Proloog:

Dit zeer bijzondere verhaal van een bijzonder persoon, genaamd Heinz Jack Silberberg, bereikte mij naar aanleiding van een oproep, die we in het NIW (Nederlands Israëlitisch Weekblad) hadden geplaatst. Het werd mij opgestuurd door zijn goede vriend Max Samson uit Nederland. De zoon van Heinz, Leon die in Israël woont, gaf toestemming om deze biografie op onze website te publiceren zodat deze niet vergeten wordt en beschikbaar blijft voor de komende generaties. Mijn dank gaat uit naar Max en Leon omdat deze biografie van Hanoch (zijn Hebreeuwse naam) één van die verhalen is geweest, waaraan ik met veel ontroering gewerkt heb. Hanoch is in februari 2020 overleden. Met trots presenteer ik hieronder de Nederlandse vertaling van zijn biografie.

Tilly van Coevorden, December 2020

Biografie van Heinz Jack Silberberg z.l.

Deze Nederlandse versie van het verhaal van mijn leven is gebaseerd op het origineel, geschreven in het Hebreeuws. Dit verhaal is geschreven voor mijn kinderen, kleinkinderen, andere familieleden en de archieven van de Kibboets, waarin ik de afgelopen zesenvijftig jaar heb gewoond.

Heinz, Jack, Hanoch

Het was in 1919, één jaar na de Eerste Wereldoorlog, toen mijn vader Albert Alfred Silberberg besloot Duitsland te verlaten zonder een bestemmingsplan te hebben. Mijn vader werd op 6 maart 1883 geboren in Bad Pyrmont in het Duitse Nedersaksen, een kleine stad die beroemd is om zijn kuuroorden. Hij was de enige zoon van Jacob en Henriette Silberberg, eigenaars van een klein pension.

Mijn vader was in zijn leven nog nooit over de grens gegaan en dus was Nederland het eerste en dichtstbijzijnde vreemde land op zijn weg. Omdat bekend was dat Nederland een grote vloot van schepen had, die naar alle havens ter wereld voer, inclusief de meest exotische en verre landen, dacht hij dat het het beste was om eerst naar Nederland te reizen.

In die tijd had Nederland een aantal koloniën, zowel in het Westen als in het Oosten van de wereld. Ze werden toen Nederlands West-Indië en Nederlands Oost-Indië genoemd. Nederlands Oost-Indië, het huidige Indonesië, was het oudste en meest aantrekkelijke land vanwege de rijkdom aan producten. Dit mysterieuze en onbekende land, ver weg van de “beschaafde” wereld, was vooral voor de mensen in Duitsland, die nog nooit van dat deel van de wereld hadden gehoord, intrigerend. 

Vader, die verkoper was, besloot voor het onbekende te gaan en ging voor een handelsonderneming werken en reisde door het hele land met thee, koffie en andere producten van de plantages. Albert leefde het leven van een Bohémien, samen met andere vrijgezellen, sommigen jong en sommigen wat ouder zoals hijzelf. Gedurende de eerste vijf jaar aldaar genoot hij enorm van dit "wilde leven" totdat hij zich realiseerde dat hij toe was aan een stabiel leven, hij een huis wilde bouwen en een gezin wilde stichten. Dus besloot hij zijn levensstijl te veranderen en naar zo’n toekomst toe te werken.

Hij ging voor zes maanden terug naar Duitsland en vond met behulp van vrienden en familie wat hij zocht. Wat de familie betreft lijkt het erop dat er geen familie was om over te spreken. Heel recent kwam ik erachter, toen ik uiteindelijk contact opnam met het archief van Pyrmont, dat mijn vader geen broers of zussen had en dat zijn ouders (dus mijn grootouders) Bad Pyrmont al in 1910 hadden verlaten zonder een spoor achter te laten.

In deze periode leerde hij Rosa Borchardt kennen, de dochter van Louis en Hedwig Borchardt-Loeventhal, eigenaars van een koosjere slagerij, die de hele joodse bevolking in hun stad en omgeving bediende. Rosa was zevenentwintig jaar oud toen ze elkaar ontmoetten. Zij was geboren op 7 maart 1897 in een vrij klein stadje genaamd Oschersleben, ongeveer 160 km ten zuidoosten van Berlijn, en was een bankbediende. Het duurde niet lang tot zij de beslissing nam om het huwelijksaanzoek van Albert te aanvaarden, ook al was ze zich ervan bewust dat het voor onbepaalde tijd verlaten van haar huis en familie een duik in het onbekende was. In datzelfde jaar (1924) trouwden Albert en Rosa en vertrokken ze naar de Oost. Ze verliet huis en haard en zou pas in 1946 weer naar Europa terugkeren (niet naar Duitsland maar naar Nederland).

Rosa's biologische moeder was al op zeer jonge leeftijd overleden. In Duitsland bleven Rosa’s vader en stiefmoeder, een van de twee broers (Erich) en de twee zussen Henny en Hilde uit het tweede huwelijk van haar vader met Selma Bernhard achter.  Lang voordat Rosa trouwde had de tweede broer Paul met vrouw en zoon Duitsland verlaten voor Palestina.  Ik geloof dat ze zich vestigden in het hoger gelegen Galilea, een moerasgebied dat vanwege de malariamuggen in die tijd erg moeilijk te bewonen was, dus het duurde niet lang voordat ze besloten Palestina weer te verlaten en naar Amerika te emigreren.

Hilde, de jongste zus, wist in 1938 uit Duitsland te ontsnappen en woont in Brazilië met haar zoon Julio en zijn vrouw, 3 kleinkinderen en 5 achterkleinkinderen.  Hilde's jongste zoon Pedro is helaas midden in de veertig overleden. Hij kon zijn droom om zich hier in Israël te komen vestigen niet verwezenlijken. Zijn twee kinderen hebben zijn droom waargemaakt en wonen thans hier in Israël. Pedro's zoon Kiki woont met zijn gezin in kibboets Yotvata en zijn dochter Karen woont met haar man en baby in Raanana.

Terwijl ik dit schrijf is mijn tante Hilde op de mooie leeftijd van bijna 99 jaar eerder dit jaar op 12 januari 2006 overleden. Ze zal altijd herinnerd worden als de mooiste en meest liefdevolle tante. Ik ben erg dankbaar dat ik haar drie jaar geleden heb mogen bezoeken en zien, toen ze nog gezond, fit en goed was.

Rosa's jongere broer Erich is er niet in geslaagd om Duitsland op tijd te verlaten en is in de holocaust verloren geraakt.

Door onderzoek kwam Tilly erachter dat Erich werd getransporteerd en waarschijnlijk stierf in Minsk meer informatie over Erich Borchardt

Heinz

Toen Albert en Rosa in Nederlands-Indië aankwamen raakten ze niet meteen gesetteld en verplaatsten zij zich regelmatig, zodat mijn oudere en enige zus Ruth en ik op verschillende plaatsen werden geboren.  Ruth werd op 11 december 1926 geboren in Batavia, dat nu Jakarta heet, en ik, Heinz Jack, werd op 6 februari 1931 geboren in Soerabaja, een havenstadje aan de oostkant van het eiland Java.

We woonden 6 maanden in Soerabaja, waarna we naar Bandoeng verhuisden en daar bleven tot we (moeder, stiefvader, Ruth en ik) in 1946 uit Nederlands-Indië naar Nederland vertrokken.

Uit mijn herinnering kan ik u vertellen dat Bandoeng een heel mooie en moderne stad was met veel winkels, kantoren, bedrijfjes en mooie woonwijken voor zowel de rijken als de armen, voor Europeanen, Chinezen, de lokale bevolking en alle andere nationaliteiten en niveaus van de samenleving. Bandung ligt in het centrum van het westelijke deel van Java, omgeven door vele bergen met vele plantages van allerlei aard en niet te vergeten de eindeloze sawa's (rijstterrassen).

Het klimaat was zeer aangenaam en draaglijk in vergelijking met andere delen van Java. Door het milde klimaat was Bandung ook aantrekkelijk om vakanties door te brengen. Vroeger kwamen de Europeanen hier om hun vrienden ontmoeten en voor de vakanties in de bergen en in de prachtige hotels rond de meren. De stad werd in twee helften verdeeld door spoorlijnen, wat van belang is en later in mijn verhaal zal worden vermeld. Aan het zuidelijke deel van de treinsporen kwamen de hellingen uit de bergen naar beneden, terwijl het noordelijke deel, voornamelijk de drukke kant van de stad, de winkelstraten, de markten, de overheidskantoren, de hotels en de minder dure kant van het woongebied, maar nog steeds huizen van hoge kwaliteit, een zeer recht en vlak gebied was.

Elke wijk was omringd door vier wegen en aan de achterkant van elk erf achter de huizen lag de  kampong. Een kampong was een inheems dorp met bamboe huizen met meerdere verdiepingen gebouwd op bamboe pilaren en hun muren en vloeren waren gemaakt van dik bamboe fineer. De bewoners van zo'n kampong waren de inheemsen die als bedienden of ongeschoolde arbeiders werkten. Ik vond het heerlijk om in de kampong achter ons huis rond te lopen, omdat ik geen andere vrienden had en mijzelf er erg thuis voelde. Ik denk vooral omdat ik in alleen een korte broek en op blote voeten kon rondlopen. De relatie tussen iedereen was erg goed en naast alles wat ik leuk vond aan mijn leven was er mijn liefde voor het zeer hete en kruidige eten dat ik met mijn blote handen van een bananenblad at. Dit is veruit de lekkerste manier van eten.

Mijn vader was al achtenveertig jaar oud toen ik geboren werd in 1931, hij overleed in september 1937 op de jonge leeftijd van vierenvijftig jaar. Omdat ik toen zes en een half jaar oud was en hij vele weken van huis was vanwege zijn werk als reizende verkoper heb ik geen levendige herinneringen aan hem. Ik herinner me hem alleen als een lange kale man met brede schouders, altijd gekleed in een typisch koloniaal pak met "toetoep", stropdas en een wandelstok.

Er is één herinnering die ik nooit zal vergeten: Op een dag nam hij me mee naar de dierentuin en zoals gewoonlijk nam hij zijn wandelstok mee, hij koos een heel mooi uitgesneden exemplaar uit zijn grote verzameling stokken. Dit was een speciale stok waarvan het handvat ook het handvat van een mes was dat in de stok verstopt zat.  Toen we bij een kooi kwamen, waar een grote orang-oetan lag te slapen en tegen het hek lag, besloot mijn vader hem wakker te maken. Met zijn stok probeerde hij hem wakker te maken en toen hij wakker werd nam hij de stok met één grote hand vast en liet hem niet los. Mijn vader probeerde, met de hulp van twee andere mannen en hard te trekken om de stok terug te krijgen, maar de orang-oetan was sterker. De bewaker kwam helpen en stapte in de kooi en vertelde de aap om hem de stok te geven. De orang-oetan trapte eerst op de stok en brak hem in twee stukken voordat hij hem aan de bewaker terug gaf.  Tot geluk van mijn vader brak de wandelstok onder het mes, anders had hij grote problemen gehad. Dat is alles wat ik mij van mijn vader herinner en pas vele jaren later besefte ik wat het betekent om zonder vader op te groeien.

Na het overlijden van mijn vader begon een nieuw, zeer moeilijke periode voor mijn moeder. Ze was een weduwe met twee kinderen in een Nederlandse kolonie zonder dat ze de Nederlandse nationaliteit had en de taal goed kende.

Moeder werkte in een vrij grote moderne damesmodezaak, eigendom van een oud Duits joods echtpaar, de heer en mevrouw Joseph, die geen kinderen hadden. Ze probeerden moeder te helpen door haar de baan te geven, maar blijkbaar zaten Ruth en ik hen in de weg, dus er was niet veel hulp, integendeel, ze werden heel gemeen tegen ons. Ik herinner me nog de namen van de dames die met moeder werkten en veel jonger waren dan zij. Onder hen was een hele jonge dame, een paar jaar ouder dan Ruth en ze werden vrienden, haar naam was Leny Vecht. Ze woonde niet ver van ons vandaan en kwam vroeger elke ochtend moeder ophalen om samen naar het werk te gaan op ongeveer een kwartier lopen van ons huis.

Niet veel later, met het uitbreken van de oorlog, verloren we alle contact met haar.

Het was ongeveer 8 of 9 jaar geleden dat ik een echte verrassing kreeg toen ik in kibboets Gal-Ed samen met haar, nu onder de naam Varda, bij de koeien ging werken om ze te melken. Ze is enige tijd later getrouwd en verhuisd naar Regba, dat ongeveer 5 km van mijn woonplaats ligt, dus ons contact is volledig vernieuwd en hersteld. Helaas is ze twee jaar geleden overleden.

Om mijn moeder in staat te stellen om te sparen, zijn we bij een ander gezin (Stern) ingetrokken, het waren Joodse vluchtelingen uit Duitsland. Het was een vrij klein appartement voor maar liefst acht personen, wij woonden met z'n drieën in één kamer en zij waren met z'n vijven: de man en vrouw, z'n alleenstaande broer en de zoon en dochter van het echtpaar die ouder waren dan Ruth. Het was niet ideaal, maar dat was voor mijn moeder de beste oplossing om naar het werk te kunnen blijven gaan terwijl we een huis hadden en een beetje verzorgd werden.

In diezelfde periode begon moeder alles in het werk te stellen om haar zus Henny en haar moeder uit Duitsland en de Duitse nazi-klauwen te krijgen die een bedreiging vormden voor de Joodse bevolking.

Het was alsof ze vocht voor haar eigen leven, toen de instellingen die haar aanvraag behandelden haar niet wilden helpen of erg onvermurwbaar en traag waren in het geven van de zo veel gevraagde vergunning. Ze waarschuwden haar, dat als ze door zou gaan met het beledigen van de Führer van een bevriend buurland (van Nederland), ze misschien zouden overwegen haar te arresteren en haar niet zouden helpen met haar verzoek. Het was 1938 en mijn moeder noemde die toenmalige “bevriende” staatsman (Hitler), een beest. Uiteindelijk werden de vergunningen verleend en verliet tante Henny Amsterdam op het schip de Marnix van Sint Aldegonde op 24 september 1938 en Oma (oma) vertrok op hetzelfde schip op 3 mei 1939 en kwam rond 1 juni 1939 aan in Tanjung Priok, de haven van Batavia.

Zodra Henny was aangekomen verhuisden we naar een groter huis en dat was voor mij een grote opluchting omdat de vader van de Joodse vluchtelingen, met wie we een appartement hadden gedeeld, vond dat hij als vervangende vader voor mij moest optreden, wat ik niet leuk vond. Ten eerste vond ik hem niet aardig en ten tweede hield ik niet van de strenge Duitse mentaliteit en hij was een zeer strenge man zoals alleen Duitsers van die tijd dat konden zijn.

We namen een groter huis zodat we ook kamers konden onderverhuren. Henny was verantwoordelijk voor het huishouden terwijl moeder in de winkel bleef werken. Tante Henny was ook een uitstekende kok, wat hen deed besluiten om een soort cateringbedrijf te beginnen.

Het was mijn taak om elke dag na schooltijd 8 tot 10 maaltijden op mijn fiets te bezorgen in alle richtingen van de stad. Toen Oma zich bij ons aansloot werd ze een grote hulp voor Henny bij de dagelijkse huishoudelijke taken.

De vier kamers die we verhuurden werden altijd bezet door verkopers of piloten die na een vlucht van vier dagen uit Nederland kwamen. De dreigende oorlog in Europa en de atmosfeer was in de lucht en steeds meer vluchtelingen kwamen in Indië aan. Al snel werden alle kamers bezet door deze vluchtelingen, maar ze bleven niet lang, omdat ze vaak door gingen vanwege hun werk of om andere redenen.

Vanaf het moment dat we bij de familie Stern introkken veranderde er veel in mijn leven.

Hoewel mijn eigen ouders van Duitse afkomst waren, raakten ze al snel geacclimatiseerd en gewend aan de lokale gebruiken en de mentaliteit in Indië. Dit waren de Nederlandse kolonialen, de Sundanezen en de zogenaamde inheemsen. Hun gedrag werd door ons kinderen overgenomen. Dit veranderde ineens met de Duitse houding van Stern, want vader Stern dacht dat hij nu verantwoordelijk was voor onze opvoeding, want we hadden geen vader en een moeder die het grootste deel van de dag aan het werk was. Ik was pas zeven jaar oud, maar ik hield niet van hem en zijn strenge Duitse opvoeding, dus ik was halsstarrig en volgde zijn bevelen niet op.

Zelfs met de komst van Henny en Oma veranderde dat niet veel en moest ik de Indische manier van leven loslaten, of ik het nu wilde of niet. Dat was ook de tijd dat ik dichter dan ooit bij het Jodendom kwam. Elke vrijdagavond nam Oma me mee naar de synagoge, wat niet meer was dan een hele grote gehuurde kamer, maar die was groot genoeg voor het kleine aantal joden in de stad. Asjkenazim baden samen met Sefardim en iedereen die een Jood was, dus het lawaai was vreselijk, want iedereen bad en zong zoals hij het gewend was. Daarnaast nam ik deel aan zondagse les voor kinderen van alle leeftijden om wat Hebreeuws te leren en lessen te nemen over wat een goed Joods kind zou moeten weten. We begonnen thuis met het aansteken van kaarsen voor Sjabbat en vierden de joodse feestdagen. Oma was verantwoordelijk voor een grote verandering in mijn leven die niet altijd naar mijn zin was, maar wat kon ik doen ? Zij, met de hulp van Henny, of was het Henny met de hulp van Oma waren het die de huisregels maakten en wij moesten ons daar aan houden. Henny was een oude vrijster en had nog nooit met kinderen te maken gehad.

In mei 1940 veroverden de Duitsers ook Nederland en bezetten ze het land. De Nederlandse bevolking in Indië kon niet geloven dat zo'n tragedie hun vaderland kon overkomen en dat het in slechts vijf dagen tijd was volbracht. De Nederlands-Indische overheid arresteerde alle Duitse mannen, inclusief de Joden, onmiddellijk.  Deze mensen waren ergens ondergebracht en na een tijdje werden de meeste Joden weer bevrijd, met uitzondering van de twee broers waar we mee samenwoonden. Enige tijd later hoorden we dat al die mannen gedeporteerd waren naar Brits India, het huidige India. Pas na de oorlog hoorden we dat de twee broers op een van de twee boten zaten die gebombardeerd waren door wat het lijkt op Duitse onderzeeërs.

Tilly'heeft de broers Hermann en Erich Stern gevonden onder de slachtoffers die aan boord van de ss Van Imhoff verdronken zijn toen deze op 19 januari 1942 door een japans gevechtsvliegtuig werd getorpedeerd. 

In 1942 wordt bij de kust van Sumatra het Nederlandse stoomschip Van Imhoff, dat honderden Duitse krijgsgevangenen vervoert, door een Japans vliegtuig gebombardeerd en tot zinken gebracht. De Nederlandse kapitein besluit zichzelf en zijn bemanning te redden, maar laat de 477 Duitsers verdrinken. Na de oorlog wordt het verhaal in Nederland zorgvuldig in de doofpot gestopt.

De oorlog in Europa bracht veel problemen in Indië met zich mee; veel vluchtelingen kwamen uit heel Europa, uit het westen en het oosten, voornamelijk joden. Ook kwamen drie joodse gezinnen uit Palestina naar onze stad. De ironie van het lot is dat ik op een dag in december 2003 op één van onze groepsbijeenkomsten voor ex-Indië-burgers, die drie tot vier keer per jaar samenkomen, een vrouw ontmoette, nu zeventig jaar oud, dat indertijd als meisje uit Palestina kwam.

Omdat veel artikelen uit Europa werden geïmporteerd, zoals medicijnen en voedingsmiddelen, werden deze schaars en waren ze niet meer beschikbaar.  Ik miste niets; ik was blij met wat ik had en was te jong om te begrijpen dat er een probleem was.

Mijn grootste probleem deed zich voor op de dag na het begin van de oorlog in Nederland. Toen ik 's morgens naar school kwam en we de klas binnenkwamen en onze gebeden zongen (het was een zeer religieuze christelijke school) vroeg de leraar aan de klas: "Wie is Duits?". Toen geen van de kinderen deze vraag beantwoordde, wees de leraar naar mij en zei: "Heinz, jij bent Duitser! (Heinz is een typisch Duitse naam) "Ga uit de klas en ga naar de directeur". Ik was geschokt, maar ik stond op en liep de school uit en ging direct naar mijn moeder op het werk. De volgende ochtend gingen moeder en ik samen naar school; ze ging direct naar het kantoor van de directeur. Ze was woedend en spuwde vuur; ik kan haar nog steeds horen schreeuwen tegen de man. Het duurde nog maar een paar minuten toen ze uit het kantoor van de directeur kwam, mijn hand nam en liep twee blokken verder waar we naar de open overheidsschool voor alle rassen en religies gingen. Ik was de gelukkigste persoon in de wereld omdat ik een hekel had aan het ochtend- en eindgebed dat we moesten zingen op de oude school. Op de nieuwe school ontmoette ik vrienden van de zondagsschool, dus ik was geen complete vreemde. Helaas heb ik bij het uitbreken van de oorlog in Nederlands-Indië in 1942 niet eens twee jaar op die school kunnen afmaken.

Een andere vreemde of grappige episode was toen de Nederlandse huurders van mijn moeder eisten dat onze familienaam, het Duits klinkende Silberberg, veranderd werd, anders zouden ze verplicht worden om ons huis te verlaten.  Dus veranderde ze twee letters en het klonk ineens puur Nederlands, het werd Zilverberg.

Op 7 december 1941 verraste Japan het grote en sterke Amerika. Zonder enige waarschuwing kwamen ze, bombardeerden en vernietigden ze vrijwel de gehele Amerikaanse luchtmacht en marine in één van de grootste en belangrijkste Amerikaanse legerbases, Pearl Harbour. In zeer korte tijd beëindigden ze hun missie en verdwenen ze net zo snel als ze kwamen en lieten ze veel Amerikaanse slachtoffers achter. Dat was het begin van de oorlog in het Verre Oosten. Op elf december begonnen de bombardementen op Nederlands-Indië. Bandung had ook een paar aanvallen te verduren, maar die gingen vrij snel voorbij toen het Nederlandse leger zich na drie maanden vechten overgaf.

Slechts één dag na de capitulatie was er geen plaats in de stad zonder een stinkende spleetoog, ze vermenigvuldigden zich als mieren. Bandung was de stad met het legerhoofdkwartier, het herenhuis van de stafchef en alle legerkampen in en buiten de stad. De Japanners bezetten onmiddellijk alle scholen van de Europeanen en maakten er legerkampen van, terwijl de oorspronkelijke legerkampen veranderden in concentratiekampen. Er werden veel nieuwe regels opgesteld, zo mochten kinderen niet meer naar school of studeren, grote kantoren en bedrijven werden gesloten, recreatie- en entertainmentplaatsen hielden op te bestaan; er was geen behoefte meer aan recreatie. De eerste maanden gingen voorbij en langzaam verdwenen de Nederlandse mannen vanaf 14 jaar in concentratiekampen nadat ze het Nederlandse leger naar de hel hadden gedeporteerd. Het was duidelijk dat Duitsers, Italianen en andere Europese geallieerden van Japan, naast de Joden, niet werden vervolgd en zich vrij konden bewegen zoals ze wilden.

Nadat alle mannen van de vrouwen waren gescheiden, werden ze opgeroepen voor een bevolkingsregister. In diezelfde periode werd een bepaald deel van de stad afgesneden van de rest. Een grote hoge omheining van bamboematten, drie bij drie meter groot, werd met veel prikkeldraad aan beide zijden opgehangen, zodat dat gebied in zeer korte tijd veranderde in een getto. In het begin waren er openingen voor de mensen om vrij in en uit te kunnen stappen naar wens. Dit getto was slechts één straat verwijderd van waar wij woonden. Omdat de registratie over alleenstaande vrouwen met of zonder kinderen ging, werd hen verteld dat ze naar dit getto moesten verhuizen, afhankelijk van hun nationaliteit. Al snel was de situatie ondraaglijk en werden vrouwen met hun kinderen, meisjes en jongens tot 13 jaar, samengeduwd en samengeperst. Zodra ze wisten dat ze alle Nederlanders en geallieerden in het kamp hadden geregistreerd en beveiligd, sloten ze de weinige openingen af en werd er geen enkele beweging meer in of uit toegestaan. Het kamp werd Kareës genoemd.

Toen mijn moeder aan de beurt was om zich in te schrijven, werd ze opgeroepen om naar het gemeentegebouw te komen en kwam ze heel snel terecht in een gesprek tussen de Japanse ambtenaar van de burgerlijke stand en de Duitse adviseur. Op de vraag waar mijn moeder was geboren, antwoordde ze Duitsland; deze informatie deed de Duitse adviseur opspringen. Hij stond erop dat het woord jood werd toegevoegd, maar de Japanners waren het daar niet mee eens. Het idee van de Duitser was om mijn moeder ook in de Kareës te laten interneren. De Jap wilde dat mijn moeder een broche met hakenkruis zou dragen, maar de Duitser was het daar niet mee eens en mijn moeder wilde dat zeker niet, maar ze hebben haar mening nooit gevraagd. Na eindeloze discussies was de oplossing dat mijn moeder een broche met rode, witte vlakken en rode vlag zou dragen, dat staatloos betekende.

Gelukkig, of niet, we konden uit het Kareës kamp blijven, maar we hadden geen rechten. Moeder bleef in de damesmodezaak werken, hoewel er nauwelijks klanten waren. Ik denk dat het ongeveer een jaar duurde voordat de winkel volledig gesloten werd. De catering stopte, want er was niemand om voor te koken, ook de verhuur was er bijna niet meer, er waren nog maar drie huurders over, oudere joodse Duitse vluchtelingen.

Moeder en Ruth, die toen zestien jaar oud was, begonnen een bedrijfje in het naaien van bh's voor de plaatselijke middenklasse- en hogere klasse vrouwenvereniging. Oma hielp een handje mee wanneer dat nodig was.

Ik was elf en toen al mijn Nederlandse vrienden weg waren, voelde ik me helemaal alleen. Er waren nog een paar Duitse jongens over, maar mijn familie vond het niet leuk dat ik bevriend met hen was, dus ik werd bevriend met de lokale jongens in de kampongs. De scholen waren dicht en het was verboden om les te geven. Ondanks dat vond moeder iemand om mij les te geven, maar altijd voor korte periodes, omdat die leraren na korte tijd om een of andere reden verdwenen en moeder dan weer moest zoeken naar iemand anders.

Op een dag kreeg ik les van een jonge vrouw uit Ambon. Ambon is een eiland ten oosten van Java, de huidskleur van de bevolking daar is erg donker, misschien wel de donkerste van alle eilanden. De Ambonese bevolking was erg trouw aan de Nederlandse koninklijke familie en als zodanig dienden veel van de mannen het KNIL. Het dienen in het Nederlandse leger overzee betekende dat elke soldaat recht had op een zes maanden durende vakantie, om de zes jaar met zijn familie naar Nederland. Zo ook de vader van mijn nieuwe onderwijzeres. Als Nederlandse soldaat ging hij met zijn vrouw naar Nederland en in die zes maanden werd hun dochter geboren, die jaren later mijn lerares werd, maar dat duurde niet lang.

Op een dag, terwijl ze mij rekenles gaf, kwamen twee kempetai-soldaten, schreeuwend en blaffend het huis binnen en betrapten ons en bevalen ons om op te staan en hen te volgen. Alle pogingen van de lerares door uit te leggen dat ze mij alleen maar rekenen leerde zodat mijn moeder me naar de markt kon sturen om de boodschappen te doen, hielpen niet. Er werden geen excuses aanvaard en we werden naar het kempetai-hoofdkwartier gebracht voor ondervraging.  We werden eerst samen verhoord en later gescheiden ondervraagd. Dit was de laatste keer dat ik haar in mijn leven gezien heb.

Toen we nog samen werden verhoord, werd haar gevraagd waar ze was geboren; haar antwoord was "Amsterdam". "Aha, dus je bent Nederlands!" "Nee zei de lerares, ik ben Ambonees." Deze ruzie ging verder, ja Nederlands nee Nederlands en toen zei ze ineens: "Jezus is in een schuur geboren, maar was geen koe".  Ze begrepen deze redenering  niet en we werden van elkaar gescheiden en ik werd naar een andere kamer gebracht. Het meisje was het type lerares waar iedere leerling verliefd op word, en ik was zeker een van hen. In de andere ruimte werden dezelfde vragen gesteld aan mij en ik gaf hen dezelfde antwoorden. Ze waren niet erg tevreden met deze antwoorden en besloten de tactiek te veranderen. Ze begonnen me te slaan met een stok op mijn onbeschermde kont. Het duurde niet al te lang, maar voor mij wel lang genoeg. Ik was erg blij toen ze me weer meenamen en me dit keer verplaatsten naar een heel klein kamertje, helemaal leeg op een dunne bamboemat na. Ze gooiden me naar binnen en zonder een woord te zeggen ging de deur op slot en werd ik alleen gelaten. Ik begreep dat dit mijn eigen privé-kamer zou worden voor de nabije toekomst. Wat er voor mij overbleef omdat er niet veel licht in de kamer was besloot ik te gaan liggen en te proberen wat te slapen. Ik voelde me niet op mijn gemak vanwege mijn brandende kont, maar dat was niet het grootste probleem dat ik niet in slaap kon vallen.

Al snel realiseerde ik me dat ik enkele partners in de mat had die bij mij wilden slapen onder de naam bedwantsen. Ik pakte de mat op en schudde hem en de insecten vielen er als regen uit, en verpletterden ze vervolgens. De geur, oye, de stank ervan was ondraaglijk, tot vandaag kan ik ze ruiken. Genoeg!

Na vier dagen zonder enige vorm van ondervraging of verstoring sturen ze me ineens naar huis. Thuis wist mijn familie waar ik was, omdat de ouders van de lerares hen dit hadden verteld, maar er was geen enkele mogelijkheid geweest om me vrij te krijgen. Na deze episode had ik geen les meer. Ik begon rond te dwalen, op zoek naar een soort beroep of werk, maar wie wilde nou een klein blank kind helpen. Ik vond iemand die stinkende zeep maakte, blokken van 8 bij 8 cm. Ook iets wat boter zou moeten zijn, en met die twee te koop aangeboden artikelen reed ik rond op mijn fiets om wat geld te verdienen. Mijn belangrijkste gebied was waar de zogenaamde witte beestjes, de nakomelingen van de Nederlanders en inheemsen, zoals ze door de Nederlanders werden genoemd woonden.

Deze verkopen maakten me niet rijk en ik probeerde meer dingen te verkopen, maar het was geen groot succes. Hier en daar hoorde ik geruchten dat een groep grotere jongens met een grote uitdaging bezig waren. Er werd mij verteld dat ik naar een bepaalde plek bij de poort van het Kareëskamp moest gaan en dat een vrouw mij zou vertellen wat ik dagelijks moest kopen en terugbrengen. Ze gaf me geld en valse bonnen voor de melkdistributie en ik moest haar bestellingen laten vullen. Elke dag kwam ik naar dezelfde plaats, een soort gat in de omheining, en bracht dezelfde vrouw alles wat ze vroeg, wat ik ook maar kon krijgen, en dan gaf ze het door aan de vrouwen in het kamp.

Het is duidelijk dat we heel voorzichtig moesten zijn om niet gezien te worden door de bewakers. Ik moest 's morgens heel vroeg opstaan om bij de eersten te zijn die in de rij stonden om melk te halen. Het gebeurde om de zoveel tijd dat we op melk stonden te wachten en er geen melk was of ik kreeg slechts een beperkte hoeveelheid en niet genoeg voor alle bonnen die ik had, dit naast vele andere redenen. De meest gezochte artikelen waren zoals eerder genoemd, melk, brood, groenten en af en toe medicijnen als die beschikbaar waren. Er was veel te doen en rond te rennen, maar het gaf me veel voldoening, hoewel ik er geen vergoeding voor kreeg. Alles verliep lang gladjes, totdat op een dag, nadat de bewakers me blijkbaar lang hadden gevolgd en ze zich tot dan toe hadden verstopt, me in een hinderlaag hadden gelokt en te midden van de transacties naast me stonden. Dat was het einde van mijn hulp of bijdrage aan die vrouwen die in het kamp waren opgesloten.

Ik werd naar het kantoor van het kamp gebracht en ondervraagd, later duwden ze me in een auto en brachten me naar een sportveld niet ver van mijn vorige school, waar we gewend waren onze gymnastiek- en sportlessen te volgen. Ik was erg bang toen we die plek bereikten, omdat het al een slechte naam had en bekend stond als de plek waar mensen in het openbaar werden gemarteld om de bevolking te laten zien wat er kan gebeuren met iemand die zich niet volgens hun regels gedraagt. Er werd niet gepraat, mijn handen werden achter mijn rug vastgebonden met een touw en daarna vastgebonden aan een tak boven mijn hoofd. Het deed me geen pijn, maar het was zeker niet comfortabel. Ik weet niet hoe lang ik daar stond, maar elke minuut was eindeloos en ik stelde me voor dat dit mijn einde was, zoals ik daar eerder dingen had zien gebeuren. Twee Japannerse officieren kwamen en sloegen mij om de beurt  met hun samoerai-zwaard op mijn rug, billen en benen dat me veel pijn deed en ik denk dat dat het moment was dat ik niet meer geloofde in wie ik moest vertrouwen en geloven. Het duurde niet lang voordat ze me alleen lieten en na een tijdje kwamen ze terug en lieten me los en jaagden me van het terrein af. Het was pas toen dat ik de pijn voelde, maar er waren nog geen tekenen van de mishandeling, dus langzaam, heel langzaam ging ik naar huis. Een paar dagen later stopte er plotseling een auto voor ons huis en twee Japanse officieren stapten uit en stonden voor onze deur. Ik herkende een van hen omdat het degene was die het genoegen had me te slaan, en zodra hij me zag, gaf hij me een zak met snoepjes, waarna ze net zo snel verdwenen als ze waren verschenen.

Opmerking van Tilly: In tegenstelling tot de nazi's vervolgden de Japanners de Joden in Nederlands-Indië niet omdat ze Joods waren. Er zijn duidelijke overeenkomsten gevonden bij het herschrijven en vergelijken van verhalen dat de Japanners een hoge dunk van de joden hadden, en in sommige delen van Nederlands-Indië werd een soort voorkeursbehandeling aan de joden gegeven. Het duidelijk zichtbaar maken van de Joden door middel van een speldje komt in verschillende verhalen voor. Heinz' moeder, kreeg een speldje om te dragen met een rood-witte vlag en werd ze niet geïnterneerd  omdat ze Duitse was. In een ander verhaal van Oded Cohen staat ook de vermelding van een speld die aan zijn vader is gegeven. Deze speld in ingelegd met blauw en witte emaille, en het belangrijkste detail is een Davidster in zilver. Boven het het blauwe emaille  is het woord yijuuuu (Jood),geschreven in Katakana gegraveerd. Waarschijnlijk is dit gegeven om op te spelden aan zijn Joodse vader,l die als Nederlander geïnterneerd was in een concentratiekamp, om hem een iets betere behandeling te geven. Deze hypothese van voorkeursbehandeling is ook terug te vinden in het boek "het fugu-plan".** Deze theorie zijn we momenteel nader aan het bekijken en zal een eventuele update daarover nog worden geplaatst. Het interessante aan de speld is dat je meteen zou denken dat dit Israëlische vlag voorsteld, maar bedenk je dan dat de staat Israël pas in 1948 is opgericht. Een dan een ander volstrekt tegenovergesteld voorbeeld is dat in Soerabaja d de Nederlandse Joden gearresteerd door de Japanners, onder invloed van Duitse officieren, die tijdelijk in de haven aangemeerd zijn. Hier werden de Joden bijzonder slecht behandeld. Ze werden opgepakt op basis van een ledenlijst van de Joodse gemeenschap. Meer hierover in het verhaal van Benno van der Velde.


Moeder liet me niet toe om verder te werken of dingen te doen buiten het huis. Omdat drie van de vier bedienden die we thuis hadden waren ontslagen en er veel huishoudelijk werk te doen was, werd het mijn dagelijkse taak om de vloeren van vier slaapkamers en de grote zit-eetkamer elke dag schoon te maken. In die tijd werd het schoonmaken van de vloeren nog op je knieën gedaan. Het duurde niet lang voordat ik werd opgeroepen om naar een bepaald kantoor te komen en toen ik daar eenmaal was, kreeg ik de opdracht om me te melden bij het kamp waar ik werd betrapt. Het was op dezelfde dagen dat alle vrouwen en kinderen, die in het kamp zaten, werden overgeplaatst naar andere concentratiekampen, voornamelijk in Batavia en sommige ook elders.

Ik weet het niet meer precies, maar dit was de periode dat Oma besloot dat ik bar mitswa moest worden, hoewel er geen joods leven meer was in de stad en er geen joodse mannen meer waren. Dit is de reden dat ik nooit de parasha- Thorah lezing heb gedaan, maar dat ik alleen maar wat gebeden of zegeningen heb gezegd met een paar vrouwen om me heen. Dit alles om mijn oma een plezier te doen, want het maakte voor mij geen verschil en was ik net zo gelukkig of niet als voorheen.

Op het moment dat ik me bij het kamp meldde, kreeg ik de opdracht om me bij een groep andere grotere jongens aan te sluiten om het kamp op te ruimen en alle spullen die overbleven op één plaats te verzamelen en later het hek af te breken.

Elke ochtend en elk eind van de dag moesten we ons melden. Eenmaal per dag hadden we een pauze om het voedsel te eten dat ze ons gaven en dat bestond uit rijst gedrenkt in een of andere vreselijke soep. Het kostte ons bijna twee maanden om deze klus te klaren en we waren blij om naar huis te gaan, en vrij te zijn van alle straffen die we dagelijks moesten ondergaan, zoals klappen met stokken en een uur lang op één plek in de zon staan. Deze vrijheid duurde niet lang, want niet veel later kreeg ik de opdracht om op een plek onderdelen te knippen en aan elkaar te plakken uit vellen rubber om sandalen te maken. Dat was geen gemakkelijke klus; rubber knippen met een schaar en na een paar weken had ik erg rode gezwollen ogen. Blijkbaar gaf de lijm wat giftige dampen af die mijn ogen aantastten. Dankzij de inheemse arbeidsmanager die me naar een andere overplaatste werd mijn oogprobleem opgelost. Ik vergat te vermelden dat als iemand zich tot een Japanse soldaat of bewaker wenste te wenden, hij moest gaan staan, buigen en dan pas verder mocht gaan. 

Er was geen radio en geen enkel contact met de wereld buiten Bandung, maar de geruchten waren eindeloos. Elke dag hoorden we dat de Amerikanen Indië bereikten en binnenvielen, maar niets van dat alles was waar en dat ging twee jaar lang zo door. Later, ook al was Europa bevrijd, wist niemand van ons daar iets van, er was hier nergens een teken van, totdat de zaken plotseling veranderden en de regels losser werden en de Jappen hoffelijker en beleefder werden. In die tijd was het moeilijker om aan voedsel te komen, de rijst was al lange tijd gerantsoeneerd, maar nu werden de hoeveelheden die we kregen bij elke verdeling minder.

Toen werd Japan uit het niets gebombardeerd. We wisten niet door wie, wanneer en waar. Later hoorden we dat Hiroshima gebombardeerd was. Er gingen weer een paar dagen voorbij toen we de Nederlandse koningin Wilhelmina op de radio hoorden spreken en de verklaring van het einde van de oorlog en de capitulatie en overgave door de Japanners aankondigde.

Dezelfde toespraak werd op papier gedrukt en geplakt op muren, bomen en verspreid over de hele stad. In haar toespraak had ze het belangrijkste verzoek aan alle burgers dit was om "het recht niet in eigen hand te nemen en alles te laten zoals het is, totdat de geallieerden het land zouden binnenkomen, en de Japanners de heerser zouden zijn". Vanaf dat moment waren zij degenen die ons moesten beschermen tegen elke onvoorziene oproer van de inheemse bevolking die door de Japanners werd gesteund. Blijkbaar hebben de Japanners Ahmed Soekarno bevrijd, de strijder voor de vrijheid van het Indonesische volk en de bevrijding van het land, die lang voor de oorlog door de Nederlandse regering gevangen werd gezet vanwege zijn radicale nationale activiteiten. Hij werd verbannen naar een gevangenis op een verlaten eiland. Het was dezelfde Soekarno die van de Japanners de aanstelling kreeg om de onafhankelijkheid van Indonesië uit te roepen.

De eerste geallieerde strijdkrachten die Bandoeng binnenkwamen, een maand na de overgave van de Japanners, was het Britse leger. Niet ver van Bandoeng, in een zeer kleine stad genaamd Cimahi, waren er vooral voormalige Nederlandse legerkampen die waren omgevormd tot concentratiekampen voor alle burgers. Het duurde niet lang voordat de jonge geïnterneerden en degenen die nog enige kracht hadden het initiatief namen en de kampen verlieten om op zoek te gaan naar hun familie en bezittingen. Het was erg moeilijk om hun vrouwen en families te vinden, omdat de meesten naar veel verder weg gelegen delen van het land waren gedeporteerd. Er waren geen lijsten met namen waar ze de verblijfplaats van hun familieleden konden opzoeken. De meeste huizen en eigendommen werden bewoond en in beslag genomen of in de handen van mensen die daar niet hoorden. Onder de duizenden jongeren die eruit kwamen was een negentienjarige, de enige zoon van een familie met dezelfde achtergrond als mijn ouders. Ze waren ook joods en uit Duitsland en waren bevriend met mijn ouders geweest toen we allemaal in Soerabaja woonden. Een of twee keer per jaar kwam die jongen voor zijn vakantie naar ons in Bandoeng, omdat zijn ouders gescheiden waren en zijn moeder in Nederland woonde. Omdat hij niet wist of we nog in Bandoeng woonden, probeerde hij ons te zoeken en vond hij ons. Hij was Ruth's leeftijd en zijn naam was Heinz zoals ik, hij verbleef bij ons wat soms wat problemen veroorzaakte omdat hij dezelfde naam had, maar vijf jaar later werd hij mijn zwager.

Mannen die uit de kampen kwamen dwongen en duwden de Japanners langzaam aan de kant en namen de leiding in eigen hand. Het was een hele vreemde situatie, de Nederlanders en Japanners vochten aan de ene kant tegen de Indonesische inheemsen en hun rellen en aan de andere kant hielpen diezelfde Japanners de opstandelingen met het leveren van wapens en munitie. Langzaam druppelde het Britse leger de stad binnen met hun Indiase eenheden, terwijl de Indonesiërs al grote delen van de stad Bandoeng in handen hadden. Op een dag kwam mijn vriend Heinz ineens thuis met een klein pick-up busje en vertelde ons dat we zo snel mogelijk moesten handelen en zoveel mogelijk van onze belangrijkste spullen inladen omdat we hier niet veilig waren. Toen we wegreden, zagen we de terroristen aan het eind van onze straat dichterbij komen en alles wat op hun weg was met open zwaarden en messen verbranden en doden.  Wij ontkwamen op het nippertje en heeft Heinz zeker ons leven gered. We reden in de richting van het spoor en passeerden het spoor om een meer onofficiële en veilige omgeving te bereiken. Enkele dagen later zetten de Britten hun Indiaanse eenheden langs de sporen om ons te beschermen tegen het ergste wat er kon gebeuren. Totdat het oppercommando begreep dat het fout ging en er veel mensen omkwamen en ze de bewakingseenheden wisselden. In plaats van de Sikhs, die net als de Indonesiërs moslims waren ons te beschermen, zetten ze de gurkhas op de wacht die de moslims haatten.

Uiteindelijk kwam het Nederlandse leger na een paar weken van verwarring en wanorde naar de stad en ruimde alle extremisten en terroristen op, tot de stad weer open was en we vrij waren om te gaan en staan waar we wilden. We gingen meteen kijken wat er nog over was van ons huis, maar we konden onze ogen niet geloven. Deuren, ramen, meubels, alles was kapot en vernield.  Mijn moeder en  tante hadden wat persoonlijke spullen, die ons dierbaar waren, aan onze Chinese buren gegeven om te bewaren voor het geval dat we door de Japanners geïnterneerd zouden worden. Twee dozen met zilveren bestek, kristallen vazen, de postzegelverzameling van mijn vader, die later voor mij bestemd zou zijn, en nog veel meer. De meeste van deze spullen zijn verloren gegaan of door de vandalen gebroken en in kleine stukjes gescheurd. Langzaamaan werden de dingen in de stad georganiseerd en begon alles weer te functioneren. Er was weer een  bevolkingsregistratie, maar deze keer was het alleen maar positief, hoewel het erg moeilijk was om een exact beeld te krijgen van de stand van zaken, omdat er nog steeds mensen rondzwierven.

Tegen die tijd kwamen honderden mannen, vrouwen en kinderen naar de stad om familie te zoeken teneinde met hen herenigd te worden. Maar er gebeurde ook  het tegenovergestelde en veel mensen vertrokken om hun geluk in andere plaatsen te zoeken of ze vertrokken uit Indië naar Nederland op dezelfde schepen die het Nederlandse leger naar daar brachten. De meeste mensen die teruggingen naar Nederland bleven uiteindelijk daar, maar velen bleven slechts kort en keerden terug voor familie- of zakelijke doeleinden. Hoewel we in een klein huisje woonden, kwamen drie van onze oude huurders naar ons terug, een bejaard echtpaar en een wat oudere vrijgezel. Deze vrijgezel werkte in hetzelfde bedrijf waar mijn vader vroeger had gewerkt en kwam vaak bij ons logeren. Wat ik niet wist was dat er, voordat hij werd geinterneerd, er een romance tussen mijn moeder en hem was opgebloeid. Op 17 januari 1946 trouwden ze in de gemeente en mijn moeder werd Rosa Grootkerk, echtgenote van Jonas Grootkerk, een man met een solide Nederlandse joodse naam. Jonas is geboren en getogen in het getto van Amsterdam en zoals zoveel joden was hij diamant- en juwelenhandelaar. Hij was een goede man, zeker voor mijn moeder en deed zijn best om een goede vader te zijn voor haar twee kinderen, wat geen gemakkelijke taak was voor iemand die nog nooit kinderen had gehad. Ruth, die toen negentien jaar oud was begreep de  verandering in onze status,  maar ik, de kleine Heinz, de kleine, bijna vijftienjarige, rakker, paste zich niet zo snel aan de nieuwe situatie aan en was het niet eens met de veranderingen die zich voordeden. Oom Johnny, de naam die hij wilde dat wij voor hem  gebruikte, (hierna O.J.) had de beste bedoelingen om zijn nieuwe familie aan te pakken, maar had veel moeite om mij op het rechte pad te krijgen.

De scholen startte langzaam weer op en het duurde niet lang voordat ze met lessen konden beginnen. Er waren wel een paar hindernissen omdat niet alle leerkrachten gecertificeerd waren, maar ik denk dat ze met het gebrek daaraan hun best hebben gedaan om de kinderen een goede opleiding te geven. Daarnaast was er een groot verschil in leeftijd tussen alle leerlingen. Toen de oorlog begon en de scholen werden gesloten, zat ik in de vierde klas en nu sprong ik naar de zevende klas vanwege mijn leeftijd, niet vanwege mijn opleidingsniveau. De schooluren waren van 07.00 tot 13.00 uur en na school ging ik direct naar het kantoor van het Rode Kruis om mijn werklijst op te halen. Ik stond ingeschreven voor drie soorten werk en die wisselden om de paar dagen. De eerste klus was het verzamelen van het afval in een bepaald gebied, niet erg prettig werk, maar hiervoor kreeg ik een vergoeding of bonus. De tweede klus was een chauffer met een pick-up busje helpen om naar de verschillende nog bestaande kampen  post, pakjes en allerlei andere zaken te brengen aan degenen die de kampen nog niet hadden verlaten om een aantal verschillende redenen. De laatste en de beste klus was voorbehouden aan degenen die de vuilnisophaalklus hadden geklaard, en dat was het assisteren van de fotograaf van het tijdschrift Time and Life. Het werk bestond uit het dragen van al zijn spullen en hem te volgen met het leger, het opruimen van de terroristennesten, en later met hem te werken in het laboratorium om de foto's te ontwikkelen. Het was een spannend, interessant werk en vol actie. Dit was de reden dat veel van de jongens voor dit werk in aanmerking wilde komen. Maar je kwam alleen in aanmerking als je een paar weken vuilniswerk had gedaan, dus ik kreeg de baan. Naast het feit dat het een erg leuke klus was, voelde het bijna als een eer om samen te werken met dhr Thiessen, een grote, zwaargebouwde man, die zo aardig en vriendelijk was.

Jack

Het was juli 1946 toen O.J. op een dag thuiskwam van zijn werk (dezelfde baan als voorheen) en ons vertelde dat hij de goedkeuring had gekregen voor een vakantie naar zijn moederland (Nederland)  met zijn familie, dus moeder, Ruth en ik. We pakten onze koffers en namen afscheid van vrienden en de mensen die we kenden. Uiteraard namen we ook afscheid van oma en tante Henny die op dat moment wachtten op een beëdigde verklaring om de VS in te mogen. Ik heb oma daarna nooit meer gezien, ze werd aangereden door een auto in Rio de Janeiro in 1956 en stierf. Tante Henny ontmoette ik 27 jaar nadat ik afscheid van haar had genomen in 1973 in New York.

Vlak voordat we naar het vliegveld gingen nam O.J. me apart en zei dat ik de volgorde van mijn twee voornamen moest veranderen, de naam Heinz moest vergeten en mij vanaf nu Jack moest noemen. Aangezien ik begreep dat de naam Heinz, in Nederland, zo kort  na de Duitse bezetting een zeer onacceptabele naam zou zijn, stemde ik toe. Het was niet moeilijk voor degenen die mij kenden en ze raakten er snel aan gewend om de naam Jack te gebruiken.

We vlogen naar Batavia en bleven daar een paar dagen totdat ons schip arriveerde. En wat een schip!

Tilly's heeft tijdens haar op de website van 30 dagen op zee  de passagiers informatie van Jonas en Rosa Grootkerk gevonden. Ze reisden aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt die op 25 juli 1946  uit Batavia vertrok en op 23 augustus 1946 in Amsterdam aankwam. In die tijd werden de namen van kinderen niet apart geregistreerd aan boord.

Voor de oorlog was het het grootste luxe schip van Nederland. Aan het begin van de oorlog was het of ver weg van de bommen verborgen of werd het gebruikt als een schip dat troepen vervoerde, zoals dat nu gebeurt. Het schip bracht duizenden Nederlandse soldaten naar Indië en nam dezelfde hoeveelheid vluchtelingen mee naar Nederland. Er zaten zo'n vijfduizend mensen op het schip, bijna geen bemanningsleden behalve de technici en de professionals. Alle andere werkzaamheden werden uitgevoerd door militairen op weg naar Indië of door iemand die sterk genoeg was om een paar uur te werken, op weg naar Nederland. Mijn werk bestond uit het schoonmaken en schrobben van één van de dekken, samen met andere jongens zoals ik in de vroege ochtend. De rest van de dag moest ik werken in een winkel die belangrijke persoonlijke artikelen aan de passagiers leverde. We sliepen allemaal in hangmatten in een grote opslagruimte, als sardientjes naast elkaar verpakt. Het was warm en het stonk, dus het duurde niet lang voordat ik mijn deken nam en naar het dek ging waar ik veel van mijn maatjes slapend aantrof. Omdat ik nog nooit eerder de zee had gezien, was het heel bijzonder om naar de horizon te kijken en het water tegen de romp van het schip te horen klotsen. De reis duurde dertig dagen en ook al was er veel spanning en avontuur, dertig dagen was meer dan genoeg. Toen we in Suez aankwamen, hadden we voor het binnenvaren van het kanaal nog een paar dagen pauze. Toen we het dok binnenvoeren speelde een orkest het Nederlandse volkslied, het was erg ontroerend en veel mensen begonnen te huilen. Toen we ons realiseerden dat de muzikanten Duitse krijgsgevangenen waren, waren veel mensen beledigd.

Het was niet alleen vanwege het orkest, maar deze zelfde krijgsgevangenen dienden en hielpen ons gedurende alle dagen dat we aan wal waren. Toen we de boot verlieten, werden we met de trein naar een plaats gebracht die Ataka heet. Hier werden we geregistreerd en kregen we onze nieuwe identiteitskaart. Hierna kregen we kleren en dekens en waren we klaar voor het Europese klimaat. Het was voor het eerst in mijn leven dat ik een lange broek en knickerbockers had. Deze procedure duurde meer dan twee dagen waarna we heel langzaam door het Suezkanaal naar Port Said voeren, waar we nog een korte tussenstop hadden voordat we non-stop naar Nederland voeren.

Na een lange reis van dertig dagen bereikten we uiteindelijk Amsterdam. Er stond niemand op ons te wachten, behalve de autoriteiten. Omdat er niemand was om ons op te vangen werden we naar het strandstadje Zandvoort gestuurd. Een groot hotel was omgebouwd tot een observatiecentrum voor vluchtelingen. Het was begin augustus en nog steeds het zomerseizoen maar met regenachtig weer, dus de stranden waren bijna leeg. Sowieso waren de mensen nog niet aan vakantie toe zo kort na de oorlog. We bleven er een maand totdat O.J. kamers vond in Amsterdam. We woonden bij een typisch Nederlands gezin dat ons drie kamers verhuurde. De woonkamer was op de eerste verdieping en na het beklimmen van een zeer steile trap kwam je in een grote kamer waar mijn bed stond en na het beklimmen van weer een steile trap kwam je in de slaapkamer van mijn ouders en dan weer een trap naar de zolder waar de kamer van Ruth was. Het huis was zo goed als in het centrum van de stad en is in de 17e eeuw gebouwd. In het algemeen zijn huizen met grote kamers en zeer hoge decoratieve plafonds, meer geschikt voor het klimaat hier in Israël.

We bleven niet lang op deze plek, omdat het voor O.J. te moeilijk was om die trappen dagelijks te beklimmen, omdat hij een zieke man was, een overblijfsel van de kampen. Dus we zijn weer verhuisd en hoewel ons verblijf in het nieuwe huis op de derde verdieping was, was de trap veel gemakkelijker bereikbaar en waren de treden korter. Dit en het feit dat alle kamers zich op één niveau bevonden, maakte het veel gemakkelijker. Het mooiste was dat we een echte doucheruimte hadden, niet zoals in het vorige huis waar we door het ontbreken van een douche naar de centrale douche van de buurt moesten. De Nederlanders dachten dat ik gek was om elke dag te komen douchen, maar we waren gewend om minstens één keer per dag een bad te nemen, zo niet vaker in de tropen. Er gebeurde iets vreemds met mij die eerste winter in Nederland, het was ijskoud, zo'n 12 graden onder nul, toen ik in een goede bui uit dat badcentrum kwam en ik me ineens realiseerde dat ik op straat met mijn natte haren liep, toen had ik nog veel haren,  en ze allemaal bevroren waren en dit was op z'n zachtst gezegd een heel vervelend gevoel.                          

Eind 1947 kreeg O.J. te horen dat hij terug moest keren naar Indië en zijn werk daar moest hervatten. Hij verliet Nederland in zijn eentje voor Indië omdat hij dingen wilde regelen en een huis voor moeder en hem wilde organiseren. Moeder zou een paar maanden later bij hem komen, maar het duurde onverwacht een jaar omdat ze ziek werd en geopereerd moest worden. Ze werd meer dan een maand in het Joods ziekenhuis in Amsterdam opgenomen. Ruth en ik waren alleen en moesten voor moeder zorgen. Het ziekenhuis was niet zo ver van ons huis. Trouwens, vanaf het moment dat we in Amsterdam aankwamen kwam Heinz (de jongen die we kenden uit Soerabaja) weer in ons leven en zagen hem bijna dagelijks. Hij woonde om de hoek op slechts vijf minuten afstand. Hij zat in de laatste klas van de middelbare school, studeerde economie en handel en werd Ruth's vriendje.

Terwijl moeder in het ziekenhuis lag, nodigde een van de verpleegsters Ruth en mij uit voor de Seider-avond. We waren erg opgewonden omdat we eigenlijk nog nooit een echte Seider hadden gevierd, maar we hadden geen idee wat ons te wachten stond. We hebben ons mooi aangekleed en zijn naar het adres gegaan dat ze ons gaf; ze opende de deur en was erg blij ons te zien. Ze liet ons binnen en nam ons mee naar de eetkamer. Er was een enorme lange tafel gedekt voor de maaltijd, maar tijdens het rondkijken kreeg ik een heel vreemd gevoel. Het huis zag er zo leeg en kaal uit, alleen een paar foto's aan de muur van oude mannen met baarden. Pas later beseften we dat we het gemeenschapshuis van Agudath Jisrael, de ultra-orthodoxe joden van Amsterdam, binnen waren gegaan. We wisten nog steeds niet wat we konden verwachten en hun gedrag en gewoontes waren zo eigenaardig voor ons. Niemand lette op ons, iedereen had zijn neus in de Hagada*, die alleen in het Hebreeuws was. Niemand deed moeite om ons uit te leggen wat ze aan het lezen waren, op welke pagina van het boek we ons bevonden en het duurde erg lang voordat we eindelijk iets te eten kregen. Het was een zeer lange en zeer saaie avond en we waren blij toen we weer naar huis konden gaan. Ik ben dankbaar en trots te kunnen zeggen dat ik de Seider de afgelopen zesenvijftig jaar in een veel aangenamere sfeer heb gevierd met kennisen en hun gasten  hier in mijn huis in Beit HaEmek.

Aan het begin van het nieuwe schooljaar verhuisde Heinz naar een stad bij de Duitse grens, genaamd Enschede, waar hij zich aansloot bij het instituut voor textiel. Moeder herstelde en tegen het einde van dat jaar keerde ze terug naar Indië. Voordat ze vertrok regelde ze nog een plek voor mij om te wonen, bij een Nederlands Joodse familie waar ik een hekel aan had. Ruth verhuisde naar Enschede om in de buurt van Heinz te wonen. Ik wilde heel graag bij een boerderij voor jonge pioniers gaan werken om me voor te bereiden op een emigratie naar Israël, maar de vrouw die de leiding had over het Joodse bureau, mevrouw Mendes da Costa- Vet, was een vervelende vrouw en wilde mij uitsluiten. Volgens haar was ik niet geschikt om naar Israël te gaan en zeker niet om naar een kibboets te gaan. Ik werd lid van de Joodse jeugdfederatie met de hulp van een andere, dit keer een niet-religieuze, verpleegster van het ziekenhuis waar mijn moeder verbleef. Voordat moeder het ziekenhuis had verlaten, was ik al gestopt met school en was ik in de leer gegaan bij een goudsmid om het vak en het ontwerpen van sieraden te leren. s ‘Avonds ging ik verder met mijn schoolstudie, voornamelijk de talen.

Zo verliep de tijd tot de zomer van 1949, toen ik eindelijk werd aangenomen en me kon aansluiten bij het opleidingscentrum om me klaar te stomen om naar Israël te gaan. Het opleidingscentrum was gevestigd in een huis in een stad genaamd Deventer. We waren een stel jonge mensen van rond de 18-19 jaar en gingen we elke dag, meestal op de fiets,  van het huis naar een boerderij in een straal van 10 km. We leerden de koeien melken met de hand in de open weide want het was zomer, dus de koeien stonden buiten. Het waren lange dagen omdat we 's avonds ook nog het hooi moesten verzamelen en stapelen en de stal. Dit laatste was om de stallen voor de winterperiode klaar te maken. Ik bleef daar zo'n vier maanden tot we uit ons centrum verhuisden en een veel beter onderkomen kregen, omringd door veel land. De meisjes hadden agrarische taken, want er was een grote moestuin voor hen. Ook hier zou ik op de fiets naar de boerderij gaan, maar deze keer was het niet zo aangenaam als voorheen, omdat het een ander seizoen was en het dus regende of sneeuwde. De eigenaar van de boerderij, waar ik meestal alleen werkte, was een slimme man en was voorzitter van allerlei organisaties, waaronder de schaatsfederatie. Als ik 's morgens aankwam, zei hij mij dat ik de koeien moest gaan melken en gaf hij me ook verdere instructies voor de rest van de dag. Dit beston voornamelijk uit het opruimen van de varkensstal en  het wederom handmatig melken van alle vierentwintig koeien 'savonds. Zijn zoon kon me niet helpen, want hij zat in het schaats team. Deze boeren wisten precies hoe dat ze konden profiteren van jonge helpers die als vrijwilliger op hun bedrijf kwamen werken. Mijn beloning voor dit werk was een kopje melk en twee broodjes per dag en de eer om bij de koeien in de stal te mogen eten. Er waren twee centra voor het opleiden van pioniers voor Israël, een in Gouda voor de jongere leeftijdsgroep tot 18 jaar en een voor de oudere waar ik in 's-Graveland, een dorp in de buurt van Hilversum, aan toebehoorde. De jongens gingen naar de verschillende boerderijen in de buurt of ver weg, niet iedere boer was bereid om een jonge joodse vrijwilliger aan te nemen. Vergeet niet dat dit pas drie jaar na de oorlog was en dat de druk en angst die tijdens de Duitse bezetting bestond nog steeds aanwezig was. Daarnaast waren er veel anti-joodse boeren. De meisjes waren dus verantwoordelijk voor het huishouden en de grote moestuin.

s’ Avonds en in het weekend kwamen de jeugdleiders, leraren en Israëlische leden ons lesgeven of lezingen geven. We hadden niet veel privé-momenten en werden het grootste deel van de tijd bezig gehouden. Onder de Israëlische leden was een prachtig uitziende Hebreeuwse lerares en zij stond erop dat we onze niet-Joodse namen zouden veranderen in Hebreeuwse namen. Ik moest de mijne veranderen van Jack in Yaakov, dat beviel me niet en veranderde Heinz in Hanoch. Als je het mij vraagt, had ik vandaag de dag nog steeds liever Jack willen heten. We werden klaar gestoomd om als groep naar Israël te gaan (vandaag zeggen ze "op alyah"). Een groep van vierentwintig meisjes en jongens die zich bij een soortgelijke groep uit Groot-Brittannië zouden aansluiten, waarvan de eerste pioniers al in opleiding waren en zich in de kibboets Kfar Blum acclimatiseerden. De kibboets-beweging leidde ons naar Gal Ed waar we onze training zouden krijgen voordat we in een eigen nederzetting zouden beginnen.

We verlieten Nederland vanuit Amsterdam met de trein, medio augustus 1950, en werden begeleid door vele volgelingen, familie en vrienden. Een week voor mijn vertrek nam ik afscheid van Ruth en Heinz net nadat ze waren getrouwd en we wisten niet dat het zestien jaar zou duren voordat we elkaar weer zouden zien.  Onze eerste stop was Parijs voor een week vakantie en toen zijn we naar het zuiden gegaan naar Marseille waar de boot die ons naar het beloofde land zou brengen, Negbah genaamd, lag te wachten. We ontmoetten een Engelse pionier die deel uitmaakte van de groep waar we ons bij zouden aansluiten. Zijn naam was Ivor Golker die een van onze belangrijkste leden in de kibboets werd.

Hanoch

Kibboets Gal Ed paste bij mij, het was sowieso mijn bedoeling geweest om deze plek  te bereiken vanwege het neefje van oom John, Shlomo Grootkerk, die daar lid was. We kwamen 's nachts in de haven aan en wat was het mooi om Haifa helemaal verlicht te zien. s Morgens stond er een bus op ons te wachten, maar er gingen vele uren voorbij totdat we met alle bureaucratie klaar waren en toen beseften dat het een van de jongens was die een probleem veroorzaakte. Hij had al een probleem verwacht en dat was de reden dat hij aan het eind van de rij stond. Tegen de tijd dat hij aan de beurt was en de authoriteiten zijn naam vroegen, antwoordde hij "Reuven Pots". Iedereen barstte in lachen uit en wilde niet geloven dat dit zijn echte naam was.

Bij het bereiken van Gal Ed werden we verwelkomd door veertig mooie dames, nieuwe immigranten, en met slechts twee dagen in het land zouden ze onze buren zijn. Het enige verschil tussen ons was dat ze op vier benen liepen. Ze waren een nieuwe kudde koeien uit Denemarken, en waren nog steeds in quarantaine, gescheiden van de andere koeien en stonden in een omheining naast ons tentenkamp. Het was niet zo fijn; het was nog steeds zomer en warm, dus we hadden de geur en de vliegen. Onze tenten stonden op een helling aan de rand van de kibboets, er waren nog geen wegen of paden aangelegd dus toen de winter begon, werden we daar ook door geplaagd. Al het water liep recht in onze tenten. Er was geen vaste vloer dus de poten van onze bedden zonken recht in de modder. De zware wind was het ergste, want de tent schudde heen en weer en storte dikwijls in of we vonden hem na een dag werken weggeblazen terug.

We konden niet klagen, want we waren pioniers en dit was de echte plek om te acclimatiseren. Er was nog iets anders, want onze Duitse taal verbeterde. Sommige leden deden absoluut geen moeite om Hebreeuws met ons te spreken, dus ze gebruikten hun voormalige moedertaal. Er werd ons verteld dat we één keer per week Hebreeuws zouden studeren, maar dit werd vrij snel één keer per drie weken en de persoon die ons les zou geven hebben we nauwelijks gezien. Mijn stage was in twee verschillende bezigheden verdeeld. De meeste jongens vroegen om met de koeien te mogen werken, maar er was maar werk voor twee. Ik werd dus de derde persoon die alleen maar  ter vervanging van anderen diende  en mijn hoofdbezigheid werd het werken in de bouwsector. Ik had het geluk om in beide te mogen werken, want dat waren de enige arbeiders die dagelijks een half ei kregen bij het ontbijt. We bleven uiteindelijk vijf maanden in Gal Ed. In de derde week dat we daar waren werden we meegenomen op een reis van drie dagen door het centrum van het land.

We bezochten een kibboets, Givat Brenner, een van de oudste kibbuzim en wat het meest indruk op me maakte was de grote eetzaal. Het belangrijkste was dat er een paar tafels waren gereserveerd voor de leidinggevende leden die niet gestoord mochten worden tijdens hun maaltijd. Hierna gingen we ook eens op een individuele reis samen twee jongens en één meisje. Het was de dag van de vooravond van Simchat Torah, Vreugde van de wet. Jeruzalem was onze bestemming, en we bereikten het vrij snel, hoewel er in die dagen nog niet veel auto's op de weg waren, maar die weinige die er waren namen wel lifters mee. Het lukte ons niet om met z’n vieren tegelijk een rit te krijgen, maar het lukte ons wel twee ritten voor twee personen te krijgen. We zagen elkaar weer in het centrum van de stad. De vakantiesfeer hing in de lucht omdat alle winkels gesloten waren en er geen openbaar vervoer was. Het was laat in de middag en de straten waren leeg, geen ziel te bekennen. Plotseling kwam er een meisje uit het niets naar ons toe en vroeg wie we waren en wat we zochten. We vertelden haar; we zijn nieuwe immigranten uit Nederland op vakantie in Jeruzalem en vroegen haar waar we een slaapplaats konden vinden voor de komende twee nachten. Het meisje zei "geen probleem" en nam ons mee naar haar huis, dat in het rijkere en sjieker deel van Jeruzalem lag, Merhavyah, tien minuten lopen van waar we gestrand waren. Haar ouders waren op vakantie in het noorden en ze was alleen thuis. Ze stelde zich voor als Broriah, een student in de hoogste klas van het Hebreeuwse Gymnasium. Ze gaf ons alles, eten, bedlinnen, handdoeken om te kunnen douchen en later legde ze ons uit wat we zeker moesten zien en waar we heen moesten. We hadden geen beter persoon kunnen vinden, bedankt Broriah, je hebt ons zeker de mooiste kant van Israël laten zien en ontmoeten. Broriah zelf.

Volgens Broriah was dit de perfecte avond om zoveel mogelijk synagoges te bezoeken in Meah Shearim, het ultra-orthodoxe gebied. Het was verbazingwekkend om deze Chasidim te zien dansen, springen en zingen, en natuurlijk hebben ze ons in hun simchah, vreugde,  mee laten vieren. We liepen nog twee dagen rond, niet wetende dat we over een half jaar weer in Jeruzalem zouden zijn voor een langere periode om onze legertraining te doen. Na al het plezier dat we in het weekend hadden, gingen we onze partners ontmoeten met wie we onze toekomst zouden opbouwen. De Engelsen en de Nederlanders zouden naar Beit HaEmek gaan, dit was besloten door de kibboets leiding. Deze kibboets werd opgericht in januari 1949 door een groep Hongaarse pioniers, maar waren er in zeer korte tijd zijn veel van hen weer vertrokken. Tegen de tijd dat we er voor de vergadering kwamen waren er nog maar 20 leden over en dat is wat de kibbutz leiding deed besluiten om ons niet te laten beginnen met een nieuwe nederzetting, maar om ons aan te sluiten bij een bestaande kibbutz die vocht voor zijn bestaan of voortbestaan. Hoe dan ook, vrijdag na het werk kwam er een vrachtwagen om ons naar Beit HaEmek te brengen. Het was in feite geen lange reis, maar in die tijd waren de wegen nog erg landelijk en onderontwikkeld dus duurde het best lang.

De kibbutz Beit HaEmek, want buiten zijn enkele houten hutten waren de rest ruïnes van een  verlaten Arabisch dorp. Als het dan geen nieuwe plek zou zijn dan was dit in ieder geval wel een uitdaging om mee te beginnen. Na onze vrijdagavondmaaltijd te hebben gegen begon het programma met een welkomstspeech in het Hebreeuws van onze gastheer. Onze Engelse vertegenwoordiger hield daarna ook zijn toespraak in het Hebreeuws; we verstonden beide toespraken niet erg goed, omdat onze kennis van het Hebreeuws toen erg slecht was. Daarna was het onze beurt om een paar woorden te zeggen, dus een van ons stond op en sprak iedereen in zijn beste Engels toe en zei hoe blij we waren om hier te zijn en nieuwe vrienden te ontmoeten. Om geen misverstand te laten bestaan over wat wij wilde vertellen stond één van onze meisjes, die van Hongaarse afkomst was op en herhaalde de toespraak in het Hongaars tot verrassing van alle aanwezigen.

Op 1 februari 1951 verlieten we Gal Ed, zoals bij zoveel verhalen over Israël, als er acties werden ondernomen die de ogen van het Britse leger/heerser moesten ontwijken, in de nacht en bereikten Beit HaEmek bij zonsopgang. Wat een opwinding, we hadden ons doel bereikt. In de twee maanden die waren verstreken, sinds we hier voor het laatst waren, was er niet veel veranderd, behalve dat ze erin geslaagd waren om vier nieuwe prefab hutten met elk vier kamers te bouwen. Ze waren nog niet klaar, want er was geen vloer, alleen maar zand, en geen deuren en ramen, maar wie kon het wat schelen, dit was een paradijs in vergelijking met wat we hadden achtergelaten.

Het meeste werk in Beit HaEmek was gericht op het snoeien van de olijfbomen en het schoonmaken van de omgeving. Er waren duizenden bomen en hoewel het veel werk was, dat gedaan moest worden, beschikten we over heel weinig gereedschap omdat er gewoon niet genoeg beschikbaar was. Er was te weinig werk voor het aantal arbeiders dus werden twee groepen geselecteerd om in andere, oudere en grotere Kibboetsen te gaan werken. Diegene die naar andere Kibboetsen gingen zouden dan één weekend om de week thuiskomen. Ik bleef achter en werkte hier in de bouw en hielp met de kudde schapen. Onze Kibboets had tweehonderd kippen en slechts twee koeien. Deze situatie veranderde zeer snel, want vanaf mei van dat jaar tot november moest de Nederlandse groep zich aansluiten bij het leger.

We mochten na een half jaar terug naar onze kibboets, omdat deze plaats erkend was als een grensnederzetting en we dus geen betaalde dienstplicht hadden. Onze rekruteringsperiode was heel bijzonder; ons peloton bestond uit twee groepen, een Nederlandse en een Amerikaanse. Dit waren veteranen van de Koreaanse oorlog en waren een paar jaar ouder dan wij. Ze maakten een grote puinhoop van de training want voor hen was dit soort training kinderspel. We werden dan ook allemaal gestraft voor de manier waarop ze zich gedroegen, maar hebben er wel veel lol mee gehad. Nadat we terugkwamen in de kibboets heb ik mijn werk in de bouw weer opgepakt, totdat ik de leiding kreeg over de opslagfaciliteit waar het werk voornamelijk bestond uit het mengen van het vee- en kippenvoer voor de ondertussen gegroeide hoeveelheid van veertig koeien en tweeduizend kippen. Dit was een lucratieve zaak en deze tak van de Kibboets groeide snel. Tonnen voeder moesten handmatig worden gemengd. Pas drie jaar later had ik een mooi gebouw met machines tot mijn beschikking. Ik droeg veel zware zakken gevuld met graan of ander voer, van de vrachtwagen naar de opslagplaats, om pas later dit voeder weer te mengen en vervolgens naar de klanten te vervoeren. Ik zou er niet van opkijken als alle problemen die ik nu met mijn knie heb, te wijten zijn aan de zware arbeid van die tijd, omdat ik dit werk tien jaar lang heb gedaan.

In 1962 hebben alle kibbuzim in onze omgeving hun krachten gebundeld en een maalderij gebouwd. Dit was niet alleen voor onze 24 kibboetsen, maar ook voor de 90 verschillende nederzettingen in het noorden. Ik kreeg de opdracht om in die maalderij te werken en mijn taak begon, samen met de hulp van Zwitserse technici, met het monteren van de zware machines die vanuit Zwitserland waren gestuurd. Het was een gebouw met negen verdiepingen en omringd door vele silo's. Het duurde zes maanden om de molen te monteren, waarna het slechts één druk op de knop kostte om alle machines aan de praat te krijgen. Wat een verrassing was het dat er elke vier minuten twee ton voer klaarstond. We werkten dagelijks in twee ploegen en dit werd vermeerderd naar drie ploegen tegen het weekend. Na een korte tijd werd ik de productiemanager, een moeilijke maar bevredigende baan. In 1966 werd mij door de directie aangeboden om deel te nemen aan een twee maanden durende studie over het conserveren van graan. Het werd georganiseerd en gesponsord door de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN.

De studie werd gehouden in de grote socialistische unie van Rusland. Ik stemde meteen toe, hoewel Hannah, mijn vrouw, zwanger was. Er was immers genoeg tijd om de aan de studie deel te nemen en op tijd terug te komen voor de geboorte van ons kind. Ik ging niet meteen weg, want het duurde lang voordat we de goedkeuring van de Russische regering kregen. Ik werd vergezeld door iemand van ons ministerie van landbouw. Toen we in Rusland aankwamen was er iemand om ons op te halen en hij bracht ons naar een hotel waar we de deelnemers van de andere landen ontmoetten. Het was een verrassing om te zien dat elk land twee vertegenwoordigers had gestuurd, zoals Egypte, Soedan, Syrië, Iran en Pakistan. Behalve Polen en Joegoslavië waren dit allemaal Arabische landen. Het was aan alle deelnemers om zich in te spannen om een goede relatie met elkaar op te bouwen. Het duurde een maand voordat we de Egyptenaren zover hadden gekregen om met ons te praten en toen het ijs eenmaal gebroken was kon er een relatie tussen alle deelnemers tot stand komen. Deze ervaring, die dus twee maanden duurde, zal ik nooit vergeten.

In november 1952 was er nog een Engelse groep die naar Israël kwam en ze gingen naar kibboets Maayan Zvi, ten zuiden van Haifa aan het eind van de Carmel heuvels en in juni 1953 sloten ze zich aan bij Beit HaEmek. Op het moment dat deze Engelse groep in Maayan Zvi was, was er een andere groep jongeren die daar eerder in 1950 vanuit India was aangekomen. Tegen de tijd dat deze tweede groep daar aankwam, waren de Indiase jongens en meisjes de leeftijd van 18 jaar gepasseerd en mochten ze zelf beslissen welke richting ze op wilden. De meesten van hen moesten het leger in. Sommigen bleven in de kibboets en zijn er nog steeds, maar er was een jong meisje dat besloot zich bij de Engelse groep aan te sluiten om een kibboets van de grond af aan te beginnen. Zo kwam Hannah Daniels, mijn vrouw, naar Beit HaEmek. Het duurde bijna drie jaar voordat ze haar naam veranderde in Hannah Silberberg. We trouwden op 6 januari 1956, het regende de hele dag dus was het een zeer natte vrijdag. Dezelfde dag werd ook de nieuwe eetzaal officieel geopend en gebruikt. Er waren dus twee redenen om iets te vieren en een groot feest te houden. Uit ons huwelijk werd precies op de dag twee jaar later op 6 januari 1958 onze dochter Navah geboren. Daarna werd op 26 september 1964, tijdens de viering van Succoth** onze zoon Leon geboren. Leon was de eerste jongen van de familie Daniels tot grote vreugde van Naomi Daniels, de moeder van Hannah, die hier in de kibboets verbleef. Mijn schoonouders kregen vier dochters, waarna een zoon geboren werd die helaas als peuter overleed bij de epidemieën in India. Ons derde kind, een dochter genaamd Yigal, werd op 6 december 1966 geboren.

De tien jaar dat ik in de molen, Miloubar werkte, vulde ik daar verschillende functies voordat de kibboetsdirectie besloot mij terug naar huis te brengen om, in hun ogen, een belangrijkere positie in te nemen. De timmerafdeling van de Kibboets had een leidinggevende nodig en als zodanig heb ik daar vijfentwintig jaar gewerkt. Met trots kijk ik terug op de resultaten die te zien zijn in de openbare ruimtes zoals de eetzaal, de synagoge, het clubhuis, de hal en alle interieurs van de verschillende huizen in onze kibboets. Met de wijziging van de kibboets kwam de directie tot de conclusie dat de timmerfabriek niet rendabel genoeg was en besloot zij die afdeling te sluiten en ik moest de sleutels van het gebouw overhandigen. Na al die jaren werd ik op een onbeschofte en schandelijke manier ontslagen. Naast het feit dat ik de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, was niemand bereid om mij aan te nemen of werk te geven. Ik voelde me onnodig en ongewenst, maar ineens kreeg ik toch een aanbod uit twee richtingen. Een aanbod was om te komen werken in de biologische industrie voor plantenvermeerdering. Ik heb het aanbod geaccepteerd heb daar de afgelopen negen jaar gewerkt.

Ik hield van het werk en de mensen, die zeer vriendelijk waren, en genoot van elke minuut dat ik daar doorbracht; het was als een tweede thuis voor mij. Helaas gaat het bedrijf vanwege economische noodzaak zijn deuren sluiten en zijn er dertig werknemers ontslagen, waaronder ik. Ik ben dus weer terug naar af, wel gezond maar met twee rotte knieën.

Dit is het einde van mijn vijfenzeventig jaar durende beknopte levensverhaal. Het is niet nodig om er meer aan toe te voegen, want alles is bij velen nu bekend. Mijn leven heeft ups en downs gekend en was gevuld met liefde, plezier en geluk, zowel mijn privé leven als dat met mijn familie. Mijn leven kende ook veel teleurstellingen zoals problemen op het platteland, in de kibboets en op het werk. Samenvattend: het enige waar ik geen enkel moment van mijn leven spijt van heb gehad. Waar ik wel spijt van heb gehad is dat ik mijn studie nooit heb voortgezet, want als ik zou hebben gestudeerd, had ik de kant van muziekwetenschappen zijn opgegaan en in het bijzonder de muziek zelf.

Aan het einde van mijn samenvatting wil ik mijn moeder herdenken, die in 1972 in Nederland is overleden zonder dat ze één van haar kinderen om zich heen had. De gedachte dat ze is overleden zonder dat er een geliefde aanwezig was, laat me niet met rust. Moeder had een moeilijk leven, ze werd op zeer jonge leeftijd weduwe, de strijd om een inkomen te bemachtigen, de strijd om haar familie te redden van de nazi's, het opvoeden van twee kinderen zonder man en dan deze vervloekte oorlog met alle gevolgen van dien. Hierna was ze zestien jaar lang gelukkig getrouwd, maar niet zonder zorgen, want haar man Jonas was erg ziek, overblijfselen van het kamp, en stierf in Nederland in 1966. Mijn moeder werd dus voor de tweede keer weduwe, maar heeft ons een paar keer bezocht in Israel, het laatste bezoek was bij de Bat Mitzvah Navah in 1971.

Tilly's toevoeging: Rosa en Jonas Grootkerk keerden terug naar Nederland met de m.s. Modjokerto. Het schip verliet de haven van Batavia (Tandjong Priok) op 16 maart 1954 en kwam op 23 april 1954 in Rotterdam aan. Overigens was dit een tweede schip met deze naam want de eerste m.s Modjokerto is tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanners getorpedeerd.

Ik wil Ruth herdenken, mijn zus, die op jonge leeftijd van slechts vijftig jaar is overleden. Ze heeft haar drie zonen nooit mogen zien trouwen, om nog maar te zwijgen van het feit dat ze van kleinkinderen heeft kunnen genieten. Ondanks de grote afstand tussen ons hadden we een goede relatie per briefwisseling. Ze heeft haar best gedaan om naar Israël te komen voor de Bar mitswa van Leon, maar een vervloekte ziekte gaf haar die kans niet.

En als laatste herdenk ik mijn enige zwager, Heinz, die zijn naam in Dave veranderde, zodra hij zich in de Verenigde Staten vestigde. Er was geen tweede zoals hij in deze wereld. We waren als broers voor elkaar en voor mij was hij mijn grote broer, hij hield heel veel van mijn familie. Hij was altijd bezorgd dat we iets tekort kwamen. Op weg naar Washington om Leon en Limor te bezoeken, die daar studeerden, werd hij ziek en keerde snel terug naar zijn thuisstad, Vero Beach, in Florida. Hij moest een operatie ondergaan waarvan hij nooit meer wakker werd.

Ik ben erg blij te kunnen zeggen en schrijven dat ik een zeer goede band heb met mijn drie neefjes, hun vrouwen en hun zonen die helaas zo ver van ons vandaan wonen. Dit zijn:

Max, Judy, Jason, Russell en Joseph, die in Wilmington, Delaware wonen.

Rex en Fay die in de staat New York wonen...

Jimmy en Babs die in Union City, Californië wonen

Ik ben erg dankbaar dat we tegenwoordig over telefoon en internet beschikken om in contact te blijven.

Hanoch Silberberg

Beit HaEmek, 25 april 2006

 

Epiloog:

23 september 2013

Er zijn zeven jaren verstreken sinds ik mijn verhaal schreef en sindsdien zijn er veel dingen gebeurd: leuke en trieste dingen. Er is een aanvulling op de vijf kleinkinderen, die ik al had toen ik mijn verhaal schreef, en zijn naderhand gezegend met nog eens 5, dus ja we zijn de grootouders van tien kleinkinderen, ja 10! Behalve dat het te luidruchtig is als we allemaal samen zijn, moet ik niet klagen en het is erg leuk om zoveel kleinkinderen te hebben.

Het enige wat mij bezig houdt en in gedachten heb is wat er de laatste tijd is gebeurd nadat ik twee keer geopereerd moest worden. Door twee keer een anesthesie (verdoving) te moeten krijgen voor de operaties ben ik het grootste deel van mijn geheugen kwijt en dit is een groot probleem voor mij. De oude herinneringen zijn er nog steeds, maar ik heb moeite om de korte gebeurtenissen te herinneren.

De operatie die ik heb gehad was in eerste instantie om een vervangende knie aan mijn linker been te krijgen. Terwijl ik op de operatietafel lag, kreeg ik een hartaanval. De artsen besloten mij de volgende tien dagen bewusteloos te houden en voerden daarna een bypassoperatie uit. Dit is in de zomer van 2012 gebeurd en sindsdien ben ik erg vergeetachtig. Ik heb geen idee wat er met mij is gebeurd en ben ik niet alleen mijn geheugen kwijt maar heb ik ook het zicht van mijn rechteroog verloren wat het nog erger maakt. Het ergste is dat ik geen auto meer kan rijden, wat me nog ellendiger maakt omdat ik afhankelijk ben van anderen om me te brengen naar waar ik moet zijn.  

 Aantekeningen:

 * Haggadah is het boek dat we gebruiken tijdens de Seider avond uit het Boek van Exodus over de Israëlieten die uit de slavernij zijn verlost.

**Het Fugu-plan: Het onvertelde verhaal van de Japanners en de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog 

Als iemand die rijk en machtig is naar je toe komt voor een gunst, dan vervolg je hem niet - je helpt hem. Het hebben van zo'n persoon is een grote verzekeringspolis. Er was een natie die de Joden behandelde alsof ze machtig en rijk waren. De Japanners hebben nooit veel met Joden te maken gehad en wisten weinig over hen. In 1919 vocht Japan naast de antisemitische Witrussen tegen de communisten. In die tijd introduceerden de Wit Russen de Japanners in het boek The Protocols of the Elders of Sion. De Japanners bestudeerden het boek en geloofden, volgens alle verhalen, naïef in de propaganda ervan. Hun reactie was onmiddellijk en krachtig - ze formuleerden een plan om de Joodse vestiging en investering in Mantsjoerije aan te moedigen. Mensen met zoveel rijkdom en macht als de joden bezitten, de Japanners vastbesloten, zijn precies het soort mensen waarmee we zaken willen doen!

*** Hassidim of Chassidim zijn orthodoxe joden die in de tweede helft van de 18e eeuw in Oost-Europa zijn ontstaan. Ze houden zich strikt aan de wetten van Moses.

**** Succoth wordt ook wel het Loofhuttenfeest genoemd.

 

 

Rosa's broer

Erich Borchardt 

Bron: Yad Vashem

Rosa's vader

Louis Borchardt  1854 - 1919

bron: Geni.com

Rosa's broer

Paul Borchardt  1883 - 1969

Bron: Geni.com

Rosa's halfzuster

Henny Borchardt  1920 - 1995

Bron: Geni.com

Rosa's halfzuster

Hilde Borchardt  1907 - 2006

Bron: Geni.com

Geboorte advertentie in het

Soerabajaasch Handelsblad

van 07.02.1931

Passagierslijst van de Marnix van Sint Aldegonde

met Henny Borchardt aan boord in 1938

Passagierslijst van de Marnix van Sint Aldegonde

met Selma Borchardt aan boord in 1939

ss Van Imhoff  een schip van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM)

Bron: Wikipedia

Twentse Dagblad Tubantia

advertentie van de ondertrouw van  Heinz Rosenberg 24 jaar

en Ruth Silberberg 23 jaar

18.02.1950

Ansicht kaart van de  ss Negbah van de Israeli Zim lines

De "nieuwe"  m.s Modjokerto 

Johan van Oldenbarnevelt
Main staircase
2nd class dining room
2nd class music room
1e class music room

Type van pin waar het verhaal over vertelt

Mogelijk de pin die door Rosa werd gedragen en "statenloos" betekent

Links  Hanoch met zijn goede vriend Max Samson die het initiatief nam om de Biografie van Hanoch aan ons toe te sturen.

Mijn vader Albert Alfred Silberberg en moeder Rosa Silberberg - Borchardt

Rosa Borchardt 1897 - 1972

Heinz Silberberg

Heinz, mijn moeder en Ruth

Albert en Rosa Silberberg - Borchardt

Family foto

Maison van der Veen waar mijn moeder werkte in Bandoeng

Mijn zusje Ruth en ik

Rosa, Heinz, Ruth onze auto en de chauffeur

Met Ruth aan de achterkant van ons huis

Heinz en Ruth

Ruth voor ons huis in Bandoeng

Voorbeeld van een wandel stok met verborgen mes

Bragaweg Bandoeng, Maison van der Veen was op nummer 55

Biografie van wijlen Hanoch (Heinz) Siberberg r.i.p

Ansichtkaart van Bad Pyrmont met een overzicht van de stad

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel