Hoedendoos, Kawoel en Marak

drie verhalen over de familie Martèl

door Gerard Martèl

Gerard Martel is de zoon van Jan George Martèl geboren in Tegal op 16.05. 1906. Zoon van  Christiaan Lodewijk Martel (zie stamboom van de familie Martèl) en trouwde  in 1930 in Batavia met Bernadina Cornelia Theodora (Dien) Filet. Uit dit huwelijk zijn 3 kinderen geboren; Ferry, Gerard en Yvonne. Yvonne komt als kind van 10 jaar te overlijden. Deze drie verhalen werden door Gerard geschreven en geef bijzonder mooi, het leven van de familie Martèl gedurende de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië, weer.

Tilly van Coevorden, 22.02.2021

De Hoedendoos

Voor de oorlog werd door dames in "Indië" bij veel gelegenheden een hoed gedragen. Zonder hoed was je eigenlijk niet correct gekleed. Ook mijn moeder had een collectie hoeden en die werden bewaard op de hoedenplank in de klerenkast en in hoedendozen.

De kostbaarste hoeden zaten in een hoge lederen hoedendoos, die ik veel mooier vond dan alle hoeden bij elkaar. Die cilindervormige doos was helemaal, hengsel, deksel, opstaande kant én bodem, van heel dik leer. Dat leer was zo dik, dat het mij niet zou verwonderen, wanneer het olifantenleer was! De binnenkant was helemaal bekleed met een prachtige zacht en koel aanvoelende stof, het was vast satijn.

Die hoedendoos heeft heel wat meegemaakt en is voor onze familie heel belangrijk geweest. 

Om de rol die de hoedendoos voor ons heeft gespeeld duidelijk te maken, moet ik iets vertellen over onze belevenissen vanaf 1941. Ik doe dat fragmentarisch, want over wat er met ons gebeurd is kan, zoals bij iedereen ‘van ons’, een heel boek geschreven worden!

 In de jaren voor de Japanse bezetting was mijn vader, geodeet uit Wageningen, als hoofd van het Kadaster, geplaatst in Cheribon, West Java.

Wij woonden op Kedjaksaan 16, een statige laan met hoge assem (tamarinde) bomen, dicht bij zee, die begon bij de aloon-aloon (groot vierkant park in het centrum van een stad) en eindigde bij het paleis van de assistent-resident. 

Toen het duidelijk werd, dat de kans groot was dat de Japanners ook Indië zouden aanvallen had de familie Martel al besproken en besloten, dat alle zoons en dochters zouden ‘vluchten’ naar het landgoed van de ouders van mijn vader.

Mijn opa Martel, oud-hoofdboekhouder bij de handelsfirma Wellenstein & Krause, had na zijn pensionering een behoorlijk stuk grond in de Preanger gekocht, 10 km ten zuiden van Soekaboemi, in de dessa Tjidjangkar (Cijangkar), waar ook de theeonderneming Sindangsari ligt. Van dat land had mijn opa een kleine onderneming, Tjimanggoe, gemaakt waar van alles werd verbouwd, voornamelijk voor eigen gebruik.

Mijn opa Filet van moederskant, zat na zijn pensionering bij de Spoorwegen, met Oma en hun vier jongste kinderen al enkele jaren weer in Nederland.

Cheribon was een van de plaatsen waar de Japanners zouden kunnen landen.Zoals overal was men zich aan het voorbereiden op het ergste en er werd geoefend en bereidde zich voor op evacuatie de bergen in, richting Lingga(r)djati.Als reserveofficier bij het KNIL, ook wel Landstorm genoemd, moest mijn vader veel op oefening, voornamelijk op het strand, ter voorbereiding op een mogelijke vijandelijke landing.

Wij hadden luchtalarmoefeningen, je moest dan o.a. dat stuk karet (rubber) tussen je tanden nemen om, bij een bominslag, de klap op je kaken op te vangen.Ook werden voorbereidingen getroffen voor evacuatie en iedereen moest het hoog nodige inpakken.De hoedendoos werd onze mobiele brandkast. Het tafelzilver en andere kostbaarheden gingen in de hoedendoos. Loodzwaar was die.Veel vrouwen en kinderen werden al geëvacueerd, veel naar Lingga(r)djati.

Mijn moeder was ingedeeld bij de evacuatieploeg om de mensen te rijden.Zij had weinig rijervaring en kon eigenlijk niet goed rijden, maar het heen en weer jakkeren in onze Ford, het bekende kevermodel, naar Lingga(r)djati, maakte van haar een ware autocoureur.Ook werkte zij als vrijwilligster in het ziekenhuis.

 Zoals bekend zijn de Japanners inderdaad o.a. bij Cheribon geland.Mijn vader lag met zijn landstormers in de pillboxes (mansgaten) aan het strand, maar de overmacht was zo groot, dat zij allen zonder slag of stoot werden overrompeld en gevangen genomen.De gevangenis diende als krijgsgevangenenkamp.De afwezigheid van de vele mannen ontwrichtte onze samenleving natuurlijk in grote mate, maar de evacuatie ging, zo goed en zo kwaad als dat nog kon, door.Ook wij maakten ons klaar voor vertrek naar Tjimanggoe.

De families van de krijgsgevangenen stelden het vertrekken wat uit, in de hoop dat man of zoon misschien nog thuis zou komen! Niemand had ervaring met oorlog en bezetting, men dacht dat vele zaken wel weer snel in orde zouden komen. Dat was dus niet zo en ook wij moesten vertrekken.Vlak voor ons vertrek stond tot onze verbazing plotseling mijn vader voor de deur!

Wat was er gebeurd? Die ochtend moesten alle krijgsgevangenen aantreden en nummeren. Iedere 10-de moest een pas voorwaarts doen en iedereen vreesde het ergste.Toen het nummeren voltooid was, kwam er een toespraak van een Japanse officier. Het kwam er op neer, dat de Keizer jarig was en dat, als gebaar van goede wil en menselijkheid, iedere tiende gevangene naar huis mocht gaan! Mijn vader was er, als een van hen, bij! 

 Zo snel als dat kon, zijn wij vertrokken. De bedienden zouden op het huis en de inboedel passen, de auto werd bij een andere vertrouweling in de kampong gestald, gecamoufleerd met pisangbladeren(!). Van de inboedel en de auto hebben wij natuurlijk nooit meer iets terug gezien. Wij zouden met de trein gaan. Mijn vader kon niet mee, want op het station wemelde het van de Japanners en hij zou meteen weer gevangen genomen zijn; de Keizer was niet meer jarig!

Mijn moeder, broer, zusje en ik met kloppend hart en met zoveel als we konden dragen de trein in naar Soekaboemi, de hoedendoos aan de voeten van mijn moeder. Mijn vader zou met de fiets(!) naar Tjimanggoe komen, zo eenvoudig mogelijk gekleed en met een zonnehoed van een tani (landarbeider) op het hoofd. Hij zou zoveel mogelijk 's avonds en 's ochtends vroeg fietsen en overdag in de bosjes slapen. Wij kwamen zonder grote problemen in Soekaboemi aan en met de deleman (door een paard getrokken rijtuig) ging het verder naar Tjimanggoe.

De dagen gingen voorbij, zonder dat mijn vader op kwam dagen. Wij hadden de hoop al opgegeven, toen wij van verre het rinkelen van een fietsbel hoorden! Het bleef rinkelen en daar kwam mijn vader de bocht om! Wij hadden ons niet gerealiseerd dat je niet zo maar eventjes op de fiets zonder versnellingen en met eenvoudige remmen, van Cheribon naar Soekaboemi, ongeveer 260 km, o.a. langs de berg Tjermai (Cireme, 3078 m!), komt. Het is werkelijk een wonder, dat hij nog in Tjimanggoe is aangekomen.

Zo kwam bijna de hele familie Martel op Tjimanggoe. De oudste dochter Wies bleef in Batavia, haar kinderen kwamen later ook bij ons. Een andere tante (Nettie) was te laat. De Barosbrug over de Tjimandiri was inmiddels vernield en zij moest met haar vier kinderen onverrichter zake terug. Zij kwamen in het Karé-es kamp in Bandoeng terecht.

Wij waren met 18 personen in het hoofdgebouw, gelegen op de top van de eerste heuvel, met nog twee huurders in het paviljoen, dat wat lager lag. De behuizing was natuurlijk krap, maar de families waren bij elkaar en hadden een bed.  In het begin kon het vooroorlogse leven redelijk doorgaan. Er was nog geld, de bedienden waren er nog, er waren nog voorraden, de generator deed het nog en er was geen Jap te zien.

Werken op het land, vooral in de grote moestuin, was onze grootste dagtaak.Lang hebben mijn vader en mijn oom Dolf Kamp (ook een geodeet uit Wageningen), niet kunnen genieten van de relatieve vrijheid van Tjimanggoe, want zeven maanden later werden zij door een passerend konvooi Japanse militairen gezien. De volgende dag werden zij door de Kempei Tai opgehaald en afgevoerd naar Soekaboemi. Mijn vader kwam daarna in Batavia en uiteindelijk in Pakan Baroe op Sumatra, waar hij heeft gewerkt aan dat krankzinnige project van de spoorlijn.Hij behoorde gelukkig tot de overlevenden. Oom Dolf kwam in een burgerkamp in Tjimahi terecht.

 Zonder de volwassen mannen werd het moeilijk op Tjimanggoe. Bovendien raakte het geld op, de bedienden konden niet meer worden betaald, de voorraden raakten op en de generator deed het niet meer. Wij werden teruggeworpen in de tijd dat er nog geen elektriciteit en waterleiding was.Het water moest dagelijks door de jongens van de bron in het dal naar boven worden gepikoeld (aan een juk gedragen). Naast het werken op het land kregen de kinderen corvee in de keuken, zij moesten het (hout)vuur gaande houden. Wat het land opbracht was niet voldoende en door het ruilen van kleding kwamen wij aan extra voedsel. Ook verkocht de tante in Batavia betere kleding en kostbaarheden, zodat wij weer wat contanten hadden. Veel van die kostbaarheden kwam uit de hoedendoos.

Af en toe bracht de bevolking een tjelleng (wild varken), als moslim eten zij die niet en er kon goed getaward (afdingen) worden. En dan was het een paar dagen vleesfeest! Aan het eind van de oorlog trokken ‘legertjes’ van de Darul Islam door de Preanger en zij eisten de medewerking van de plaatselijke bevolking.

Op een dag rende een hele groep met getrokken goloks (kapmessen) bij ons het erf op met de bedoeling ons een kopje kleiner te maken. Mijn Opa was op de veranda, stond op en spreidde zijn armen. En de mensen stonden stil! Hij heeft toen een lange toespraak – die ik Opa’s ‘Bergrede’ noem - gehouden, in het Soendanees met als gevolg, dat de mensen het erf verlieten! Zij gingen niet weg en wij werden  omsingeld. Ook 's nachts gingen zij niet weg. Het leek een kwestie van uitstel. Mijn opa, zijn jongste zoon en mijn broer moesten om te worden verhoord mee naar de dessa. Wij vreesden het ergste, maar na een tijd kwamen zij terug. De jongste zoon met een bebloed hoofd. Hij had een klap met een golok, gelukkig met de platte kant, tegen zijn slaap gekregen.

De lurah (dorpshoofd) kwam de volgende dag en vertelde, dat hij de mensen wel weg kon krijgen, maar de prijs daarvoor was, dat hij mijn oudste nicht, toen 14 jaar, kreeg. Dat werd natuurlijk geweigerd. De mensen gingen niet weg en de toestand bleef heel kritiek. Een oom, de ex van tante Wies, was toevallig op bezoek en hij wist te ontglippen en is in Soekaboemi naar het Rode Kruis gegaan. Dat heeft de politie ingeschakeld. Na twee ondraaglijk lange dagen hoorden wij getoeter en schoten. Een vrachtwagen met twee (!) politieagenten kwam aangereden en stoof ons erf op. Wij moesten meteen mee en mochten alleen de hoognodige bagage meenemen. Wij hadden al koffers klaar staan en natuurlijk ook de hoedendoos.      

In Soekaboemi werden wij ondergebracht in hotel Tjipellang, waar al meer mensen ondergebracht waren. Al snel kregen wij niets meer in dat hotel, want de algemene oekaze was, dat aan Nederlanders niets meer verstrekt mocht worden. De bewoners van hotel Tjipellang kregen van de plaatselijke bestuurders gedaan, dat zij naar de Landbouwschool mochten, dat als beschermingskamp voor de Nederlanders dienst deed. Weer met vrachtwagens mee, met maximaal 1 koffer per persoon. In alle consternatie vergaten wij de hoedendoos! Velen hadden belangrijke dingen in het hotel achtergelaten en na lang soebatten (smeken), mocht men één keer terug naar het hotel. Wonder boven wonder was het hotel nog niet gerampokt (geplunderd) en mijn moeder kwam triomfantelijk met de hoedendoos terug

Gedurende ons verblijf in het kamp in Soekaboemi en ook later in het kamp Kedoeng Halang in Buitenzorg (Bogor), werd de inhoud van de hoedendoos regelmatig aangesproken om ons in leven te houden. Toen de kampen werden opgeheven vonden wij in Batavia onderdak bij tante Toetoe, een tante van mijn moeder, in de Alataslaan 32. Dat huis was een kampje op zich, want wij woonden daar met zes gezinnen, in totaal 29 personen!

Hoewel wij van ‘de overheid’ een toelage kregen om niet helemaal te verhongeren, hadden wij nog steeds onvoldoende geld. Nog steeds werd uit de hoedendoos geput om aan voldoende eten en kleren te komen. Pas toen mijn vader eindelijk naar Java mocht - acht (!) maanden na de Japanse capitulatie - en weer bij het Kadaster ging werken, hadden wij de hoedendoos niet meer nodig. Wat er is overgebleven van het tafelzilver werd, zolang mijn moeder nog in Roermond woonde, nog gebruikt. Ieder keer wanneer ik bij mijn moeder at, moest ik aan de hoedendoos denken. Die lag, versleten en lelijk, heel triest, op de vliering.

 

                                                                                                                           Gerard Martel

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel