Mijn oom Edo, de oudste zoon van Johannes Jagtman (opa Bom) en Nicolette Jagtman Vosmaer (oma Moes) is op zondag 25 april 1915 geboren in Batavia, nu Jakarta genoemd. Zijn broer oom Clem op maandag 10 april 1916 in het Paviljoen in Laan Canne 9. Het paviljoen was een soort veranda aan het huis.

Laan Canne was wellicht genoemd naar een assistent-resident van Batavia, de heer C. Canne. De huidige naam van deze Laan is Keshatan wat gezondheid betekend.

Johannes Jagtman werd Bom genoemd, omdat hij in zijn jeugd zo dik was. Het gezin telde 5 kinderen, mijn moeder Letty, het derde kind, is in 1925 in Palembang op Sumatra geboren en in 1929 volgden de tweeling Beppie en Han.

Opa (bom) Jagtman was een Amsterdammer, een handelaar.

Oma (Moes)Jagtman, was een dochter van een Belg en een inlandse vrouw van Sumatra. Omdat Batavia betere perspectieven bood voor de eventuele opbouw van een bedrijf verhuisde het gezin kort na de geboorte van mijn moeder in 1925 naar Batavia.

Zoals gebruikelijk in de betere kringen had de familie veel personeel in dienst. Het was heel normaal dat Indo-Europese en Europese gezinnen betaald werk verschaften aan de lokale bevolking. Er was een Djongo (huisjongen), een Kokkie (kokkin), een Baboe Tjoetji (wasvrouw), een strijkster, een Kebon (tuinman) en ook een Sopir (chauffeur). De kinderen in het gezin groeiden dus vóór de oorlog in grote luxe op.

In dit verhaal gaat het over de twee oudste zoons Edo en Clem. Vóór de oorlog genoten ze van een zorgeloze jeugd. Zodra ze hun schooldiploma hadden behaald gingen zij meehelpen in het bedrijf van opa.

Opa Jagtman had een agentuur en commissiehandel. Hij verkocht o.a. Cassimis sigaretten. Die werden in Egypte gemaakt, maar genoten in Holland een eerste plaats door hun onovertroffen kwaliteit. Dit weet ik n.a.v. een advertentie in het Bataviaasch Nieuwsblad van 2 december 1930.

Ook haalde opa Jagtman de eerste Philips radiokasten met platenspeler naar Nederlands-Indië. Hij overleed in Batavia op 22 december 1940 in de leeftijd van eenenvijftig jaar. Hij liet zijn vrouw en vijf kinderen na.

Zijn oudste zoon Edo nam de touwtjes in handen, maar niet voor lang. De oorlog brak uit.

Op 10 januari 1942 viel het Japanse leger het eiland Tarakan, een eiland gelegen voor de kust van Borneo (huidige Kalimantan) aan ter verovering van de olie-installaties en vliegvelden aldaar. Nadat de eerste gevechten op zee hierna plaatsvonden, capituleerde het  Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger of het KNIL genoemd op 8 maart 1942.

Edo was op 16 mei 1934 opgeroepen voor militaire dienst. Hij werd ingelijfd in de rang van militie-soldaat bij de 1e Afdeling Houwitser (officieel -1e Houwitser Artillery Battalion genoemd) in Weltevreden een voorstad van Batavia, onder bevel van Maj. Schmidtz. Zo staat hij te boek in het uittreksel van zijn Stamboek.

Beroepsmilitairen en ingelote dienstplichtigen werden ingeschreven in de stamboeken van het regiment waarbij ze waren ingedeeld. Deze stamboeken zijn aangelegd en bijgehouden bij alle legeronderdelen (in zowel Nederland als de voormalige koloniën), maar niet altijd volledig bewaard gebleven. 

Het werd een hectische en chaotische tijd bij het KNIL. Op 27 oktober 1934 ging hij met groot verlof (onder groot verlof verstaat men de tijd gedurende welke de dienstplichtige zich niet in actieve dienst bevindt of moet bevinden). Gezien de toenemende dreiging vanuit het expansionistische Japan werd hij echter weer opgeroepen op 4 september 1939, waarna hij op 23 september 1943 weer met groot verlof ging. Tussentijds bleef hij actief in het bedrijf van zijn vader.

Ondertussen brak in Europa de oorlog uit. Op 12 december 1941 kwam Edo bij de algemene mobilisatie ook weer onder de wapenen. Zoals zovelen is overkomen werd ook hij krijgsgevangen genomen op 8 maart 1942 in Tandjoer door de Japanners.

Hij kwam in Soekaboemi terecht. Dat was een verzamelkamp en centraal gelegen in West-Java. In de maanden mei en juni werd het kamp stapsgewijs ontruimd. De krijgsgevangenen werden overgebracht naar kampen in Tjimahi. Dit kamp lag in het noordelijk stadsdeel van Tjimahi. Het was eerst een krijgsgevangenkamp, en pas eind januari 1944 werd het een burgermannen kamp.

Het kamp Makassar lag in het uiterste zuiden van Batavia. Ongeveer acht kilometer van Meester Cornelis, een voorstad van Batavia. Dat was niet ver van de Hoofdweg naar Buitenzorg. De krijgsgevangenen waren ondergebracht in barakken van bamboe en omheind door prikkeldraad. Dit kamp diende als werkkamp om groente te verbouwen voor diverse interneringskampen en om varkens voor de Japanners te verzorgen. In de volksmond werd het dan ook kamp Boerderij Makassar genoemd.

Zijn broer Clem werd eveneens opgeroepen op 31 mei 1941 voor militaire dienst. Op 30 juni 1941 werd hij bevorderd tot Militie Sergeant. Hij werd echter ook op 8 maart 1942 krijgsgevangen genomen in Bandung.

Oom Clem heeft in vier verschillende kampen gezeten. Vanaf maart 1942 t/m april 1943 waarschijnlijk in Kampong Makassar of het Java Camp. In de periode van april 1943 t/m augustus 1944 op Flores. Daarna van augustus 1944 t/m januari 1945 weer op Java.

Daarna zijn oom Edo en oom Clem met de Kinta Maru 3, ook wel de Java Party genoemd, naar Singapore overgebracht en wel naar het River Valley Road Camp.

De Kinta Maru 3 (kustvaarder, 1000 ton) vertrok op 15-1-1945 met 639 krijgsgevangenen uit Batavia naar Singa­pore. De krijgsgevangenen (117 Engelsen, 106 Australiërs, 8 Ame­rikanen en 408 Nederlanders) waren afkomstig uit het 10e Bataljon in Batavia (deels kort tevoren aangekomen uit het kamp Kampong Makassar in Batavia). De reis duurde 3 dagen. Dit transport werd aangeduid als Java Party 26, het 26e (en laatste) krijgs­gevangenen­ trans­port, dat van Java vertrok. De Kinta Maru 3 wordt in de volksmond ook wel één van de Japanse Hel schepen genoemd.

Het River Valley Road Camp lag in een dal, aan weerszijden van een riviertje; de gevangenen werden opgesplitst naar nationalieteit en verbleven aan weerszijden van de rivier. De exacte lokatie is (nog) niet bekend; de River Valley Road kon niet op de kaart worden gevonden. Dit kamp was eerder een kamp voor inlandse vluchtelingen en werd in de periode waar ik over spreek door Japanse militairen bewaakt. Er werd in vervallen attap-hutten (genoemd naar de attap palm), rondom modder gewoond en er werd in 2 lagen boven elkaar geslapen. Er is bekend dat gedurende 1942 de gevangenen te werk werden gesteld in de Singapor-haven in de opslagloodsen o.a. transport van voedselvoorraden en later voor het in- en uitladen van munitie (o.a. bommen van 125 en 250kg).

Mijn beide ooms hebben hier tot augustus 1945 gevangen gezeten. Ik ben er niet achter gekomen of beiden gedurende de oorlog in dezelfde kampen hebben verbleven. Oom Clem en waarschijnlijk ook zijn broer zijn aangetroffen in Tandjong Pagar, Singapore, op 5 september 1945.

Na de Japanse capitulatie zijn mijn beide ooms direct weer onder de wapenen geroepen. Dat heb ik kunnen lezen in hun Stamboekkaart.

Dit was gebruikelijk en men had in die tijd ook nog niet van PTSS (Posttraumatisch stress stoornis) gehoord, dus daar werd ook geen rekening mee gehouden.

Oom Clem is vanuit Singapore in dienst gegaan van het KNIL in Australië. Hij trad in dienst van het befaamde 18e Squadron.

Pas in het begin van 1950 was het gezin weer herenigd in Nederland.

Over de repatriëring zelf is mij niet veel bekend buiten dat oma met Letty en Beppie apart naar Nederland zijn gereisd. Welk jaar dit is geweest is mij ook onbekend en vind ik ze jammer genoeg na de nodige research ook niet terug op repatriëring lijsten.

Het enige dat ik wel weet is dat Letty, mijn moeder dus, en Beppie terecht kwamen in Well, Noord Limburg en bij een onderwijzersechtpaar op kamers woonden. Ze volgden beiden cursussen bij Schoevers in Venlo.

Van de drie ooms, Edo, Clem en Han, is Han al als jonge jongen uit huis en bij de Marine gegaan. Edo ging naar Den Haag, dit zal ná 1950, maar vóór 1952 zijn geweest. Clem ging na de oorlog zoals boven vermeld bij het roemruchte 18e squadron in Australië en werd daar Sgt Air Gunner. Om vervolgens in 1950 douanebeambte te worden.

Er is nog zoveel uit te zoeken en dat doe ik samen met mijn achterneef om het familieverhaal compleet te maken voor mijn nichtjes. Zodra dat verhaal klaar is, zal ik het wellicht ook op deze website laten plaatsen.

Wordt vervolgd......

Rick Franke, oktober 2020

vlnr: oom Clem, tante Beppie 1 van de tweeling, moeder Letty, oom Han 2 van de tweeling, Oom Edo. Laan Canne 5 voor de veranda van het ouderlijk huis

Stambook van Oom Edo

Interneringskaart van Oom Edo

Interneringskaart van Oom Clem

18e Squadron Nederlandse en Australische militairen

Appél kamp Tjimahi 1942

Rick Franke vertelt over twee ooms in Nederlands-Indië

vlnr: tante Beppie, Oma Moes, Oom Clem in douane uniform (1950), Letty

Oom Edo in 1951 Van Aaerssenstraat De Haag in het huis van Oma Moes.

Oom Clem in uniform links en als douane beamte rechts

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel