.

In 1941 werd Oost-Timor ingenomen door Nederlandse en Australische troepen om het te beschermen tegen een inval van Japan.

In 1942 vielen Japan tóch Oost Timor binnen. Na de Tweede Wereldoorlog meldden de Portugezen zich weer.

In 1948 werd West Timor deel van het onafhankelijke Indonesië terwijl toen Oost Timor in Portugese handen bleef. Dat was de situatie waar wij in terecht kwamen. Mijn vader werd gestationeerd in West Timor, in de hoofdstad Koepang, of vaker genoemd Timor Koepang.

Het eiland Timor was na de Tweede Wereldoorlog een droog en stoffig eiland. Mijn vader had daar 2 havens; Koepang was de hoofdhaven en Tenau (ca. 15km ten zuiden van Koepang) was de noodhaven. In Koepang werden de schepen op de ree (op zee) geladen en gelost. Dat betekent dat scheepsladingen met sloepen of pontons werden getransporteerd om te laden of te lossen. Als de golven te hoog werden dan verhuisden we dus naar Tenau. Tenau was een kleine baai, reuze idylisch, kalm water en prachtige witte stranden en daarachter hoge rotsen.

Mijn vader had op één van de rotsen een huisje laten bouwen waar wij verbleven als het lang slecht weer was of als we gewoon lekker wilden relaxen. Vanuit het huis op de rotsen liep je zo´n 15 meter verder en dan was er bij vloed meteen de zee waar je zo in kon duiken. Dit was echt prachtig en bedenk je eens dat ik ´s-morgens vroeg om half 6 al op het strand stond om de vissers te helpen hun fuiken te legen. Als beloning mocht ik dan altijd een aantal vissen zelf uitkiezen en meenemen naar huis.

Mijn moeder was niet altijd even blij met mijn keuze, want ik vond zeeslangen en van die kleine haaien met schuurpapieren huid zo mooi, maar mijn moeder vond dat niet lekker.

In Koepang woonden wij ook aan zee, alleen moest je zo´n 60 meter lopen over een groot veld aan de overkant van de weg en daarna moest partij rotsen over om dan pas op het witte strand te komen.

Op dat veld aan de overkant van de weg had men al het oorlogsmateriaal uit de 2e Wereldoorlog van her en der opgestapeld. Je vond daar kapotte tanks, trucks etc., zelfs luchtafweerkanonnen. Het was natuurlijk allemaal kapot, maar als je op zo´n kanon zat dan kon je nog aan allerlei wieltjes draaien en dan draaide die hele geschutstoren rond, de loop op en neer en links en rechts... kortom voor mij was het spannender dan de Efteling van nu.

Tja natuurlijk vonden wij ook af en toe kistjes met ´live´ geweerkogels. Ik zal maar niet vertellen wat voor enge dingen wij daar weer mee uithaalden. Een kind kent namelijk geen gevaar! Het is maar één keer gebeurd dat er iemand op dat veld is gedood. Dat waren 3 vissers die zonodig een bom wilden demonteren om de inhoud te gebruiken bij het vissen. BOOEEeemMM!!! Game Over.

Wij hadden op Timor Koepang 3 bedienden, 2 mannen en 1 vrouw. Riwoe (van het nabij gelegen eilandje Sawu) voor de tuin en zwaar werk, Annus (van het nabijgelegen eilandje Roti) voor de huishouding (overigens een geweldige kokki) en Lina (ook uit Sawu) voor de kinderen. Stuk voor stuk geweldige mensen. Ze zijn dan ook tot 1958, het jaar dat wij moesten repatrieren, bij ons gebleven.

Voor ons waren ze geen djongos of baboes. Ze waren gewoon een onderdeel van de familie die alles voor ons overhadden en ook alles voor ons deden. Maar wij hadden dan ook alles over voor hen.

Bij het afscheid van hen (dit komt later in het verhaal aan de orde) in 1958 hadden mijn ouders zó met hen te doen dat ze elk (mijn ouders hadden een goede vedutie -veiling- gehad) 10.000 gulden kregen om zelfstandig verder te kunnen gaan. Ik mis ze nog stééds.

Lina kwam voor ons werken toen mijn jongste broer, Eddy, werd geboren in Koepang. We waren inmiddels met 5 kinderen; Eddy was de nakomeling. Mijn moeder wilde eigenlijk geen kinderen meer en had daartoe van de dokter een spiraaltje geplaatst gekregen en die moet zijn weggesprongen of zo, want Eddy kwam, en hoe! Het was augustus en mijn vader was weer eens op de pasar malam aan het gokken en won geweldig veel bij het spelen van Fantan, een Chinees gokspel.

Toen men hem kwam vertellen dat hij naar huis moest omdat mijn moeder aan het bevallen was, was hij niet van die tafel weg te sleuren en uiteindelijk hebben ze hem zowat moeten vastbinden en naar huis brengen in de jeep. Dat was de reden dat Eddy bijna de naam Fantan kreeg. Echter, om er zeker van te zijn dat hij het laatste kind zou worden kreeg hij de naam Eddy; in mijn vaders familielijn heten al de hekkesluiters Eddy.

In Timor Koepang ging ik ook al naar een Indonesische school. Ik herinner me nog dat het ergens aan de rand van de stad was. Ik had daar een geweldige tijd. Ik had al de vrijheid die ik mij kon wensen als kind. Ik was te oud voor Lina om op te letten en mijn ouders waren beiden druk bezig met hun bezigheden. Mijn moeder had allerlei sociale verplichtingen en mijn vader was druk met zijn werk als agent van de KPM. Mijn vader was muzikaal en naast zijn werk speelde hij gitaar, ukelele en piano. We hadden een Hawaiian band. Ook kon hij goed tapdansen dus het was iedere maand een paar avonden feest bij ons thuis.

Een goede vriend van papa was meneer Tieleman en het was in onze garage dat de Tielman Brothers door papa Tieleman werden gedrild. Ze waren toen maar iets ouder dan ik en hun vader was een fanatieke musicus, dus zijn kinderen moesten en zouden goed kunnen musiceren. Dat dit gelukt is weet men uit de geschiedenis en hebben ze dat dan ook later voortreffelijk gedaan toen ze eenmaal  naar Nederland gingen.

Daarnaast waren mijn beide ouders fanatieke tennis- en bridge-spelers. Mijn moeder stond eind jaren ´40 aan de top van de Indonesische tenniswereld en beiden zaten ze in de top van de Bridge wereld. Dus aan aktiviteiten hunnerzijds geen gebrek. Dit gaf mij dus een enorme vrijheid van bewegen, die ik dan ook met beide handen en voeten aangreep. Ik had mij al aangesloten bij de ´gang´ van de straat. Allemaal jongetjes met kattapults en knikkers (om zuiverder te kunnen schieten) of loden kogels (gesloopt uit het veld voor ons huis). De andere straten hadden ook ´gangs´ en als we elkaar tegenkwamen dan sloegen we er op los. Mijn ouders hebben daar nooit wat van gezegd. Ze wisten zeker niet dat we ook met kattepults op elkaar schoten.

Achter ons huis was een heel grote tuin waar mijn moeder groentebedden had aangelegd en een grote kippenren met wel 50 kippen had geplaatst. Verder hadden we 2 geiten en een grote volière met ´tekoekoers´, wilde bosduiven die de hele dag door koerden: ´tekoekoerrrr... tekoekoerrr....´.

Op een dag had ik de buurjongen van de familie Lakusa uitgenodigd om met mij eieren te bakken. Ik had dit nog nooit eerder gedaan, maar had wel gezien hoe dat in de keuken gebeurde. Ik stal een paar eieren uit de kippenren en ben met hem naar een groot veld achter ons huis gegaan. Dat veld bestond uit hoog gras waar je je goed in kon verstoppen. Ik had ook een plankje met 3 grote stenen meegenomen. In dat veld verstopten wij ons en heb ik de 3 stenen neergelegd. Daartussen deed ik allerlei droge takjes. Het plankje moest als koekepan dienen en werd bovenop de 3 stenen gelegd. Toen heb ik de eieren stukgemaakt op dat plankje en heb het hout daaronder aangestoken. Dat was een hele grote fout want het was het droge seizoen en dat hele veld ging in de fik en iedereen uit de huizen die eromheen lagen moest met emmertjes water af en aan rennen om de inmiddels grote brand te blussen.

Natuurlijk was ik ´m allang gesmeerd en had ik mij onder een truck van de zaak, die in onze tuin geparkeerd stond, verstopt vlak onder de laadbak tussen de balken. Helaas werd ik daar later tussenuit gehaald door de bewaking van de KPM die mijn vader uit de haven heeft laten komen. Aan dit voorval heb ik een flink pak slaag overgehouden.

Mijn buurjongen met wie ik eieren had willen bakken had ook een zusje van mijn leeftijd, Mimi genaamd. Ze hadden ook honden en toen er pups waren mocht ik daar eentje van uitzoeken.

Ik denk dat ik iets te haastig was met het pakken van een pup want ik werd door moeke de hond zwaar toegetakeld. Gelukkig werd ik alleen maar in en rondom mijn knieen gebeten. De littekens die nu nog zichtbaar zijn zullen mij steeds aan die hondjes doen denken. En dan was er Mimi, oh Mimi Mimi, wat was ik toch verliefd op haar.

Als ik ´smiddags van school kwam dan kleedde ik mij snel om in mijn ´tjelana monjet´ oftewel hansop. Een ruim vallend stuk kleding waarbij het lijf en de broek aan één stuk zijn en de knopen aan de voorkan zitten zodat je erin kon stappen.

Heel regelmatig gingen we naar het strand toe langs de boulevard. Daar gingen mijn Indonesische vriendjes altijd bloot zwemmen, dus ik ook. De tjelana monjet ging uit en het blote lijf ging het water in. Natuurlijk moet dat wel een vreemd gezicht zijn geweest, zo´n wit lijf tussen al die zwarte in het water en op het strand. Regelmatig kreeg ik dus thuis ervan langs met de riem van mijn vader, omdat iemand het weer zo nodig vond om aan tuan agent te zeggen dat zijn zoontje vanmiddag bloot op het strand stond.

Andere aktiviteiten waren er ook zoals de vogel jacht. In het veld voor ons huis waren altijd enorm veel vogels van allerlei pluimage. Een prachtige vogel was de Sri Gunting, die eruit ziet als een ekster, zwart/wit, met 2 lange staartveren. Telkens als die 2 veren een ´knip´ beweging maakten klonk het  als het knippen van een schaar. Wij haalden lange dunne bamboe twijgen en bevestigden die aan het puntje van een lasso gemaakt van een lange paardehaar. Dan zetten wij een aantal van deze bamboe twijgen in een cirkel, met de paardeharen vanaf bovenaan naar beneden gebogen.

We maakten een soort boobytrap waarbij, als een vogel op een klein stokje liep , het gebogen bamboe uiteinde (met lasso) de lucht in

zwierde. De vogelpootjes werden dan door zo´n lasso gestrikt. De op deze manier gevangen vogels deden wij in volieres.

Als wij een ernstig meningsverschil hadden met jongens uit een andere straat, dan daagden wij hen uit om met ons oorlog te voeren op dat veld tussen die oorlogswrakken. We deden het wel eerlijk want iedere partij mocht een kant van het veld kiezen. Als iedereen gereed was dan schoten wij op elkaar met onze katapults. Het is natuurlijk duidelijk dat er hier toch wel ernstige gewonden uit voortkwamen. We schoten namelijk met knikkers en ronde kogellagers en op alles wat we zagen dus armen, benen, handen en... hoofden.

Van het leren op school kan ik me niet veel meer herinneren. Ik was eigenlijk veel te druk bezig met kattekwaad uithalen. Soms hadden we ook knikker wedstrijden. De gewonnen knikkers verkochten we en kochten dan pecel, een pittige salade met pindasaus, op het strand of gewoon rijst met ikan asin (gezoutenvis)  en sambal. Natuurlijk mocht ik niet zomaar van de straat eten, maar ja gelukkig konden mijn ouders dat niet altijd zien of werd het niet altijd gerapporteerd.

Mijn vader moest veel handel drijven voor de KPM. De handelaars probeerden op allerlei manieren mijn vader te paaien. Ze probeerden hem zelfs om te kopen, maar daar was papa altijd heel streng in. Hij moest daar niets van hebben. Ik heb meegemaakt dat wij op de weg eens met onze open jeep werden aangehouden door een handelaar. Mijn vader kreeg een dikke envelop in zijn handen geduwd. Hij dacht dat het een scheepsmanifest was of andere documenten. Maar het bleek vol met geld te zitten. De jeep werd direct gestopt en mijn vader gaf boos het geld terug aan de man.

Wij kinderen waren ook vaak het mikpunt. Ik mocht geen geld of cadeaus aannemen van mensen. Men probeerde dat om bij papa in een goed blaadje te komen. Ik moest dat dus altijd weigeren.

Op een dag kwam een chinees bij ons die mij 100 gulden in mijn handen stopte, "dit is voor jouw aanstaande verjaardag". Mijn vader zag het en stapte meteen naar voren: "Geef terug!" De man werd boos toegesproken door papa. Toen de man naar huis ging kwam hij mij buiten tegen. Hij drukte me 10 gulden in de hand: "Ga maar wat snoep kopen". Voor die tijd was dat heel veel geld.

Ik heb het toen stiekem aangenomen en niets erover thuis gezegd. De volgende dag ging ik naar de winkel en kocht voor 10 gulden aan knikkers. Een hele stopfles vol! Daar ben ik toen met mijn vriendjes mee gaan knikkeren, uiteindelijk  was ik alles kwijt. Toen ik 'savonds thuis kwam bleek iemand gezien te hebben dat ik dat geld had aangenomen. Papa was woest: "Waar is dat geld” zei hij “geef hier”! Ik had het niet meer en ik vertelde dat ik er knikkers van had gekocht. Ik kreeg een behoorlijk pak slaag en kon een paar dagen lang niet zitten.

Papa heeft die chinees het geld direct terugbetaald. Men gaf geld zodat hun lading voorrang kreeg op een schip. Elke dag dat een lading eerder vertrok betekende winst voor hen. Mijn vader behandelde echter iedereen hetzelfde, wie het eerst komt die het eerst maalt. Op die wijze behield hij goede relaties met iedereen en konden ze hem nooit van voortrekken betichten.

Speciaal voor gelegenheden wanneer ik weer eens flink kattewaad had uitgehaald bewaarde mijn vader een rotanstok. Ik kan nog steeds het suizen in de lucht horen vlak voordat het mij raakte. Mijn moeder bracht alles weer in evenwicht door mij later tegen zich aan te drukken, voorzichtigheid betrachtend mijn gevoelige billen niet aan te raken, terwijl ze op haar hele rustige manier zei dat ik zoiets niet meer mocht doen. Ik moest immers het goede voorbeeld geven aan mijn broertjes en aan Lily.

In Tenau en in Koepang heb ik ook aardig wat afgedoken en gezwommen in zee. In die tijd waren paarlemoer schelpen nog niet zo mode, dus alles wat ik aan schelpen en koralen uit de zee dook (tot 4 @ 5 meter diep) gaf ik aan mijn moeder die het leuk vond om er allerlei soorten artistieke tableaus van te maken om onze woning te sieren. Natuurlijk was ik ook een vis liefhebber. ´s Avonds, in Tenau liep ik dan de lange pier op die zo´n 50 @ 60 meter in zee stak. Op het uiterste eind deed je dan op een donkere nacht je ´lampu semprong´ (olie lampje) aan en hengelde je met de zelf gevangen wormen. Zo trots als een pauw was ik als ik een grote vis mee naar huis bracht voor mijn moeder. Er werd dan een lekkere maaltijd van gemaakt.

Soms heeft iemand iets heel moois in handen en weet helemaal niet dat dit iets moois is. Zo ook op een keer toen wij op weg waren van Koepang naar Tenau. Je kwam dan via een primitieve stoffige weg langs allerlei dessas, kleine dorpjes, en kon dan het alledaagse leven zien van de bewoners. Je zag dan bijvoorbeeld hoe men geiten slachtte, hoe de kippen werden gevangen, en dan ook nog eens alle warungs (verkoop stalletjes) langs de kant van de weg. Die bewuste dag reden wij langs zo´n dorpje en zagen wij varkens uit een soort trog eten. Mijn moeder liet mijn vader de jeep stoppen om te zien waar die varkens toch uit aten. Toen we dichterbij kwamen zagen wij dat die dieren uit een puntgave schelp aten. Deze schelp was ongeveer 150cm lang en van een prachtige kleur roze-rood. Mijn moeder begon een praatje met de vrouw, voor de pondok (hutje), van wie die schelp was. Het bleek toen dat haar man die schelp ergens op een eiland had opgedoken en nu dus uitstekend dienst deed als trog. Mijn moeder bood de vrouw 10 grote, lege, margarine blikken aan in ruil voor de schelp. En zo werd mijn moeder die schelp rijker. Het heeft jaren bij ons in de huizen gestaan als schemerlamp.

Koepang was een droge stad en er was in het geheel geen vertier op een enkele bioskoop na. Omdat er niets bijzonders te beleven was creerde men daar als vertier het gokken. De Timorezen, en vooral de Chinezen, waren verzot op gokken. Alles, maar dan ook alles werd als aanleiding gebruikt om te gokken. Er was een jaarlijkse voetbal wedstrijd tussen Timor Koepang en Timor Dili (Portugees Timor). Dit evenement brak altijd alle records wat gokken betrof. Mijn vader wist ons te vertellen dat tijdens zo´n wedstrijd hele scheepsladingen goederen van (meestal Chinese) eigenaar wisselden en... soms zelfs echtgenotes....

Riwoe, die de tuin en het zware werk voor zijn rekening nam leerde mij om een alles eter te worden. Met hem trok ik het meest op van de hulp in huis. Als ik met een zelf geschoten vogel kwam was hij het die het voor mij roosterde en voorbereidde om het te eten. Ook geroosterde sprinkhanen, en enkele vormen van insecten maakte hij klaar. De meest hoogachting kreeg hij van mij omdat hij een klapperboom (cocosnoot boom) op kon lopen tot boven aan toe door de boom enkel met zijn handen vast te houden. Alleen was hij doodsbang voor slangen.

Annus, onze huisbediende en tevens voortreffelijke kokkie,was heel verfijnd. Mijn moeder vond hem een absolute ster. Mijn moeder hoefde hem maar een keer te laten zien hoe een Westerse feesttafel eruit moest zien en hoe er opgediend moest worden, waarna hij perfect wist

hoe hij dit een volgend keer moest doen. Vanwege mijn vaders positie, hadden wij veel formele etentjes en sociale aangelegenheden. De bovenlaag van de stad werd dan uitgenodigd, zoals dokoteren, gemeente overheid, direkteuren, grote Chinese handelaren etc.  Ik herrinner me een keer dat toen Sukarno naar Koepang kwam om een redevoering te geven en men geen passende slaapkamer werd gevonden, mijn ouders hun slaapkamer aan hem af stonden. Het werd de uitstekende gelegenheid om samen met mijn vader de strijdbijl te begraven over die affaire met de KPM en de MKSS. Het onvoorstelbare charisma en zelfs geweld waarmee Soekarno zijn redevoering hield kan ik me zelfs nu nog voor de geest kan halen. Iedereen zat aan zijn lippen gekluisterd!

Lina was een schat. Ze was onze kindermeid en ook kokkin. Ze waakte over ons als een kloek over haar kuikens. Wij waren haar persoonlijk eigendom. Iedereen die ons pijn berokkende werd door haar afgemaakt. Maar Eddie..., Eddie was haar absolute anak Mas, haar prinsje, hij was haar alles. Als, de tweeling, Lily en ik, nog maar even een beetje boos naar Eddie keken werden we getrakteerd op een 'ketok' op ons hoofd met haar knokelige vinger of kregen één van haar gemene 'tjoebiets' (knepen). Ze kneep een klein stukje huid van je arm tussen duim en wijsvinger, kneep het stijf dicht en gaf er dan een draai aan! Adooeeeeh! Wat kon dat zeer doen! Het enige wat ik altijd erg vond was haar gekauw op pinang en sirih. Het was bitter en ze kauwde er bijna de hele dag op, af en toe wat rode spuug uitspuwend. Maar ja, pinang en sirih kauwen deden ze zowat iedereen in Koepang! Een bevolking met allemaal donkerrode tanden!

Het was eind 1951 dat wij, als gezin, van de KPM naar Bali werden gezonden naar Singaradja.

De precieze reden waarom wij naar Bali moesten weet ik niet. Maar ineens,als een slag bij heldere hemel,, moesten wij naar Singaradja, Noord Bali. Voor mij was Bali toen alleen maar nog een eiland waar we zouden gaan wonen. We hadden ons huis in Singaradja en de haven was in Buleleng. Het personeel verhuisde mee.

In die tijd was de hoofdhaven van Bali in Buleleng. Singaradja ligt aan de noordkant van Bali. De stranden daar zijn van zwart zand. Dat is een overblijfsel van de berg Tambora in Noord Soembawa, 2 eilandjes verder, die in 1815 met geweld was uitgebarsten. De aszuil reikte 43km hoog en er vielen 71.000 doden.

Wereldwijd daalde de temperatuur gedurende 2 jaar 0,7˚ en mislukten er oogsten. Men noemde het jaar 1815 in het westen "Het jaar zonder zomer". De neergedaalde as kwam o.a. op noord Bali terecht, waar als gevolg daarvan de stranden tot op heden nog zwart zijn. Dat is de reden waarom er op noord Bali minder toerisme is.

Ons huis stond dus in Singaradja, aan de hoofdweg door de stad. Het was een brede weg, eerder een laan. Ons huis was een mooi groot vrijstaand huis met rondom een kolossale tuin. We hadden een groot voorerf met een waringingboom (treurvijg - Ficus Benjamina). Het was een grote boom met een doorsnee van zo’n 2,5 á 3 meter doorsnee aan de wortel.

In Bali, net als op vele andere Indonesische eilanden, is de waringinboom een heilige boom. De lianen (luchtwortels) slierden dun en dik van het topje van de boom tot aan het gras beneden. Om deze reden troffen wij, ondanks dat de boom helemaal in onze afgebakende tuin stond, regelmatig de typisch Balinese gebeds offerandes aan, onderaan, en in deze waringinboom.

Dit zijn Hindoe gebruiken. Elke ochtend kwamen balinezen langs om onderaan de boom, tussen de wortels, hun offerandes (rieten bakjes met bloemen en eten) voor de geesten en de goden te brengen. Voor ons, kinderen, was de boom gewoon een boom om in te klimmen, aan de lianen te zwieren en te schommelen in de schaduw. Het klimmen zat nu eemaal bij mij in het bloed.

We pasten altijd wel op dat we de offerandes niet verstoorden. We hebben al vroeg geleerd respect te hebben voor de overtuiging van andere mensen. Op een dag zat ik voor in de tuin vlak bij onze waringinboom, toen er een balinese man langskwam om een offerande te brengen bij de waringinboom. Toen hij klaar was en zijn buiging met gevouwen handen naar de geesten van de boom had gemaakt, kwam hij even naast mij zitten in het gras om even te kletsen.

Men houdt in Indonesië nu eenmaal van een praatje maken, óók met kinderen. Ik herinner me niet meer precies wat de reden was, ik denk dat het gewoon het gebruikelijke plagen en spelen was van een kind - ik was 9 jaar, maar op een gegeven moment, we zaten te lachen en stoeien, pakte ik zijn hoofd vast bij zijn haren. Het moment sloeg direct om!

De man werdt boos en begon in het balinees tegen mij te keer te gaan (Bali heeft zijn eigen dialect, dat heel anders is dan het Indonesische maleis - zoiets als het Fries in Nederland). Ik verstond hem niet goed maar werd er wel bang van omdat hij zo bedreigend overkwam. Ik dacht dat hij mij zou willen slaan. Onze manusje-van-alles hulp, Riwu, hoorde het spektakel en kwam naar voren, zag mij, zag de dreigende situatie en zonder enig nadenken greep hij die Balinees beet en gooide hem subiet in het grind van de oprit naar ons huis. Toen pakte hij de man opnieuw beet hij de bovenarm (Riwu was één bonk gespierde zenuw) en smeet hem buiten ons hek, hem naroepend niet meer bij ons langs te komen! Het was een gespannen situatie. Ik wist tóen pas dat ik niet aan het hoofd van een Balinees mocht komen.

In Bali ging ik niet naar school. Mijn moeder gaf mij iedere dag thuis taal, reken, geschiedenis en aardrijkskunde les uit boekjes die zij uit Nederland had laten meebrengen. Alhoewel ik natuurlijk op allerlei manieren hieronderuit probeerde te komen was er echt geen ontkomen aan. Ik had zelfs op een keer ontdekt waar mijn moeder de antwoorden boekjes had verstopt. Een korte tijd had ik dan ook tienen voor rekenen en taal, maar helaas was ook dit maar van korte duur  want mama werd achterdochtig en moest ik dan ook een paar dagen extra lang thuisblijven om te leren.

Op een goed moment ontdekte mijn moeder mijn zwakke plek, leesboeken. Zij had stapels boeken uit Nederland laten meebrengen: een hele serie Puk en Muk boeken, een serie Bulletje en Bonestaak, Daan Sonderland, Sprookjes van Grim, Sprookjes van Andersen, La Fontaine, de gehele serie 1001 Nacht...

Telkens als ik goede leercijfers had dan verscheen er ineens een nieuw boek op tafel. Soms kreeg ik ook Engelse boeken. Deze liet zij door KPM kapiteins uit Australie meebrengen. Er is een boek dat mijn leven ook een belangrijke richting gaf. Het was een Engels boek waar mooie plaatjes in stonden en op het eerste blad zag je holbewoners die 'snachts naar de sterren keken. Zij vroegen zich af wat die sterren nou eigenlijk waren. De plaatjes waren zo fascinerend dat ik op die manier Engels heb geleerd, met alleen maar een woordenboek en af en toe een vraag aan mijn ouders. Dit boek lag aan de grondslag van de richting die ik uiteindelijk koos, wetenschap, electronica, astronomie, astrologie, ruimtevaart enz.

Leo en Richard, onze in Amsterdam geboren tweeling, waren nu ongeveer tweeeneenhalf jaar oud. Ze hadden een grote achterstand met het spreken van de Nederlandse of de Indonesische taal en ook een achterstand met lopen. Tussen elkaar hadden ze wel een eigen taaltje ontwikkeld. Ze waren een 1-eiige tweeling dus praktisch identiek in uiterlijk én doen en laten. Ze hadden altijd een ongelofelijke lol met elkaar, en wij begrepen helemaal niet waar ze het over hadden.

Aan de andere kant van het pad langs ons huis, tussen ons huis en het huis van de familie Koop, was een klein bescheiden achteraf huisje (kleine anex woning). In dat huis woonde een gezin uit Ambon. Wij kenden ze niet en spraken zelden met elkaar. We zagen ze alleen af en toe het huis uitgaan voor boodschappen of om naar werk te gaan. Het was een heel eenvoudig gezin. Op een goed moment ontdekten mijn ouders dat er regelmatig eten uit onze koelkast verdween. Ze konden zich maar niet voorstellen dat Riwu, Annus of Lina eten zouden stelen. Om nu eindelijk te weten wie het eten steelde besloot mijn vader om 'savonds stilletjes de wacht te houden.

Hij zat in het donker op de grond en heeft de nacht wakend doorgebracht. Op een gegeven moment, omstreeks 4 uur 'smorgens, hoorde hij geschuifel en gepiep. Heel, heel stilletjes keek hij om de hoek van de eetkamer waar de koelkast stond. Hij zag niemand. Nog meer geschuifel, zachte stemmen. Hij keek wat verder in de eetkamer. Er stond niemand. Toen zag hij ineens donkere schaduwen over de vloer schuifelen. Zijn ogen priemden door het donker toen ineens de koelkast openging en de lamp daarbinnen naar buiten straalde. Voor de koelkast, op de grond zaten Leo en Richard, die uit hun bed waren gekropen, de eetkamer in, naar de koelkast gekropen en de deur opengemaakt. Daar zaten ze met z’n tweeën. Mijn vader heeft onmiddelijk stilletjes mijn moeder wakker gemaakt, die op haar beurt mij wakker maakte om dit eens te komen zien.

Richard en Leo haalden keurig allerlei eetbare zaken uit de koelkast, en al kakelend met elkaar in hun koeterwaals aten zij op wat ze eruit haalden. Wij stonden stilletjes toe te kijken. Dit waren nu onze spoken. Na de maaltijd deden ze de koelkast dicht en kropen al koeterwalend naar de achterdeur, openden die en kropen even vlot door de achtertuin, over het pad naast het huis, zo de tuin van onze onbekende Ambonese buren binnen.

Even later ging de deur bij de buren open en verdween het tweetal naar binnen. Dit was echt absurt dus mijn ouders en ik liepen naar het huis van die buren en klopten op de deur aan. We werden binnengelaten en... aan de eettafel van de buren zat het hele gezinnetje te ontbijten en Leo en Richard zater ook op stoeltjes aan tafel alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Het bleek toen dat Leo en Richard dit al een paar weken deden, en de Ambonese familie hadden enorme schik met die twee. Zo hebben wij onze naaste buren dan ook beter leren kennen.

 

In de weekeinden gingen wij vaak de bergen in, naar Kintamani, waar de KPM een logeergebouw had waar wij konden verblijven.

Kintamani lag hoog in de bergen. Er was een groot meer waar je kon zwemmen, waarschijnlijk de caldera van wat eens een uitgebarsten vulkaan was. Het is er lekker fris, wat een verademing is in het droge seizoen.

Wij  hebben zes maanden in Singaradja gewoond en toen werd mijn vader weer overgeplaatst naar Makassar. Er braken weer broeierige tijden aan de nationalisten werden agressief en de Nederlandse agenten konden niet meer in Makassar verblijven vandaar dat de KPM mijn vader naar Makassar stuurde om het daar weer in ’t gareel te laten lopen.

Na de onafhankelijkheidsverklaring van Soekarno op 17 Augustus 1945 begonnen patriotische gevoelens overal de kop op te steken. Het was de tijd waarin bij de Indonesiër onlust gevoelens en gevoelens van 350 jaar ’gebruikt’ te zijn, gedurende het Nederlands Indische bewind, waarbij eveneens gevoelens van onderdrukking en tekort gedaan zijn steeds sterker naar voren kwamen.

In Makassar werd het al snel hevig, vooral na de politionele acties van commandant Westerling in December 1946 tot Februari 1947, waar duizenden Indonesiërs standrechtelijk werden omgebracht in de omgeving van Pare-Pare. In 1950 werd uiteindelijk Colonel Alex Kawilarang (afkomstig uit de Minahasa) namens de Indonesische Republiek benoemd tot commandant in Makassar vanwege de onrust. Kawilarang had een hoge charisma gehalte en werd ook door de KNIL groep gerespecteerd. Desondanks braken er regelmatig onlusten uit in Makassar.

Kawilarang werd een goede vriend van mijn vader. Hij werd na de "Makassar episode" gepromoveerd tot Brigadier Generaal en werd aangesteld als Militer Attaché van de Indonesische Republiek in Washington DC van 1956-1958. Daarna is hij betrokken geraakt bij de Permesta-revolte ( Perjuangan Rakyat Semesta - Charter van de Universele Strijd), tegenhanger van de Communistische Partij. De Permesta werd aanvankelijk geleid door Kolonel Ventje Sumual (ook uit de Minahasa). In 1960 werd Kawilarang Oorlogs Groot Maarschalk van de Permesta. Toen de Permesta door Soekarno werd neergeslagen kreeg Kawilarang amnesti en wordt hij geschaard onder de Oorlogshelden van de Indonesische Republiek. Mijn vader was een voorstander van de Permesta beweging en was bevriend met Ventje Sumual en andere sleutel officieren.

Het beleid van de KPM was zo dat het 2 soorten waarden kende voor hun werknemers, een Status (welke je rang aangaf) en een Positie (welke het werk aangaf waar je voor verantwoordelijk was). De KPM maakte gebruik van lokaal personeel (zoals mijn vader), deze kregen de status van 'Employee' welke het hoogste was die zij konden bereiken. Expats uit Nederland werden gewoonlijk gerecruteerd voor management posities en ontvingen een status beginnend bij 'Hoofd Employee', 'Adjunct Chef' en hoger. Deze expats hadden gewoonlijk een titel (zoals Jonkheer, Baron, Graaf enz.) of zij hadden een juridische titel of doctor's titel of waren op andere manier van goede huize.

Voorbeelden van Posities waren, Chef Buitendienst (verantwoordelijk voor zwaamheden aan de kade), Sub-Agent (verantwoordelijk voor de haven o.l.v. een Agent), Agent (verantwoordelijk voor de haven activiteiten), Hoofd Agent (verantwoordelijk voor een groep regionale Agenten) enz. Lokaal personeel werd beloond volgens de schaal van 'Employee' en ontving 2 weken vakantie per jaar, lokaal. Expats werden beloond volgens de schaal van ' Hoofd Employee' of hoger en ontvingen 1 jaar verlof na elke 4 jaren. De verschillen in beloning waren groot.

Salarissen voor expats met titel van 'Hoofd Employee' waren heel hoog vergeleken met die van een lokaal personeel. En zij kregen een regeling om hun kinderen in Nederland te laten studeren.

Makassar heette, na een aantal jaren Ujung Pandang te hebben geheten, nu weer gewoon Makassar en was en is nu nog steeds de hoofdstad van Oost Indonesië. Het ligt op het eiland Sulawesi, in het zuiden, strategisch tussen Azië (China, Japan) en Z.O. Azië (Singapore, Soerabaja, Batavia) en de Kleine Soenda Eilanden (Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores en Timor) als ook Nieuw Guinea (nu geheten Irian Jaya. Derhalve was en is Makassar het knooppunt in Oost Indonesië voor alle scheepvaart. Dat was dan ook de reden dat dit de zetel voor de Hoofdagent van de KPM voor Oost Indonesië was. Makassar was dus de standplaats van de Hoofdagent (positie van Adjunct-Chef), de Agent en de Subagent voor de KPM. De havens van kleinere eilanden werden bestuurd door een Subagent.

Toen mijn vader in 1951 aankwam was hij nog 'Employee' met de rang van Subagent (Agent op kleinere buitenposten zoals Bali en Timor). De Hoofdagent van KPM in Makassar had sind 1950 zich gevestigd in Batavia en kwam sporadisch naar Makassar. De Agent van de KPM die wel in Makassar moest blijven had het heel zwaar. Hij kreeg bedreigingen, en niemand luisterde er naar hem. De man had geen leven. De KPM verloor gezag en Makassar als havenplaats ontredderde. Toen de situatie onhoudbaar werd, werd mijn vader uit Bali geroepen om te trachten Makassar weer in het gareel te krijgen.

De KPM had hoge verwachtingen dat hij verbetering zou aanbrengen omdat hij de lokale bevolking kende en zelf uit de Minahasa (Noord Sulawesi) kwam, zoals ook mijn moeder. Toen mijn vader aankwam werden wij gevestigd in Tello Park, een afgesloten complex van woningen van de KPM en de woningen waren van de Hoofdagent, Agent en Subagent alsmede woningen voor gezinnen van Kapiteins, Stuurlui en Werktuigkundigen die op de vaart zaten.

Wij kwamen terecht in het hoofdpand waar de Hoofdagent en de Agent waren gevestigd. De Agent woonde in het voorste deel (de hoofdagent zat in Batavia) en wij kregen de kamers in het achterste deel maar na een week was het al mis. De Agent werd op kantoor met een mitrailleur bedreigd door een militair en werd gek. Die nacht probeerde hij thuis zijn echtgenote en hun kleine baby te doden. Hij stak zijn vrouw en zichzelf met een mes en was bezig in de kinderkamer toen het personeel hem uiteindelijk overmeesterde. Ik zag hem door de gang lopen, bebloed, met een mes in zijn hand. Een akelig gezicht voor mij als 9 jarige. Het gevolg was dat het hoofdkantoor mijn vader opriep om de

funktie van Agent op zich te nemen, echter zonder de bijbehorende status. Mijn vader was immers lokaal aangenomen en had al de maximale status van 'Employee'. Wel zou hij meer salaris krijgen. Mijn moeder smeekte mijn vader het niet te doen en zei zelfs dat ze maar iemand anders moesten zoeken en als hij zijn baan zou verliezen ze bereid was om als lerares te gaan werken.

Mijn moeder was kwaad dat de KPM dit durfde te vragen zonder enige tegenprestatie. Mijn vader kreeg opdracht om direct naar Batavia te komen bij de President Direkteur van de KPM, de Geus. Mijn vader bezocht toen in Makassar een doekoen (wijze man). Deze vertelde hem dat hij in Batavia bij dat gesprek moest luisteren naar Dhr. de Geus, en deze onafgebroken tussen de ogen moest kijken. Dan zou alles goedkomen. Mijn vader deed dat en tijdens het gesprek met de Geus keek hij alleen maar tussen diens ogen. De Geus probeerde mijn vader te vlijen door te zeggen wat voor een eer het eigenlijk was dat mijn vader als lokaal persoon zo’n verantwoordelijheid kreeg. Mijn vader zei dat hij die verantwoordelijkheid niet wilde tenzij hij alle emolumenten, salaris, buitenlands verlof, studie van de kinderen etc. kreeg. Ook zei hij dat hij bereid was om zijn ontslag te aanvaarden.

Nu zat de KPM voor een dilemma, er was geen één Nederlander die naar Makassar wilde gaan. Uiteindelijk zei de Geus dat hij mijn vader 6 maanden wilde testen. Hij moest 6 maanden de haven van Tandjong Priok (de hoofdhaven van Batavia) besturen. Als hem dat lukte dan werd hij Hoofdemployee en Agent van Makassar met alle emolumenten die erbij hoorden. Mijn vader bestuurde gedurende 6 maanden Tandjong Priok en werd aangesteld tot Hoofdemployee met rang van Agent van de KPM in Makassar.

Toen mijn vader terugkwam kwam er ook een delegatie van de KPM Directie mee om mijn moeder te testen. Er waren namelijk regels voor de vrouw van een Agent, deze mocht niet werken, maar zij moest als sociale hostesse functioneren. Om die redenen moest de vrouw van een Agent ook notabelen kunnen ontvangen, formele gebeurtenissen regelen e.d. Men had bij de KPM bedenkingen omdat mijn moeder een autochtone Indonesische was. Het idee leefde dat een inlandse vrouw niet zou weten hoe ze zich moest presenteren, hoe ze een feestmaaltijd moest organiseren, hoe ze voorname persoonlijkheden zou ontvangen etc. Kortom, mijn moeder werd door die delegatie getest op etiquette, tafelmanieren, maaltijden entourage, situatie in huis enzovoorts.  Met haar achtergrond passeerde ze uiteraard met vlag en wimpel en mijn vader werd de eerste lokale employee die door de barrière was gegaan. Hij was formeel Agent.

Die dag lieten alle KPM schepen door heel Indonesië hun scheepstoeter horen: "Wahr heeft het voor elkaar gekregen! De eerste lokale is door de barrière" In 1957 kwam de volgende promotie, Adjunct-chef en Hoofdagent voor Oost Indonesië. Toen had hij 30.000 man personeel te besturen (van Celebes, Bali, Ambon tot Nieuw Guinea.).Van hieruit  was het nog maar 1 stap naar Directielid maar helaas kwam in 1958 de gedwongen evacuatie..

Het geluk van mijn ouders was dat de commandant van de militairen Alex Kawilarang was, uit de Minahasa, en ook zijn officieren waren Minahassers. Kawilarang en zijn officieren kenden mijn ouders vanwege het blauwe bloed in beider aderen. De Warokka’s, Runtuwene’s en Tambajongs waren allemaal bekende geslachten met grote autoriteit in de Minahasa. Kawilarang en zijn officieren kwamen regelmatig bij ons langs. Wij kregen zelfs militaire bewaking voor het huis. Er stond ook een wachtpost bij de ingangen van het Tello Park complex waar 24/7 een militair stond met geweer in de aanslag en dit gaf ons een veilig gevoel. Tussen mijn vader en de militairen uit de Minahasa was er een goede verstandhouding omdat mijn vader politiek altijd buiten de deur hield.

Als hem door Kawilarang of iemand anders werd gevraagd waarom hij als een verrader nog steeds voor de KPM werkte, dan antwoordde mijn vader steevast: “Ik werk bij de KPM want zij betalen mijn salarisen ik werk voor mijn gezin die ik te eten moet geven. Als ik goed betaald word dan doe ik mijn werk ook goed. Dus vraag mij niet om politieke keuzes te maken.” Als de militairen weer eens een schip wilden hebben om een konvooi te verschepen naar Ambon, waar er ongeregeldheden waren, dan zei mijn vader tegen Alex: “Als jij me een brief geeft dat je een schip vordert dan ben ik gedekt voor het hoofdkantoor door overmacht en kan je zo’n schip direct meekrijgen.”

Deze verstandhouding zorgde ervoor dat het min of meer rustig bleef om ons heen en in de haven. Als er weer eens iets mis ging, een militair die zich misdroeg of iets dergelijks, dan werd Alex Kawilarang gebeld om het te regelen.

In Juli 1953 werkte mijn vader 25 jaar bij de KPM en kreeg een gouden horloge en werd er flink gefeest bij ons thuis. Mijn vader is op 1 Januari jarig en het was traditie dat alle grote handelaren mijn vader kwamen feliciteren. Er kwam dan op die dag altijd een vrachtwagen voor het huis die vol was met drank en eten, een cadeau van de Makassaarse handelaren. Er werd dan bij ons thuis in de tuin groots uitgepakt en gefeest! Cirka 2 á 300 man kwam dan langs om te eten, drinken en dansen.

Zo ook op het 25-jarig jubileum van mijn vader. Er waren wel nog gevaarlijke momenten. Op een dag kwam bij papa op kantoor een nationalist binnendringen met een mitrailleur die hij op mijn vader richtte. Mijn vader aarzelde geen ogenblik maar stond op en schreeuwde in het Indonesisch, wijzend naar de deur: “Wie denk je wel dat je bent! Wil je wel onmiddelijk uit mijn kantoor gaan en netjes aankloppen en mijn mandoer vragen of je mij mag spreken. NU!” De man had dit niet verwacht en liep aarzelend terug naar buiten. Even

later kwam een klop op de deur en kwam hij binnen. Mijn vader zei alsof er niets gebeurd was: “Gaat u zitten”, bood hem een sigaret aan en “waar wilt u mij over spreken”.

Dit veranderde de situatie gelijk en het bleek dat een man met zijn bagage op een schip was geweigerd omdat hij 2 kippen wilde meenemen. Dit was alles wat de man aan bezittingen had naast zijn kleren en hij was door het leger elders overgeplaatst. De Nederlandse kapitein wilde dit niet toestaan. Nadat mijn vader aan de kapitein had uitgelegd dat deze mensen al helemaal niets hebben, en het echt heel erg was als dit laatste ook nog afgepakt zou worden mocht de man mee.?

Er was ook een keer een opstand onder de havenarbeiders. Mijn vader ging naar buiten om te horen wat er aan de hand was. Men klaagde over het eten, dat het niet te eten was. Mijn vader zei dat als dit inderdaad zo was hij zou zorgen dat er ander eten zou komen. Hierna zette hij zich bij hun tafel en at het eten tot aan de laastte kruimel op zonder te klagen. Hierna klaagde niemand meer en de opstand was bezworen. Ook de samenwerking met andere KPM functionarissen ging niet altijd even goed. Mijn vader was een heel strict persoon. Het gebeurde eens dat het vlaggeschip van de KPM, de “Plancius”, in Makassar kwam. De commodore van de KPM vloot, H.A. Corsten, was gezagvoerder. Corsten voelde zich verheven boven mijn vader, die lokale. Toen het schip in de vroege avond klaar was om te vertrekken zei Corsten tegen mijn vader:

“Zeg, Wahr, ik vertrek morgenochtend pas van hier.” Het bleek dat Corsten zijn zinnen erop had gezet om met een paar lieftallige dames te gaan feesten in Makassar. Mijn vader stak er een stokje voor: “Kaptein Corsten, uw schip is klaar om af te varen, het tij staat goed, dus vaart u nu uit. Ik ben ben hier Agent, en hier ben ik de baas. Als ik zeg dat u nu vertrekt, dan vertrekt u nu.” Het werd een slaande ruzie. Corsten dreigde mijn vader te rapporteren in Batavia. Mijn vader zei “U gaat uw gang maar, hier heb ik het voor het zeggen. Uw schip is klaar!” Natuurlijk deed de KPM niets, ze hadden mijn vader per slot van rekening in Makassar nodig, en hij had gelijk, het schip was klaar om te vertrekken. Het kost veel geld als een schip niet vertrok. Dit was een veel voorkomend voorbeeld.

Op een dag kreeg papa een dreigbrief als hij geen losgeld betaalde dan zouden ze zijn kinderen kidnappen. Mijn vader belde Kawilarang maar die kon direct weinig doen omdat men niet wist waar de dreiging vandaan kwam maar ondertussen liepen wij dus in principe gevaar. Mijn vader stuurde mijn moeder met mijn jongere broers en zus naar Manado, naar haar ouders.

Vanwege mijn leeftijd zou ik mijn moeder alleen tot last zijn dus vroeg mijn vader aan de kapitein van een van de boten, de “Sigli”, om mij mee te nemen. Dat schip zou naar Australië varen en bij terugkomst zou de situatie wel bekoeld zijn. Zo gezegd, zo gedaan en ik ging mee met de Sigli naar Australië.

De kapitein en de bemanning waren heel aardig. Ik werd aan boord aangekleed als een pop. Ik kreeg een vest, een pofbroek en een cowboyhoed op. De stuurman gaf mij een mes met een ivoren handvat voor om mijn middel en men gaf mij een riem met een klapperpistool.  Er werden allerlei spelletjes met mij gespeeld om mij aan boord bezig te houden gedurende de reis. We kwamen na enige tijd in Freemantle Perth aan.

Bij terugkomst uit Australië waren de daders gepakt en konden we weer voort met onze dagelijke zaken. We gingen ook op weekeinden de bergen in naar Malino. Een heerlijke plek waar je lange wandelingen kon maken en ook kon paardrijden. Bij de promotie tot Hoofdemployee en Agent hoorde ook dat wij 1 jaar verlof kregen naar Nederland en mocht ik voor mijn scholing naar het buitenland. Mijn ouders wilden mij eigenlijk naar Zwitserland sturen naar de Internationale school maar deze viel echter buiten het budget. De KPM wilde mijn educatie (inclusief internaat en kledinggeld) naar Canisius College in Nijmegen wel bekostigen (ca. Hfl,10.000 per jaar), een goede tweede optie

In April 1954 gingen wij op verlof naar Nederland.

Aangezien papa zijn promotie had gekregen werd hij Hoofdemployee met de status van een expatriate. Mama en ik gingen eind 1953 met de "Sibajak" alleen met z'n tweeën naar Nederland om een school uit te zoeken. Ik zou achterblijven bij mijn tante Ecka, papa's oudste zus, die in Amsterdam Zuid een hotel had sinds haar scheiding van Generaal Mollinger. Ik bleef bij haar om te acclimatiseren tot mijn ouders en jongere broertjes en zusje ook zouden komen. Dan zou ons verlof beginnen alvorens ik zou achterblijven op een internaat in Nederland.

In Augustus 1954 volgden mijn ouders en broertjes en zusje met de boot. Mijn ouders namen op deze trip ook onze trouwe Lina de kinderoppas mee. Natuurlijk waren wij bevoorrecht wij gingen immers voor een jaartje op verlof naar Nederland dus er was een feeststemming. Dit in tegenstelling tot vele andere Indische Nederlanders die omstreeks die jaren uit noodzaak naar een voor hen vreemd land gingen. Ons verblijf in Nederland werd bekostigd door de KPM (reis, kledinggeld, salaris, per diem), terwijl anderen al die kosten zelf moesten maken naar een onzekere toekomst! Voor ons lag die tijd nog in het verschiet, tot in 1957 toen ook de KPM uit Indonesië werd gegooid en wij in hetzelfde schuitje zaten. Behalve dan dat papa toen nog een waardevast pensioen binnen wist te halen met zijn status als Adjunct-Chef.

Deze reis verhaalt in beelden wat er gebeurde onderweg, de vaart via Aden, het Suez Kanaal, de Middellandse zee, Gibralter en dan richting Amsterdam. Met welke boot mijn ouders gingen, want ik was natuurlijk al eerder naar Nederland gekomen, ben ik vergeten. Het was zeker niet de Willem Ruys, want die kruisden ze onderweg. Voor de kinderen was er veel vermaak aan boord en zoals de traditie gebood was er een feestje bij het kruisen van de evenaar.

Ook thuis werd er gefeest en het begon met een afscheidsfeest, waar al het kantoor- en scheepspersoneel langskwam. Ook de kapiteins, stuurlieden en boordwerktuigkundigen van de schepen die afgemeerd lagen kwamen langs. Onze band speelde en iedereen die kon zingen, ook kantoormeisjes van mijn vader's secretariaat kwamen een mopje meezingen.

De kinderen werden in een aparte ruimte beziggehouden met poppenkast, toneelstukjes, compleet met een toekang soelap (goochelaar).

Hierna vertrok de familie naar Amsterdam.

De reis leidde via Sri Lanka, Aden, het Suez Kanaal, Port Saïd en Gibraltar naar Amsterdam. Ik was, zoals gezegd, in Amsterdam achtergebleven bij tante Ecka (mijn vader's oudere zus) in het hotel toen mama met mij daarvóór in Nederland was om een school uit te zoeken. Ook tante Lottie, de andere zus van mijn vader, was in Amsterdam, met haar man Dick van Vleuten. In Amsterdam werd de familie opgewacht en afgehaald van het schip door mijn tantes Ecka, Lottie met haar man Dick van Vleuten en ikzelf.

Ik was helemaal uitgedost als een tótók, compleet met pofbroek en jasje. Si monjet in Negeri Dingin (de aap in kikkerland). Van dit deel van onze wedervaren geldt het gezegd “een beeld zegt meer dan duizend woorden” . Het meekijken in het album van onze tocht van Indië naar Amsterdam en van alles wat wij onderweg tegenkwamen.

Een tocht die velen van ons uit dat verre Insulinde ooit eens mochten of moesten meemaken. Heel misschien herken je een vriend of ver familie lid in op de foto.

Het verhaal hierna gaat over hoe ik in Nederland achterbleef, waarna mijn ouders weer teruggingen naar het verre Indië.

Roderick Wahr, oktober 2020

aapjes eten geven op weg naar Den Pasar
aapjes eten geven op weg naar Den Pasar
bezoek aan het zwarte strand
bezoek aan het zwarte strand
Lina en Riwoe onze tuinman met de tweeling eddie en ik
Lina en Riwoe onze tuinman met de tweeling eddie en ik
lina het kindermeisje met eddie en lilly
lina het kindermeisje met eddie en lilly
logeergebouw in kintamani
logeergebouw in kintamani
moeder met eddie
moeder met eddie
moeder met jongste zus en tweeling
moeder met jongste zus en tweeling
personeel van het logeergebouw met aanhang lillie eddy tweeling
personeel van het logeergebouw met aanhang lillie eddy tweeling
poserend op de autau
poserend op de autau
nichten els en paula voor een tempel
nichten els en paula voor een tempel
feestje thuis
feestje thuis
processie 2
processie 2
processie met offers
processie met offers
voor het huis in singaradja met nich paula warokka
voor het huis in singaradja met nich paula warokka
ouders zitten op de voorband in Gorontalo waar ze elkaar ontmoet hebbe
ouders zitten op de voorband in Gorontalo waar ze elkaar ontmoet hebbe
ouders
ouders
paleis van Sultan Kacharudin in Sumbawa Besar
paleis van Sultan Kacharudin in Sumbawa Besar
kpm band
kpm band
eddie voor ons huis in tello park
eddie voor ons huis in tello park
groot feest toen papa werd gepromoveerd tot hoofemployee
groot feest toen papa werd gepromoveerd tot hoofemployee
lilly probeerd in een boom te klimmen
lilly probeerd in een boom te klimmen
vader achter de piano
vader achter de piano
Kolonel Alex Kawilarang
Kolonel Alex Kawilarang
kantoor in makassar
kantoor in makassar
in de huiskamer
in de huiskamer
jubileum feest
jubileum feest
haven van makassar
haven van makassar
afscheidsfeest 1954
afscheidsfeest 1954
afscheidsfeest 2
afscheidsfeest 2
kantoor personeel met papa aan het hoofd
kantoor personeel met papa aan het hoofd
papa met dochter
papa met dochter
roderick met de tweeling
roderick met de tweeling
vader tweeling en roderick
vader tweeling en roderick
voor het huis nunspeet met de werkster
voor het huis nunspeet met de werkster
fietsen met mama
fietsen met mama
mama vriendin en tweeling
mama vriendin en tweeling
eigen schip van de MKSS
eigen schip van de MKSS
met goede vrienden
met goede vrienden
MKSS
MKSS
personeel MKSS
personeel MKSS
aan boord 3
aan boord 3
aan boord 4
aan boord 4
aan boord 5
aan boord 5
aan boord 9
aan boord 9
aan boord kids
aan boord kids
achterdek
achterdek
amusement 2
amusement 2
aan dek 2
aan dek 2
aan dek
aan dek
bovendek
bovendek
de willem ruys op weg naar batavia
de willem ruys op weg naar batavia
familieleden die ons komen ophalen
familieleden die ons komen ophalen
aan boord 6
aan boord 6
aan boord 7
aan boord 7
sri lanka
sri lanka
theaterzaal aan boord
theaterzaal aan boord
vlak bij port said
vlak bij port said
aan boord 8
aan boord 8
aanboord 2
aanboord 2
achter het veld en de rotsen was de zee
achter het veld en de rotsen was de zee
papa had kantoor thuis
papa had kantoor thuis
als in tenau schepen binnenkwamen werder tegemoet gevaren met een moto
als in tenau schepen binnenkwamen werder tegemoet gevaren met een moto
het huis aan zee in timor koepang
het huis aan zee in timor koepang
in gebruik name nieuwe bungalow in tenau
in gebruik name nieuwe bungalow in tenau
sultan
sultan
paleis sultan
paleis sultan
schilderij uit het kamp
schilderij uit het kamp
moeder en roderick in Ampenan
moeder en roderick in Ampenan

Grootouders Anton Wahr en Isabella Walsen Tambajong

Trouwfoto 17 augustus 1939

moeder met de tweeling
moeder met de tweeling
dak in de beethovenstraat
dak in de beethovenstraat
thuis in nunspeet
thuis in nunspeet
voor het huis nunspeet met de werkster
voor het huis nunspeet met de werkster
aankomste in amsterdam
aankomste in amsterdam
suez
suez
vlak bij port said
vlak bij port said
suez kanal
suez kanal
haven port said
haven port said
laatste pose voordat we het schip verlieten
laatste pose voordat we het schip verlieten
geboorte huis 2
geboorte huis 2
huis in soembawa geboorte huis van roderick
huis in soembawa geboorte huis van roderick
moeder rechts zus bella en roderick
moeder rechts zus bella en roderick
bella's graf
bella's graf
Tuti Marini Puspowardojo-Habibie
Tuti Marini Puspowardojo-Habibie
Tuti met haar kinderen
Tuti met haar kinderen
met goede vrienden
met goede vrienden
ouders pare pare in 1947 doopfoto zus lilly
ouders pare pare in 1947 doopfoto zus lilly

Roderick voor het huis

Roderick Wahr vertelt over zijn vader cargadoor in

Nederlands-Indië

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel