Met de golf van emigranten en repatrianten uit het voormalige Nederlands-Indië kwam ons gezin, vader moeder en drie kinderen in 1950 in Nederland aan. Het gezin vertrok op 30 augustus 1950 in Tandjong Priok met het Britse troepenschip  s.s Ormonde en kwam op 24 september 1950 in Rotterdam aan.

Zelf ben ik eerder naar Nederland gekomen en reisde op 16 maart 1946 met de Nieuw Amsterdam van Singapore naar Rotterdam waar ik op 10 april 1946 aankwam (bron: passagierslijsten1945-1964.nl). In Nederland werd ik opgevangen door een zuster van mijn vader Engeline of tante Lien Lessing - van Leer en haar man Nardus Lessing.

Mijn ouders waren ook al met de drie andere kinderen in 1946 even terug naar Nederland gegaan maar daarna met de 2 jongste kinderen in 1947 weer terug naar Indië. Mijn vader ging als zogenaamde “kortverbander”, dus een contract voor 5 jaar voor de “regerings voorlichtingsdienst” weer terug. Later zou hij ook nog ingezet worden bij het weer opbouwen en herstellen van de bibliotheek en herbarium van ‘s-Landsplantentuin in Buitenzorg (nu Bogor).

Mijn grootmoeder Elizabeth Boutelje-Elte, geboren in Alkmaar op 25 december 1864, bewoonde een statig pand aan de Sandmannlaan in Bussum. Door de verschrikkingen van de Nazis in Europa en met hun doel om het hele Joodse volk uit te roeien was mijn moeder’s familie leden, waaronder mijn grootmoeder Elizabeth, geheel vermoord. Mijn grootmoeder op 16 april 1943 in Sobibor, Polen.

Als enige erfgename had mijn moeder niet anders verwacht en gedacht dan dat de woning van grootmoeder in Bussum met haar gezin na de repatriëring te kunnen bewonen. Dit was één grote deceptie!

In het Westland stonden V-1 raketten klaar met het doel Londen te verwoesten. De geallieerden bombardeerden dus regelmatig dit gebied waardoor de bevolking werd geevacueerd. NSB-gezinnen kregen bij voorkeur woningen van de door de Joden verlaten huizen ter beschikking.

Mijn moeder was dan ook gechoqueerd toen bleek dat er een “fout” gezin (NSB gezin) waarvan “de heer des huizes” ergens zijn straf tijd uitzat in het door haar geërfde huis in Bussum woonde. Ondanks meerdere pogingen van juristen die mijn moeder in de arm genomen had heeft ze het huis nooit teruggekregen. Het viel onder de zogenaamde Krakerswet. Wel heeft de overheid haar een vergoeding, een krats, aangeboden wat zij spijtig genoeg heeft aanvaard.   

Mijn ouders waren het strijden moe, mijn moeder die met 3 kinderen, 3 jappenkampen door had gezeuld en mijn vader die als één van de weinige overlevenden van de Junyo Maru Scheepsramp nu terug in Nederland was. Hieronder volgt zijn verhaal :

Vader Abraham van Leer is geboren in ’s-Gravenhage op 2 september 1895, mijn moeder Clara Anna Cerlina Boutelje is geboren op 29 december 1900 in Amsterdam.

Het staat mij bij dat vader al waarschijnlijk in 1920 naar Nederlands-Indië is gegaan en was werkzaam als bibliothecaris voor het proefstation van de suikerindustrie te Pasoearan.

Vader en moeder trouwden op woensdag 23 juni 1926 in Amsterdam.

Op 7 juli 1927 werd ik geboren in Pasoeroean. Toen moeder hoogzwanger was reisden mijn moeder en ik naar Nederland met het ms Sibajak van Batavia naar Rotterdam. We vertrokken op 20 mei 1931 en dokten in Rotterdam rond 25 juni 1931. Mijn zusje Elizabeth werd in Bussum geboren op 25 augustus 1931, mijn vader was nog onderweg naar Nederland met de ss Tjikembang.

Een aantal jaren later was vader werkzaam als journalist bij het Surabaiasch Handelsblad en het is dan ook in Soerabaja dat mijn tweede zusje Henriette op 16 mei 1938 het levenslicht zag.

In september 1940 diende vader als vrijwilliger in het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) en op 9 maart 1942 werd hij door de japanners tot krijgsgevangene gemaakt. Mijn moeder was net in verwachting en tijdens zijn afwezigheid en dus gedurende de japanse bezetting werd er nog een zoon geboren, op 26 november 1942, die de naam Bram kreeg. Doordat Bram als baby in 3 jappenkampen verbleef heeft hij door gebrek aan eiwitten altijd slecht zicht gehouden, wat op jongere leeftijd wel met contact lenzen ietwat verbeterd kon worden. Hij was tot zijn pensionering wegens het niet langer kunnen corrigeren van studentenwerk, verbonden aan de universiteit van Ann Arbor, Michigan als professor in de astronomie. Helaas is hij nu helemaal blind maar ontdanks zijn blindheid een uitstekend pianist. Bram heeft een dochter Eva, een zoon Daan en twee achterkleinkinderen.

Nadat ik terug in Nederland de 5-jarige HBS-B in Delft had afgemaakt (van 1949-1954) was ik bij Philips in Eindhoven werkzaam. Dat ik nooit heb kunnen studeren staat goed beschreven in de Java Post van september 2019 (lees het artikel hier) .

In 1954 emigreerde ik naar de Verenigde Staten waar ik nog altijd in het zonnige maar nu enigszins verlaten Californië woonachtig ben.

Mijn zusje Liesbeth overleed op 9 juli 2001 in Tilburg op de leeftijd van 69 jaar. Zij was getrouwd met Hans Reens (1924-1973) en samen hebben zij 2 dochters, Ginette en Nicole beide woonachtig in Nederland.

Mijn zusje Henriette was getrouwd met Leen de Niet, die in 2015 overleed, en is nogaltijd woonachtig in Soest. We waren niet meer compleet een artikel geschreven door Sandra Heerma van Voss over Henriette en haar verhaal leest u hier.

Mijn vader beschreef zijn ervaringen als krijgsgevangene in een brief die door mijn zuster Henriëtte, ter beschikking is gesteld van de Soester Courant. Deze brief werd eerst op 13 augustus 2008 in deze krant opgenomen en later gepubliceerd op de website  voor de Stichting Commité 4 & 5 mei.

Om een goed beeld te krijgen van zijn lijden publiceer ik zijn gehele verhaal hieronder :

Abraham van Leer schrijft:

'Ik heb je nu de voornaamste dingen van het heden verteld en wil ter completeering nog iets over mijn ervaringen van de krijgsgevangenschap in telegramstijl mededeelen. Ik heb geen aantekening gehouden van den brief aan Riek en herinner mij niet wat ik verteld heb. Dat noemt men hier 'kamphersens'. Verval ik in herhalingen, dan weet je de oorzaak (.).

Op 9 Maart 1942 werd ik geinterneerd in een kamp te Soerabaia. Door de radio was omgeroepen, dat de Landstorm zich melden moest en wij deden dit met Hollandsche nauwgezetheid, die wij later zeer betreurd hebben. Ik zeide tegen Clara, die met het middageten bezig was: 'Ik laat mij even registreeren, dag, tot straks'. Dat straks is 8 December 1945 geworden. Zoo weinig hadden wij idee, wat ons te wachten stond. Van Maart 1942 tot medio April 1943 ben in het Soerabaiakamp gebleven, kreeg een baccilaire dysenterie, die niet door de doktoren werd herkend (later kregen zij meer ervaring) en werd tenslotte op Clara's verjaardag, 29 December 1942, als een geraamte het ziekenhuis binnengebracht. Mijn vrienden hadden mij al afgeschreven. Ik herstelde, dankzij het wondermiddel, darginan, en werd ontslagen einde Maart 1943. Medio April op transport gesteld naar Haroekoe, een eilandje naast Ambon, voor het aanleggen van een vliegveld. Zee-transport onder de jap is het ergste wat een krijgsgevangene in den Oost kon overkomen. Wij kwamen met 150 dysenteriegevallen van de 1000 man aan, na 18 dagen op zee te hebben gezwalkt. Normaal duurt de reis 6 dagen. In Haroekoe lagen wij met 1700 Engelschen en 350 Hollanders. Na vier maanden waren reeds 300 Engelschen en 100 Hollanders overleden. Ontbering en dysenterie. In November 1943 werd een transport zieken samengesteld, dat naar Java terug zou gaan.Ik behoorde er ook bij en arriveerde einde December 1943 te Soerabaia, vermagerd, onder de schurft en de kleerenluis.

Een gedeelte van ons transport werd te Ambon op een andere boot overgebracht. Deze boot is getorpedeerd en met man en muis vergaan. Ik was al aan boord, toen het bevel kwam, dat allen met buikziekte er weer af moesten, dus ik ook. Dat is mijn behoud geweest.

In Java werden wij doorgezonden naar Batavia, waar wij uitstekend werden ontvangen. Ons transport was het eerste, dat de menschen in de Javakampen zagen en wekte een ontzaggelijk medelijden op. Wij keken naar deze goed gevoede menschen als naar een wonder. In Batavia verhuisden wij eenige malen en tenslotte kwam ik terecht in een landbouwwerkkamp 'kampong Makassar' op den weg naar Buitenzorg, waar ik een gezond leven heb geleid, vrij goede voeding, marschen in de buitenlucht en werken in de tuinen. Gaandeweg werd dit kamp minder goed, doch toen ik medio September 1944 op transport naar Sumatra werd gesteld,was ik lichamelijk in vrij goede conditie. Later werd 'Makassar' een vrouwenkamp met een bijzonder slechte naam; de japs hebben de vrouwen daar als koelies laten werken en leven. Feitelijk had een koelie het stukken beter onder Hollandsch bewind.

Het transport naar Sumatra - ons werd verteld, dat wij naar een rustkamp zouden gaan - bestond voor het allergrootste deel uit menschen van mijn leeftijd, die nog nooit van Java waren weggeweest en geen begrip hadden van een japs transport. Met 4000 koelies en 2100 krijgsgevangenen werden wij op een schip gezet, beter gezegd in een schip gestouwd. Ruimte om te liggen was er niet. De jap dacht: 'Voor een reis van 5 dagen kan het best zoo.' Voor honderden is het een reis naar de eeuwigheid geworden. Op 18 September des middags 4 uur kreeg ons schip twee 'geallieerde' torpedo's en zonk binnen het half uur. 1500 krijgsgevangenen en 3500 koelies zijn hierbij verdronken. Dit is de ergste ramp, die de Indische krijgsgevangenen heeft getroffen. Ik was een der eersten, die in zee sprong en een der laatsten, die gered werd, namelijk Woensdag 20 September omstreeks 1 uur en had dus 45 uur in zee gelegen.Ik heb mijn redding te danken aan het feit, dat ik na eenige uren ronddrijven een reddingsvlot wist te bereiken en daaraan hangende of erop zittende, mij de volgende 42 uren boven water heb weten houden. Dinsdagochtend waren wij nog met 15 man, Woensdagmorgen met 2 man, een jong matroos en ik. De jonge man was ijlende toen ik uit een soort bewusteloosheid wakker werd. Krankzinnigheid is veel voorgekomen,ook ik zag 's morgens toen de zon reeds hoog aan den hemel stond nog een landweg op den Indischen oeeaan. De meesten kregen visioenen, volgden die en verdronken. De reddingscapaciteit van de jap was erg klein, een corvetje, dat 150 man kon opnemen en die moesten eerst nog aan land worden gebracht, wat ook minstens 12 uur in beslag nam. Ik geloof, dat ik twee maal in mijn leven het toppunt van vreugde heb meegemaakt: het oogenblik, dat ik de redding zag aankomen en het weerzien van de famille.

De jap heeft ons niet als drenkelingen behandeld. Te Padang werden wij in een gevangenis gebracht en hebben daar zonder eenig dek, alleen gekleed in een dun katoenen broekje twee dagen doorgebracht in een onbeschrijfelijk vervuilde omgeving. Daarna een nacht in den trein ontzaggelijk koude geleden en toen een dag op een transportauto blootgesteld aan een tropenzonnetje onder den evenaar. Tal van geredde passagiers zijn aan de 'nabehandeling' gestorven. Spiernaakt ben ik te Padang aan land gebracht en vervolgens drie weken geleefd met als eenig kleedingstuk een broekje en als dekking voor den nacht een japansche deken. Onmiddellijk volgde malaria-infectie en dat is, naast buikloop, mijn lijfziekte in Sumatra gebleven. Wij werden gebracht naar Pakan Baroe,waar omheen verschillende kampen lagen voor krijgsgevangenen, die aan de spoorlijn moesten werken. Door zwakte ben ik practisch voor dit werk gespaard gebleven en heb in de groentetuinen gewerkt, voor zoover ik niet ziek was. De groote hinderpaal voor het bijkoopen van voedsel was het gebrek aan kleeren, die met de torpedeering verloren waren gegaan. Dit was het kapitaal van den krijgsgevangene. Verkoop binnen of buiten het kamp bracht vrij veel geld op en hiervoor kon men visch, boonen, trassi, vruchten, etc koopen. Alle handel was clandestien en leverde voor de bedrijvers risico op. Ik heb mij bijvoeding kunnen verschaffen door geld te leenen en heb hierin geluk gehad; meerderen hebben mij geholpen en zoo-ben ik den Pakan Baroetijd doorgekomen. Overigens ook een doodenkamp. In een half jaar 400 doden. Op 20 Augustus kregen wij bericht van de japansche capitulatie en onmiddellijk werd alle werk gestaakt, het rijstrantsoen verhoogd, het voedsel verbeterd en groote kwantiteiten medicijnen en verbandstoffen binnengebracht. Malariapatienten hebben een tyd lang gemalen kinabast geslikt, hetgeen de zwakke ingewanden geen goed deed.

Nadien was het wachten op geallieerde vliegtuigen, die omstreeks 10 September kwamen opdagen. Zij brachten behalve voedsel ook Lady Mountbatten mee, die een toespraak tot de 'boys' hield en hen de heerlijkheden van de vrijheid in het vooruitzicht stelde. Later hebben wij pas begrepen, dat zij in dit kamp een paar duizend Nederlanders, voor de paar honderd Engelschen heeft gesproken. Toen de laatste Engelsman per vliegmachine was geevacueerd zijn er ook geen Nederlanders meer gehaald. Die zijn voor het allergrootste deel naar Medan en Palembang per boot vervoerd. Ik heb het geluk gehad tot de zieken te behooren, die wel zijn weggebracht en was passagier van het laatste vliegtuig, dat voor dit doel werd ingezet. 18 September 1945, precies een jaar na de torpedeering kwam ik te Singapore aan en kreeg voor het eerst wittebrood, koffie met suiker en melk. Mijn kleeding bestond uit een japansch broekje en een jasje. Mijn schoeisel was een paar houten sloffen. (.)

Ik bemerk, dat ik, wat de weergave van eigen lotgevallen aangaat, mij niet aan de telegramstijl heb gehouden. Ik ben echter niet van plan op dit alles nog uitvoeriger terug te komen en thans hebben jelui tenminste een overzicht van mijn lotgevallen. Clara zal de hare behandelen. Ik schrijf dit niet met zelfbeklag, want ik zie deze dingen als oorlogsverschijnsel, waarin het leven van het individu geen waarde meer heeft en bovendien ben ik mij te zeer bewust hoe nietig dit alles Is in vergelijking met het enorme leed, dat over Europa in het algemeen en over het Joodsche volk in het bijzonder is gekomen.'

Door mijn sterke negatieve gevoelens jegens de jap en het leed dat zij veroorzaakt hebben, heb ik Tilly verzocht alle in origineel geschreven woorden betreffende jap, japanner etc de hoofdletter J de vervangen door een kleine letter j.

Mijn moeder Clara overleed in Soest op 13 maart 1984 en vader Abraham op 7 februari 1962 in Arnhem.

Johan van Leer, 93 jaar oud California U.S.A 

december 2020

 

s.s Ormonde 

bron: Pinterest

's Landsplantentuin in Buitenzorg

bron:Wikiwand

Mijn vader Abraham van Leer

Geboren 2 september 1895

Mijn moeder Clara Anna Cerlina Boutelje

geboren op 29 december 1900

Huwelijks akte Abraham van Leer en Clara Anna Celina Boutelje

Mijn vader als bibliothecaris van het proefstation van de Suikerindustrie in Pasoeroean.

bron: Collectie Tropen Museum

Advertentie in dagbladen geboorte van de eerste drie kinderen. Bram werd gedurende de bezetting geboren en is er geen advertentie gevonden.

Kamp kaart van mijn moeder bron: nationaal archief

Inerneringskaart van mijn vader

Abraham van Leer

Abraham van Leer

1895 - 1962

Clara van Leer - Boutelje

1900 - 1984

Johan van Leer vertelt een aangrijpend verhaal over zijn jeugd en zijn vader in 

Nederlands-Indië

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel