Mijn ouders Gerrit de Haas en Hiske Boerstra zijn beiden geboren in Sneek respectievelijk op 10 september 1906 en op 2 mei 1909. Vader en moeder trouwden op 7 januari 1931 voor de Burgerlijke Stand in Amsterdam op de jonge leeftijd van 24 en respectievelijk 21 jaar. 

Er was in die tijd weinig werk in Nederland, daarbij bleken de salarissen in Nederlands-Indië tweemaal zoveel te zijn als in Nederland om mensen aan te trekken daar te komen wonen en werken. Vader kreeg een studiebeurs van de firma Rathkamp & Co met als voorwaarde, dat hij 20 jaar naar de tropen zou gaan om voor het bedrijf te gaan werken. Hij was apotheker. 

De firma is gesticht in 1815 en had zowel in Nederland als in Indië vestigingen. De NV Chemicaliën Handel Rathkamp & Co vestigde al vóór 1865 haar eerste apotheek aan de Rijswijkstraat in Batavia. Deze onderneming groeide uit tot een groep van twintig apotheken die als een lint over een groot deel van de Indische, later Indonesische, archipel lag.

Vlak na het huwelijk vertrok het kersverse paar in 1931 naar Indië.

Vader werd verantwoordelijk voor het opzetten van de vestigingen, het aannemen van personeel en de bedrijfsleiding hiervan. Hij werd de eerste 3 maanden tewerk gesteld in de vestiging in Batavia.

Daarna zijn mijn ouders naar Semarang overgeplaatst. Na 5 jaar in Semarang te hebben gewoond en gewerkt verhuisden zij naar Soerabaja. Hier woonde het jonge gezin voor nog eens 3 jaar waarna ze weer terug naar Batavia verhuisde. Het doel was telkens om nieuwe apotheken op te zetten of bestaande filialen te reorganiseren.

Vader en moeder hadden een zeer goed leven in Nederlands-Indië met veel vrienden uit dezelfde kringen. Hun royale huis dat in één van de Europese buurten stond omvatte een voorkamer, eetkamer, 3 slaapkamers, grote badkamer en een toilet. Er waren ook nog een vóór galerij, achter galerij, extra kamertjes achter het huis die als bergruimte dienden en ruime tuinen zowel vóór als achter het huis.

Ze hadden veel personeel en de huishouding bestond dan ook uit een Kokkie, Kebon (tuinman) Djongo’s (bediendes), Baboe Dalem (bediende binnenshuis), Baboe Tjoeti (wasvrouw) Djait (naaister) een Sopir (chauffeur) en later ook een Baboe Anak (kindermeisje).

Er werden vaak en veel feestjes georganiseerd zoals gebruikelijk bij de gegoede mensen.

Mijn ouders hadden een grote kinderwens en 10 maanden na hun huwelijk op 9 november 1931 werd, in Batavia, mijn oudste broer Gerrit, vernoemd naar vader, geboren. Hun tweede zoon met de naam Lieuwe volgde op 4 juli 1934 en werd geboren in Semarang. Lieuwe werd vernoemd naar zijn maternale opa.

Mijn moeder was huisvrouw en hield zich onder andere bezig met het maken van kleding zoals jurken en maakte af en toe kleine uitstapjes naar de grotere steden om te winkelen. Ze had wel erg veel last van de warmte in Indië  en was daardoor regelmatig ziek. Hierdoor bleven meer kinderen uit.

Het was gebruikelijk dat de Nederlanders die zich in Nederlands-Indië hadden gevestigd elke zes jaar voor zes maanden met verlof gingen. In 1937 gingen onze ouders dan ook op verlof, met het ms Poelau Laut. Dit in 28 december 1928 opgeleverde vrachtschip met passagiers accommodatie van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) voer naar Marseille en vandaar ging men met een speciale en aan de bootreis gekoppelde express trein naar Amsterdam (SMN) of Rotterdam (KRL).

Volgens goed gebruik ging de Baboe Anak (kindermeisje) genaamd Mangan mee op verlof om zich over de kinderen te kunnen ontfermen. Ik kan mij het mij vertelde verhaal nog herinneren dat Lieuwe, toen drie jaar oud, in de bagage rekken  boven de stoelen van de trein sliep.

Het jonge gezin logeerde bij de grootouders van vaders kant in Sneek. De baboe sliep daar, zoals ze in Indië gewend waren, op een matje vóór de kinderbedjes. Oma de Haas vond dit maar vreemd omdat ze absoluut niet gewend was aan inlands personeel. Daarnaast hebben mijn ouders nog een huis gehuurd in Blaricum en reisden mijn ouders ook nog een maand samen door Europa.

Onderweg naar het zuiden ergens in de buurt van Frankfurt kregen zij pech met de auto en duurde het ongeveer 3-4 dagen om de motor te laten repareren. Na nog eens 2 dagen onderweg in Zwitserland te zijn geweest kregen ze op een bergpas een frontale botsing met een Zwitser waardoor zij niet verder konden rijden naar Italië en de auto opnieuw een paar dagen de garage in moest. Gelukkig zou Zwitserland Zwitserland niet zijn als niet de volgende dag al een nieuwe radiateur per trein uit Chur arriveerde.

Eenmaal weer op weg werden mijn ouders bij de Italiaanse grens geconfronteerd met jonge jongetjes in zwarte hemden. Dit waren aanhangers van Mussolini die met hun hand schuin omhoog “Il Duci, Il Duci” riepen. Na een maand te hebben rondgereisd keerden zij terug naar Nederland om in het gehuurde huis in Blaricum verder vakantie te vieren en familie en kennissen te bezoeken. Na een geweldig verlof van 6 maanden keerden ze terug naar Nederlands-Indië vanuit Marseille om hun leven daar te hervatten.                             

Maar toen kwamen de Japanners en brak er een verschrikkelijke tijd aan.

Vanaf april 1942 moesten alle Nederlanders boven de 17 jaar op Java zich verplicht laten registreren. De Japanse bezetters onderscheidden “volbloed” Nederlanders (totoks), Belanda/Euro-Indo’s (gemengd bloed) en volbloed Indonesiërs (inlanders).

Na deze registratie werden eerst de volwassen mannen geïnterneerd. Er werd tijdelijk een uitzondering gemaakt voor mannen die nog enige tijd nodig waren om het openbare leven op gang te houden. In oktober 1942 volgt de internering van vrouwen, kinderen en ouderen in burgerkampen. Zo ook mijn moeder en de twee kinderen die hiervoor nog kort bij familie in Bandung logeerden.

Mijn vader was reserve officier in het KNIL en werd dus als POW (Prisoner of War) naar kamp Tjimahi gezonden.  Kamp Tjimahi lag in het noordelijk stadsdeel van Tjimahi, begrensd door Kampementsweg, Stationsweg (spoorlijn), Gedong Delapan (Racebaan) en Gedong Empat. Later werd hij verplaatst naar een kamp in Indochina, nu Vietnam genoemd.

In 1945 werd hij verplaatst naar Singapore eiland waar hij in het River Valley Road kamp werd geinterneerd. Op 9 februari 1945 werd hij met een zogenaamd Japans Helleschip vervoerd, genaamd de Haruyasa Maru naar Saigon in Indochina, wat nu Vietnam is. Op het schip waren 2530 gevangen waaronder 238 Nederlanders. Eenmaal aangekomen werd hij geinterneerd in het krijgsgevangenen kamp Longthan. Op 2 mei 1945 is hij dan per trein naar Dran vervoerd om dan nog 30 km te voet te gaan naar een ander kamp, in de bergen gelegen, met de naam Dalat ook bekend onder de naam Lien Khieng Khan, Lieng Kiang of het No. 10 Branch Camp. (bron roll-of-honour.org & Japanse krijgsgevangene kampen.nl)

Hierbij een In Memoriam uit de “Kleine Aarde“ (vaktijdschrift voor de farmaceutische industrie) zomer-editie 1974, waarin verteld wordt wat vader o.a. gedaan heeft in het kamp Dalat:

“Wij leerden Dr. de Haas kennen via de Amsterdamse arts Dr. Wulff, die samen met De Haas in een Japans krijgsgevangenkamp heeft gezeten tijdens WO2. De enkele jaren geleden overleden Dr. Wulff vertelde ons eens  hoeveel tientallen Nederlanders in leven zijn gebleven dankzij de grote kennis van Dr. de Haas op het gebied van kruiden, geneeswijzen en voedingsbereidingswijzen.

De Haas was één van die zeldzame wetenschapsbeoefenaars, die -naast een theoretische benadering- de praktijk niet schuwde. Zo bouwde hij onder de primitiefste omstandigheden toestellen, waarmee hij onder meer fermentatie processen kon toepassen, o.a. bij bereiding van tempeh (uit soja bonen).

In het farmaceutisch weekblad van juni 1947 schreef hij hoe hij grote hoeveelheden dedek–extract maakte, soms wel 500 liter per dag. Dedek is een rijstslijpsel, dat door de Japanners werd gebruikt als varkensvoer.

Toen alle manieren om aan dit sterk vitamine B1 houdende slijpsel te komen faalden wist hij de kampcommandant zover te krijgen, dat hij de dedek, die voor de varkens van de Japanners bestemd was, mocht ‘lenen’ voor het maken van het aftreksel mits hij beloofde, dat de varkens er niet op achteruit zouden gaan. Hij beloofde dit onmiddellijk.

Later bleek, dat de varkens geen enkele neiging tot groeien meer vertoonden, maar toen had Dr. de Haas al vele kampgenoten genezen van de beri-beri, pellagera en andere uitingen van ernstige vitamine B tekorten.

Voor deze verdiensten heeft hij na de oorlog eind 1945 uit handen van Lady Mountbatten een Japans zwaard gekregen”.

Mijn moeder ging met haar twee zoons (mijn broers) naar Kamp Tjihapit. Deze internering van de totok-vrouwen en kinderen uit de regio Bandung-Tjimahi (West-Java) begon in november 1942. Ze werden  hoofzakelijk ondergebracht in “Europese” woonhuizen met bijgebouwen, die omheind waren met hoge hekken met prikkeldraad.

In Tjihapit werden alle jongens boven de leeftijd van 11 jaar opgepakt en naar het kamp gestuurd dat aan de overkant van Tjihapit lag. Zo ook mijn oudste broer Gerrit die in juni naar zo’n jongenskamp werd overgebracht. Later werden moeder en mijn broer Lieuwe overgebracht naar kamp Kramat.

In de al wat oudere “Europese” woonwijk Kramat in Batavia (West-Java) werden tussen oktober 1942 en september 1943 voornamelijk “totok-vrouwen” en kinderen uit Cheribon en Batavia e.o.  geïnterneerd. Na een tijd werden ze verplaatst naar het kamp Kedoengbadak bij Buitenzorg.

Dit kamp had tot februari 1944 als mannenkamp gediend en daarna als vrouwenkamp voor geïnterneerden uit Bandung.

Hiervandaan hebben ze vanaf 1943 nog twee jaar in Kamp Tjideng gezeten. Vanaf augustus 1942 fungeerde Tjideng als “beschermende wijk” voor Europese vrouwen en kinderen uit Batavia. Later werd de wijk een verzamelkamp voor geïnterneerden uit geheel Java. Het kamp werd geleidelijk verkleind. Van april 1944 tot april 1945 was kapitein Sonei de algemeen commandant van het kamp.

Konichi Sonei was de beruchte en gewelddadige kampcommandant van Tjideng. Hij was een uiterst labiele man die het leven van de geïnterneerden bewust tot een hel maakte. Sonei was maanziek en zijn wreedste gewelddadigheden vonden vaak plaats bij volle maan. Hij liet kampgevangenen, zelfs de zieken, elke dag aantreden en ze dan urenlang in de volle zon op appél staan. Hij scheerde vrouwen kaal, sloeg ze en voor de hongerige ogen van de gevangenen, want hij rantsoeneerde het voedsel en serveerde hij zijn honden hoogstpersoonlijk spiegeleieren met vlees.

Mijn moeder en Lieuwe woonden samen met 60 mensen in één huis.

Mijn moeder en broer Lieuwe zijn tijdens hun internering erg veel ziek geweest met o.a. dysenterie wat veel onder de geïnterneerden heerste.

Het was door de interventie van Corrie Vonk, de vrouw van Wim Kan, dat Lieuwe bij mijn moeder in het kamp kon blijven. Toen er een Japanner kwam om Lieuwe te halen ging Corrie tussen het kind en de Japanner  staan en zei resoluut “deze jongen blijft hier”!

Na de capitulatie van de Japanners in 1945 kwam eerst mijn oudste broer Gerrit terug met de trein uit het jongenskamp uit Bandung. Via via had hij uitgevonden dat moeder en Lieuwe in Batavia waren en zij werden daar herenigd.

De buurt waar ze zich bevonden werd beschermd door Gurkha’s uit India, want de losgeslagen Indonesiërs begonnen vrouwen en kinderen te vermoorden, althans diegenen die niet in zogenaamde bescherm kampen zaten.

Via het rode kruis werden ze geïnformeerd dat vader in de oorlog uiteindelijk in Bangkok was beland en werden ze in de gelegenheid gesteld om twee weken later met een Engels schip naar Bangkok te reizen.

In Bangkok is het gezin dan na 3 jaar herenigd en hebben ze vier maanden doorgebracht in het Engels militair kamp met de naam Wadji Rawut. Hierna konden ze pas vertrekken naar Nederland, omdat er niet eerder een schip beschikbaar was.

Toen mijn ouders met Gerrit en Lieuwe op 11 april 1946 vanaf Bangkok met het ss Nieuw Holland terug keerden naar Nederland hadden ze een tussenstop in Egypte. Eenmaal daar werden ze met een treintje naar een tentenkamp van het Rode Kruis gebracht. Om het de mensen, die van de boot kwamen en die de gruwelen van de oorlog hadden meegemaakt, enigszins aangenaam te maken werd er marsmuziek gespeeld.

Men kreeg kleding van het Rode Kruis. De kosten van deze kleding dienden wel, eenmaal aangekomen in Nederland, terug te worden betaald aan de Nederlandse regering. Dat deze kleding voor de helft door Nederland en Canada geschonken was aan het Rode Kruis deed er niet toe. Het geld voor de overtocht vanuit Nederlands-Indië moest ook terugbetaald worden aan de overheid.

Het ss Nieuw Holland werd in 1928 als passagiersschip gebouwd voor de KPM in Batavia. In 1940 werd het in Sydney voor de Britse marine tot troepentransportschip omgebouwd en in 1942 gevorderd door de Nederlandse regering. Het kwam weer bij de eerste eigenaar KPM terug, maar voer wel door als troepentransportschip in charter voor de Nederlandse regering.

Eenmaal in Nederland aangekomen (op 23 mei 1946) was het één van de koudste winters die je maar kunt bedenken. Ze waren al die jaren de tropen gewend en dit was dus een hele omschakeling. Ze gingen in hun geboorteplaats Sneek bij mijn grootouders van vaders kant wonen.

Op 19 september 1946 werd een eerste nakomertje geboren in Sneek,  een zogezegd bevrijdingskindje. Hij kreeg de naam Thijs en is vernoemd naar zijn paternale grootvader. Een jaar later op 18 oktober 1947 in Rotterdam werd ik geboren en kreeg de naam Fokko Titus, genoemd naar beide grootmoeders. Nog twee jaar later op 20 augustus 1949 volgde, in Voorburg, de enige dochter, mijn zus Hiske Titia die vernoemd werd naar onze moeder en oma.

Als gezin hebben wij van 1946 tot 1947 in Sneek gewoond, tot 1949 in Rotterdam, daarna in Voorburg en uiteindelijk zijn ouders in april 1956 verhuisd naar Amstelveen.

In 1952 kocht mijn vader namelijk 4 apotheken in Amsterdam wat ook de latere verhuizing van Voorburg naar Amstelveen in gang zette. Mijn oudste broer Gerrit verhuisde naar de Verenigde Staten in 1952 en broer Lieuwe verhuisde eerst in 1955 naar Canada en op een later tijdstip ook naar de Verenigde Staten.

Mijn ouders waren getekend door het leven en vooral door de oorlog in Indië. Het waren zeer ouwelijke ouders. De opvoeding bestond voor een groot deel uit verhalen over de kampen en hun ontberingen en de ervaringen ten tijde van de Japanse bezetting. Veel werd terug herleid naar de oorlog. Als we niet wilden eten dan werden we bestraft en moesten en zouden we eten. In de oorlog hadden ze niets te eten en dat werd ons dan ook voorgeschoteld. Als we niet naar behoren stapten dan werd er “Til je poten op en slof niet zo !”of “Dat deden die vuile Jappen ook” naar ons geroepen.

We hebben dus allemaal best wel “last” gehad hierdoor en je kan dus ook zeggen dat we aan tweede generatie kampsyndroom leden.

De haat van mijn ouders voor de Japanners was zo groot dat er ook niets maar dan ook niets dat gemaakt was in Japan in huis kwam. Geen radio, geen auto en andere “made in Japan” artikelen en dat niet alleen vanwege de toentertijd meestal slechte kwaliteit er van.

Mijn broer Gerrit, die in 1952 naar Amerika emigreerde, kwam begin 1971 vanuit Duitsland met de auto naar Nederland op bezoek met zijn vrouw en drie kinderen. Toen wij met hen en mijn vader naar Amsterdam gingen en er bij een souvenirwinkel een bus stopte, waaruit er een hele groep Japanners stapte, was dit zo’n beetje het ergste wat mijn vader op dat moment kon overkomen.

De haat van mijn vader voor de Japanners was zelfs zo erg dat ik zijn woorden op zijn sterfbed ook nooit zal vergeten. Mijn vader zei toen namelijk “nu hebben de jappen me eindelijk tóch nog te pakken”.

Dit is iets wat je je hele leven meedraagt, veroorzaakt door de verhalen die mij tijdens de opvoeding werden verteld.

Mijn vader overleed op 18 januari 1974 als gevolg van een hele nare ziekte op 67 jarige leeftijd. Mijn moeder overleed in Amstelveen op 10 februari 1979 of 69 jarige leeftijd, ten gevolge van een fatale brand in haar huis.

Er wordt wel gezegd dat de Japanners een heel wreed volk zijn, maar de Koreanen waren in de oorlog nog véél wreder. En het waren juist deze twee bevolkingsgroepen, die de mensen in de kampen overheersten en domineerden.

De vader van mijn vrouw Ans, waarmee ikzelf twee prachtige dochters heb gekregen en ondertussen grootvader ben van vijf kleinkinderen, was in Nederland in het verzet. Ook daar waren bijzondere en schrijnende verhalen.

Wij hebben geleerd van onze ouders en hebben geprobeerd het verleden aan onze twee dochters door te vertellen, maar zonder hen hier te veel mee te belasten.

 

Fokko de Haas                                                      Amstelveen, oktober 2020

 

Trouwakte 7 januari 1931

Trouwfoto van mijn ouders

Aankomst in Indië februari 1931

Filiaal van Rathkamp in Batavia

links Gerrit en rechts Lieuwe

Mijn vader in het midden tussen het personeel 1937-1938

1931: afscheid van een medewerker van Rathkamp & Co

(geheel rechts zit vader op de grond, schuin/links daarboven moeder wegkijkend en met gebloemde jurk)

Ongeluk op de bergpas in Zwitserland

ms Poelau Laut

Rotterdamse Lloyd Express

Kamp Tjihapit in Bandung West Java

Een deel van het kamp Tjimahi

Vader,moeder, Gerrit en Lieuwe  1936

Kamp Kramat

         Het huis…                                   Kenichei Sonei…              De poorten van het kamp Tjideng…

ss Nieuw Holland 

Lugano 1956, links Fokko, achter Hiske, rechts Thijs ( ϯ 1982 )

Kaart van het Kamp Tjihapit

Fokko de Haas vertelt over zijn vader die apotheker was in Nederlands-Indië

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel