Christel vertelt over haar opa Goos Reijs

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel

Moeder Reijs met haar tot dan toe 9 kinderen, Goos links als padvinder

Familie van der Heijden

Goos als 16 jarige butler.

Afscheidsbrief

s.s Rembrandt, het schip is in 1928 gesloopt. Deze foto is genomen in Sebang het eiland ten noorden van Sumatra

Collectie Tropenmuseum, bron Wikipedia

Kazerne Tjimahi

Goos 26 jaar, aan zijn kleding te zien genomen in Nederland als herinnering voor zijn ouders 1930

Trouwfoto Emma, Goos en Sientje

Broer Akkie, Sientje, Kareltje en Goos. Akkie zat bij de marine en heeft Indonesië en daardoor ook zijn broer zo af en toe kunnen bezoeken.

Als je goed kijkt zie je dat de foto verknipt is. De hand die het handje van Kareltje vasthoudt is die van Emma. Goos heeft vele jaren later in Breda, in een depressieve bui alle foto's verknipt waar Emma op gestaan heeft.

M.S. Sibajak heeft gevaren van 1927-1959

Staand: Goos, broer Karel jr. en Jochem

Zittend zus Johanna met onbekend en vader en moeder Reijs.

Chrisje is de oudste dochter van 5 meisjes. Floor,Mien, Cor en Jo (deze laatste staat niet op de foto) zijn haar jongere zusjes.

Foto genomen in het vooroorlogse Breda tijdens een wandelvierdaagse

1904 - 1939

Mijn opa Goosen Hendrik Reijs wordt geboren te Deventer op 19 oktober 1904  (vader Karel Hendrik Reijs 1877-1954 en moeder Grietje Riezenbos 1876-1962)  5e kind in een rij van 10, en heeft dus vele broers en zussen: Karel,Gien, Jannie, Jochem, (Goos), Greetje,Jo(hanna), Annie, Stien en Akkie (Adrianus)

 Godsdienst: Luthers.

Overgroot opa was beroepsmilitair en Kapelmeester bij de gerede Cavalerie in  Deventer, en beroeps muzikant die met de zachte hand maar vaker met de harde de muziek er bij zijn kinderen in bracht. Zijn oudste zoon Karel jr word later ook kapelmeester en muzikant, en Goos leert al vroeg de trompet spelen.


1920

 

(G) Na de lagere school moest er gewerkt worden en na enkele baantjes komt Goos als 16 jarige jongen in dienst als jongste 'Butler' bij een baron in de buurt van Deventer, hier voelde hij eigenlijk weinig voor. Boven het koetshuis was een kamer gecreëerd die hij moest delen met een andere butler die enkele jaren ouder was dan hij. Deze knul lag Goos niet, aangezien hij hem een onderkruiper vond, hij moest voor hem oppassen dat hij niet door hem verraden zou worden, als hij iets gedaan zou hebben wat niet mocht, en dat gebeurde weleens, aangezien je al niet veel mocht in die tijd, daar ze erg streng waren. Goos moest s'morgens vroeg om 7 uur gekleed in slipjas klaarstaan om op iedere kik direct te reageren en als een knipmes te buigen. Dat was het probleem niet, maar hij kreeg het gevoel dat hij ermee gekleineerd werd , een gevoel dat hij niet zo gemakkelijk naast zich neer kon leggen vanwege zijn trots die hij van thuis had mee gekregen als zoon van een militair. Het leuke van dit baantje was wel de feestjes en partijen die gegeven werden op het kasteel. De 'Moët et Chandon' champagne werd dan overvloedig geschonken en dan verdween er wel eens een fles achter in zijn slipjas mee naar zijn kamer om daar met zijn kamergenoot samen 'pastoor' te maken. Daar was die ander dan wel voor te vinden, dan had Goos wat achter de hand voor als die ander moeilijk zou gaan doen, maar dit is nooit nodig geweest. Het zat niet in Goos zijn aard om dit werk te doen, hij was eerlijk en te recht door zee. Ondanks dat was Goos al vlug ingeburgerd bij iedereen en zeker bij het vrouwelijk personeel waardoor er problemen kwamen. Na een korte tijd had hij het gezien op het kasteel en moest hij een andere oplossing vinden voordat het uit de hand zou lopen. Goos meldt zich aan om als KNIL soldaat naar Indië te gaan. Deze grote stap werd thuis niet op prijs gesteld maar zijn vader had maar getekend (hij was nog minderjarig) daar Goos zijn poot stijf hield en zijn zinnen hierop had gezet.

23 october 1923: Goos is dan zojuist 19 jaar geworden als hij wordt goedgekeurd voor de militaire Dienst en verbonden wordt bij de overzeese militaire dienst, voor zowel in als buiten Europa voor 5 jaren. Hij wordt toegelaten als Kanonnier 2e klasse. Bij aankomst bij het korps is hij 1.759 meter lang en als merkbare tekenen word er 'moedervlek bij rechteroog' omschreven.

Op 30 november 1923 wordt hij geschikt bevonden voor uitzending; met een premie van Fl 400,00.

(G) 400 harde guldens. Wie doet 'm wat? Trots als een pauw in zijn soldaten uniform naar zijn oude werkgever, Mijnheer de baron, hem vernederend kijkend hem een goede tijd toe te wensen. Het personeel vond dit prachtig en zouden zo met hem willen ruilen maar daar hadden ze het lef niet voor. Na veelvuldig afscheid te hebben genomen op weg naar de kazerne, om het nodige te doen voor de inscheping naar Indië  kwam hij tot de ontdekking dat je als koloniaal door de doorsnee burgers in de nek werd aangekeken daar er nogal wat 'kolegaas' onder hen bevond, die dit baantje hadden genomen bij gebrek aan beter of iets te verbergen hadden en misschien wel 'iets' ontvluchtten door vijf jaar te tekenen voor deze missie.

 12 april 1924

Na zijn opleiding die een half jaar duurt, wordt Goos dus KNIL (Koninklijke Nederlands Infanterie Leger) soldaat 'in hart en nieren', zal later blijken. Geembarkeerd aan boord van de s.s Rembrandt.

(G) De dag breekt dus aan dat Goos als 19 jarige jongen inscheept naar een ver onbekend land en aldaar word aangesteld bij de Bereden Artillerie als Kanonnier schutter. Aan boord onderweg naar Nederlands-Indië  zaten ook veel burger ambtenaren die met verlof naar Nederland waren geweest en terug voeren om de draad aldaar weer op te pakken. Dit soort verlof ging dan met het hele gezin. 'Jan Soldaat' ging in burger gekleed aan boord en was niet te onderscheiden van ieder ander, en de sfeer aan boord was dan ook gezellig en ontspannen. Onderweg waren de nodige havenstops om te worden bevoorraad van water, kolen proviand en wat al niet meer. Men voer in deze maand april met een redelijke temperatuur via de Atlantische oceaan, Straat van Gibraltar door de Middelandse Zee, het Suezkanaal door de Rode Zee met een hitte van jewelste dat het dek van het schip er bol van stond door naar de Indische Oceaan. De reis gaat door naar Ceylon voor de oversteek naar Nederlands-Indië, met de eerste kennismaking van echte tropenhitte. De gehele overtocht duurde ruim een maand, en in Batavia ,de havenplaats 'Tandjok Priok' ging een gedeelte van boord en de rest voer door naar Soerabaja. Goos hoorde bij deze eerste groep daar hij geplaatst werd in Tjimahi.

17 mei 1924

Bij aankomst in Nederlands-Indië krijgt Goos een plaatsing op de Kazerne van Tjimahi op het eiland Java. Dit ligt zo'n 150 km ten zuidoosten van Batavia, net boven Bandung.

(G) Nadat Goos zijn plaats toegewezen had gekregen kon hij de opleiding ter plaatse beginnen, in een dorstig land met zljn ontberingen van tropenziektes en zweren (wat dan weer de nodige hygiene vereist) als Kanonnier: trekken, zeulen, sjouwen en zweten, aangezien dus alles te paard of te voet ging, door rivieren, passen en dalen. Na een paar weken vlogen de kilos eraf, dat weer met veel vocht aangevuld werd. Aangezien water niet altijd bij de hand was daar het te gevaarlijk is om ongekookt te drinken was Bier de makkellijkste aanvulling om dit probleem op te lossen vonden de meeste soldaten.

Goos leerde zich aan te passen, zich te handhaven op een wijze dat niet opviel, anders werd je de gebeten hond, en dit raak je dan niet meer gemakkelijk kwijt. Zo nam zijn dagelijks leven zijn gangetje: Appèl, ontbijt, oefeningen, kanonnen schoonmaken, poetsen, middagmaal, rusten, appèl, middagdienst en dat van uiteen lopende klusjes, appèl en dan naar de kantine. Voor het appèl stond men al op om 6 uur op om voor de hitte van de dag het nodige al gedaan te hebben, zoals bijvoorbeeld eerst de rijpaarden te verzorgen. Deze waren van Australisch ras, groot van formaat in vergelljk met de kleine maar sterke Javaanse paardjes welke gebruikt werden als pakpaardjes voor de onderdelen van het geschut. Het geschut werd gedemonteerd om ze te verplaatsen door de bergen en passen voor opstelling daar waar het nodig was. Na verloop van tijd had Goos dan een vaste maat of meerdere ( De Kromme, De Neus, De Pukkel, De Neut) en Goos kreeg de bijnaam Rijs gezien zijn rijzige gestalte. Zo gaat het in het leven, je bent een nummer of je hebt een bijnaam, dit laatste is het prettigst en je word dan niet snel vergeten door deze en gene.

Na 4 jaar op 3 september 1928 word Goos gegradeerd naar Kanonnier 1e klasse en Trompetter.

(G) Zo zie je maar weer dat het goed is geweest om muziek te hebben geleerd. Hier werd ook de nodige tijd aan gegeven in het leger om alle signalen te leren blazen, buiten dan voor jezelf en je maten om een gezellig deuntje te blazen ter vermaak en vertier.

Op 30 november1928 tekent Goos bij voor nog eens 6 jaar.

(G) Daarbij zocht hij ook vertier in de stad waar men zich wel eens te buiten ging in lal en zuippartijen, en werd de soldaat daardoor niet erg gezien bij de burgers, en werd dan ook vaak gemeden door hen. Maar wat wil je in een dorstig land waar ook bier wordt gebrouwen met het merk: Kuntji en Anker. Dit laatste merk werd trouwens minder op prijs gesteld, maar bij gebrek aan beter dronk men het ook. Het motto was dan; "Je krijgt het kanker van Anker".

Op 28 mei 1930 heeft Goos sinds zijn vertrek naar Indië na 6 jaar, zijn eerste verlof om op familiebezoek te gaan naar Nederland. Hij wordt geembarkeerd aan boord van het s.s "Prins der Nederlanden": Vernoemd naar Prins Hendrik echtgenoot van Koningin Wilhelmina. Het ontwerp was van scheepsbouwbureau M.A.Cornelissen te Amsterdam.

Een maand later op 29 juni 1930 komt hij aan in Nederland, ontvangt een Bronzen medaille, en heeft dan 4 maanden verlof. Deze medaille van het KNIL werd toegekend aan hen die hebben voldaan aan de eisen, gesteld voor vaardigheidsproeven, voor hen met een leeftijd onder de 28 jaar of met 7 of minder dienstjaren. De proeven werden eenmaal per jaar afgenomen en militairen beneden de rang van officier ontvingen tevens een gratificatie van  FL25.-

Op 1 november 1930 gaat het vertrek terug naar Nederlands-Indië en embarkeert hij opnieuw aan boord het s.s "Prins der Nederlanden" voor de terugreis (Goos vaart met dit schip één van de laatste oost-indische overtochten terug naar Nederlands-Indië voordat deze uit de vaart wordt genomen als oefenschip voor de brandweer). Op 25 Juni 1935 wordt het schip verkocht aan Italië om als hospitaalschip dienst te gaan doen in de Italiaans - Ethiopische oorlog en komt het in beheer van Lloyd Triestino en word het schip herdoopt in s.s AguiLiea. Op 26 juni 1944, als hospitaalschip, wordt het door Duitse vliegtuigen tijdens een bombardement op Marseille ter zinken gebracht. In 1946 werd het gelicht en in 1947 verkocht voor de sloop.

  20 december 1930

Aankomst in Nederlands-Indië, de overtocht heeft dit keer 3 keer langer geduurt dan de heenreis. 

Nederlands-Indië (N-I):

N-I is sinds 1816 een koloniaal grondgebied van Nederland. Vanaf 1870 werd de kolonie opgengesteld voor particuliere ondernemenrs, en vele fortuinjagers kwamen naar de Oost om hun geluk te beproeven. Een plaatselijke Indische bewoner (ook wel inlander genoemd) afkomstig uit welk milieu dan ook, werd door de blanke als minderwaardig beschouwd. Er waren eerst de 'blanken' en daarna de 'bruine' heersers en dienaren en het was zeker niet de gewoonte dat de blanke zich met zijn mindere ging vermengen en/of voortplanten.

Het gebeurde wel dat blanke mannen die, in afwachting van een geschikte Europese (blanke) huwelijkskandidate, samenleefde met een Indische vrouw (en er soms dan ook kinderen uit voortkwamen) maar zij had geen rechten. Het werd oogluikend toegestaan bij de burgerambtenaren, maar ze bleef dan op de achtergrond. De man kon haar op elk moment wegsturen zonder gevolgen. Ze kon dan ook geen aanspraak maken op haar kinderen. Als de vader ze erkend had, dan was hij er ook verantwoordelijk voor, ze groeiden dan verder op in zijn huis met een 'meid' die op ze paste. Het was dan de bedoeling dat de kinderen niet te verindischte, en een Hollandse opvoeding kregen.

Het was dan een ramp voor de moeder want vaak keurde haar familie deze buitenechtelijke relatie ook af en dan kon ze niet terug naar haar samenlevening en werd ze verstoten. Ze viel dan letterlijk tussen wal en schip.

Erkende de vader zijn kinderen niet, dan werden deze verworpen en verstoten. Deze verwaarloosde kinderen (wel of niet opgroeiend in een kindertehuis) groeide dan op met haatgevoelens naar de blanken toe, en sloten zich later makkelijker aan bij de nationalistische groepen. Andere Indische families konden hier weer makkelijker mee leven. Om een blanke man aan de haak te slaan was voor hen weer meer aanzien, je groeide dan op de maatschappelijke ladder, zeker als er dan een huwelijk uit voortkwam, en kinderen. Het was dan ook makkelijker als halfbloed-kind om later een baan te vinden tussen de blanken (ook al kreeg je minder betaald voor dezelfde functie) en je groeide dan ook weer op de sociale ladder. Hoe blanker je was, hoe meer aanzien je had. De militairen hadden minder moeite met de gemengde huwelijken dan de burgerambtenaren, en hadden makkelijker open relaties met de plaatselijke vrouwen, en stichtte dan een gezin.

(G) Met de liefde voor bier kwam haast onvermijdelijk ook de problemen, die ook wel een op een "bakkie" uitdraaide (celstraf). Niet tegenstaande ging het leven gewoon verder en leerde Goos het leven kennen, dit ook met de vrouwtjes, die waren er in overvloed om een Hollandse jongen aan de haak te slaan, in een land met andere zeden en gewoontes was dit niet altijd even gemakkelijk voor deze jonge soldaten die eigenlijk in het diepe geworpen waren en er zelf aan uit moesten zien te komen. De leiding gaf hier wel wat aan, maar zeer beperkt, dus zoek het zelf maar uit. Om het kazerne leven te ontvluchten zocht men verkering met meisjes van de plaatselijke bevolking wat niet altijd goed afliep. Er werd menig halfbloedje geboren die met of zonder ouders vaak afgestaan werden aan  de kerk en tehuizen. De KNILpeer had zijn eigen motto, wat niet als zodanig in de Bijbel vermeld staat. In plaats van 'Gaat heen en vermenigvuldigd u' werd dit 'vermenigvuldigd U en ga'. Met zijn verbeterde positie als geschutscommandant en instructeur om de jongere op te leiden tot Kanonnier stond  zijn vrijgezellenleven hem best aan en hoopte dit nog lang vol te houden. Maar het rare van dit was dat een Indische vrouw nogal opdringerig was in zijn directe omgeving. Ze was voor hem te opdringerig wat hem stoorde maar  wel uitermate mooi om naar te kijken. Het opdringerige gevoel werd voor Goos minder en hij zag al gauw alleen maar mooie dingen aan haar.

2 april 1932

Francina wordt geboren te Batavia, met de roepnaam Sientje (vernoemd naar haar oma). Ze is de dochter van Emma Maulany, geboren op 6 februari 1915 eveneens te Batavia. Emma is 17 jaar oud tijdens de bevalling. De bevalling vindt plaats bij haar oma thuis in Batavia. Haar oma Cato Francina Maulany-Noordhoorn staat haar bij tijdens de bevalling en is dan 73 jaar. De aangifte van geboorte wordt gedaan door Martin Henri Maulany 32 jaar (waarschijnlijk een  oom) en een Klerk (administrateur) Eduard Hubeek 24 jaar van het Residentiekantoor te Batavia. Zoals de nederlandse namen al doen vermoeden, is Emma een Indo (halfbloed) en heeft ze Franse, Nederlandse en Indische voorouders.

9 november 1932 : Goos wordt overgeplaatst naar Malang.

Donderdag 13 juli 1933

Als Emma 18 jaar is trouwt ze met Goos Reijs te Weltevreden, een goede (blanke) wijk in Batavia.

(G) Goos was erop tegen om een bastaard op de wereld te zetten zoals vele maten dat wel hadden gedaan en Emma was inmiddels al weer een jaar ouder.

Sientje wordt door dit huwelijk erkend als dochter van Goos. De ouders van Emma; Jules Francois Maulany, employé bij de droogdokmaatschappij in Tandjong Priok en zijn inlandse vrouw Saima geven toestemming voor dit huwelijk, aangezien Emma nog minderjarig is. Als getuigen treden op: Antonius Maria Koolen 32 jaar (bijgenaamd de kromme Kool, Goos zal later na de oorlog, nog steeds contact met hem hebben in Nederland) en Antonie Hendrik Hol 35 jaar beiden van beroep Europees Trompetter en wonende te Batavia. Als Goos de biologische vader van Sientje is, was Emma 16 en Goos 27 jaar tijdens de conceptie.

(G) Goos gaat met Emma en zijn dochter buiten de kazerne wonen en veel later zou hij zeggen dat hij met Guna-Guna was bewerkt (stille kracht). Dit werd door de Europeanen afgedaan als Lariekoek en flauwekul omdat de werkelijkheid niet te omvatten is voor een blanke man met zijn nuchtere kijk op het leven. Goos had er gevoelsmatig geen probleem mee en hij was gelukkig met haar. Hij kreeg hierdoor een huiselijk leven, een gespreid bedje, lekker eten op tafel, een leven van regelmaat en een rustpunt. Het huiselijk leven stond Goos aan met zijn dochtertje erbij waar hij gek op was.

24 september 1934

(G) Karel wordt geboren te Malang als eerste zoon vaan Goos. Hij wordt vernoemd naar zijn eigen opa Karel Hendrik Reijs, een rap en ondernemend ventje, zo klein als hij is, voor niets en niemand bang.

30 november 1934

Goos tekent bij voor nog eens 4 jaren, 3 maanden en 27 dagen, en een jaar later op 21 oktober 1935 wordt Goos bevorderd tot Brigadier Titulair.

29 april 1936

En weer een half jaar later wordt hij bevorderd als Brigadier, en ontvangt hij de 'Zilveren medaille'. Deze wordt uitgereikt na een derde deelname van de vaardigheidsproeven.

1937

(G) De bevordering als Brigadier hield in dat zijn werkzaamheden ook veranderde, Goos moest vaak voor oefening weg, soms wel voor weken achtereen. Goos had inmiddels kennis gemaakt met Willem die vlak bij hem in de buurt woonde en waar hij regelmatig naar toe ging om wat te praten en te drinken. Willem werkte op een grote theeplantage als technicus. Hij en zijn vrouw hadden geen kinderen en vonden de afleiding van Sientje en Karel leuk en konden goed met ze omgaan. Wat ook goed voor de kinderen was (ze waren inmiddels 5 en 2 jaar) om met Willem en zijn vrouw Nederlands te spreken aangezien hun moeder dit slecht sprak en de kinderen nog niet naar school gingen en Goos regelmatig van huis was. Na verloop van tijd kwamen er problemen binnen het huwelijk. Was de Guna-Guna uitgewerkt? Was Goos niet altijd de lieve echtgenoot? Wie zal het zeggen.... Na een grote oefening van 3 maanden kwam Goos thuis en trof hij zijn huis leeg aan, de volledige huisraad was met de Noorderzon verdwenen. Goede raad was duur, wat nu gedaan. Goos is op zoek gegaan naar zijn kinderen waar hij zeer op gesteld was, de huisraad was niet belangrijk voor hem. Na een maand zoeken heeft hij ze gevonden ergens in een kampong, 10 km verderop. Na de nodige bezoeken zijn de echtelieden tot een afspraak gekomen; Sientje blijft bij haar moeder en Kareltje gaat met zijn vader mee en de scheiding wordt aangevraagd.

Je zou hieruit op kunnen maken dat Sientje dan toch niet zijn biologische dochter zou kunnen zijn, maar zeker weten doen we dit niet. Het is ook niet bekend of hij alimentatie is gaan betalen.

13  mei 1938

Goos bereid zijn verlof voor naar Nederland. In zijn militair dossier staat vermeld: "Met verbreking loopend verband herverbonden voor een tijdvak van zoodanige duur, dat hij na terugkeer van verlof nog 1 jaar zal hebben te dienen (Brigadier der Artillerie)". Goos verbreekt dus tijdelijk zijn dienstverband voor onbepaalde tijd om naar Nederland te gaan. Is hij op zoek naar een blanke huwelijkskandidaat in Nederland? Voor vertrek naar Nederland woont Goos in Salatiga in midden Java, 40km ten zuiden van Semarang, inmiddels van tafel en bed gescheiden van Emma. Tijdens zijn verlof naar Nederland stellen Willem en zijn vrouw voor om tijdens zijn afwezigheid voor Kareltje te zorgen. 

Op 18 mei 1938 verlaat Goos Nederlands-Indië voor de 2e keer, en stapt aan boord van het m.s. "Sibajak" op verlof, voor de eerste keer met een motorschip wat niet echt de overtocht versnelde, voorheen was de tocht immers met een stoomschip geweest.

Tijden de overtocht op 3 juni 1938 wordt het huwelijk officieel ontbonden door de echtscheiding bij vonnis R.v.J. te Semarang. Ingeschreven in de R.B.S (rechtboek van strafrecht) op 12 september 1938 te Batavia. Op de datum van dat de scheiding definities is woont Emma inmiddels in Solo (heden Surakarta, 65km ten zuid oosten van Salatiga).

15 juni 1938

Goos komt aan in Nederland en zal uiteindelijk 7 maanden op verlof blijven voordat hij terug zal keren naar Nederlands-Indië.

(G) Bij aankomst gaat Goos natuurlijk op bezoek bij zijn ouders in Deventer. De zomer moest nog beginnen in Nederland en goed weer was bijna verzekerd. Op de fiets ging Goos zijn broers en zussen af om ze te bezoeken.

(Op 9 augustus heeft hij zelfs nog een uitje naar Duitsland gemaakt en op 14 augustus is hij ook in Harderwijk geweest. Deze afspraken zijn terug te vinden in het zakagendaatje uit 1938 van Goos. Later ook gebruikt als agenda tijdens zijn periode als krijgsgevangene in Birma)

Na 2 ½ maand gaat hij op 16 augustus ook op bezoek (wederom op de fiets) bij zijn oudste broer Karel die in Breda woont, die was daar beroepsmuzikant bij de Cavalerie en Kapelmeester op de Trip van Zoutland Kazerne. Hij gaf hiernaast ook muziekles op de muziekschool in Breda. Zijn vrouw Marie had ook haar bezigheden en ze had hiervoor soms ook nieuwe kleding nodig die ze liet maken door een naaister (wat in die tijd heel gewoon was) die aan huis kwam om de kleding op te meten en te laten passen. Daar leert Goos het naaistertje kennen! 

Chrisje (Christina) van der Heijden, is geboren in de Nieuwe Dieststraat te Breda op14 februari1908 te Breda. Haar vader had een kruideniers en gruttenwaren zaak in Etten en een schildersbedrijf aan de Tramsingel in Breda. Chrisje was een kittig vrouwtje van 30 jaar die van het leven genoot met de wandelsport, dansen en uitgaan. Ze was zelfstandig en was beëdigd naaister en hiermee verdien ze haar brood.

(G) Chrisje en Goos worden verliefd. Dit werd dus regelmatig op het fietsje van Deventer naar Breda rijden aangezien dit de enige mogelijkheid was in die tijd om te reizen. Het openbaar vervoer was te duur en zo zie je maar wat ware liefde doet. Het is best aannemelijk dat Goos bleef slapen bij zijn broer. In ieder geval wordt de verloving uitgesproken aangezien Chrisje al snel zwanger raakte. Het volgende probleem steekt dan de kop op. Trouwen was niet direct mogelijk aangezien Chrisje Katholiek was en Goos Protestant (Luthers). dit was 'slapen met de duivel op één kussen' en goede raad was weer duur. De oplossing werd gevonden door de Pastoor van de Sint Anna Parochie, het huwelijk kon doorgaan met Bisschoppelijke toestemming, zo gezegd zo gedaan. Het was niet mogelijk om in de kerk te trouwen maar wel in de pastorie van deze kerk onder voorwaarden dat als er kinderen voortkomen uit het huwelijk deze katholiek zouden worden opgevoed, met alle kerkelijke verplichtingen zoals; doop, kerkgang etc.

25 oktober 1938

Goos krijgt officieel toestemming van defensie om Chrisje na het huwelijk mee te nemen naar Indië. Bij aankomst zal hij dan nog 1 dienstjaar in Indië te moeten volmaken.

Donderdag 3 november 1938

(G) Goos hertrouwd in stilte met Christina Elisabeth van der Heijden (inmiddels 3 maanden zwanger), met alleen naaste familie en kennissen (meer van Chrisje dan van Goos, al zijn maten zaten tenslotte in Indië). Chrisje is op de hoogte dat Kareltje ook deel van het gezin uitmaakt en dat zij bij aankomst in Indië ook zijn zorg op zich zal nemen.

1939 - 1946

4 januari 1939

Het jonge bruidspaar embarkeerd aan boord van het motorschip "Dempo" voor vertrek naar Nederlands-Indië en voor Goos is dit zijn 3e overtocht.

2 februari 1939

Na een maand te hebben gevaren komen ze aan in Nederlands-Indië, de boot stopt eerst nog in Batavia voordat het verder vaart naar Soerabaja waar ze van boord gaan om naar Malang af te reizen.

(G) Chrisje zet de schouders eronder en gaat samen met Goos op bezoek bij Willem en zijn vrouw om Kareltje op te halen, een ventje met een donkere huid wat in Nederland niet gewoon was om te zien in die tijd. Na een tijdelijke opvang, kreeg het jonge gezin een woning toegewezen te Malang in de Tweede Chinese Schoolstraat. Het inrichten kon beginnen en met het toerijkende salaris van Goos kon dit eenvoudig gebeuren. Er kwam ( zoals gebruikelijk in de koloniale landen) een baboe voor in de keuken en voor het huishouden. Dit was voor Chrisje wel wennen aangezien ze voorheen alles zelfstandig deed, maar daar was makkelijk overheen te komen en met de onderdanigheid was het ook wennen. Als men het 'personeel' gelijk behandelt dan verlies je je ontzag, waar later moeilijkheden uit voort kunnen komen: dus aanpassen. Er moest een babykamer ingericht worden, en er werd een meisje aangenomen voor het huishouden en voor de toekomstige baby.

Het aanpassen was in het begin zeker niet makkelijk: in drie maanden tijd was ze verliefd, verloofd en getrouwd. Dit met een eigenlijk vreemde man die op latere leeftijd is. En ook nog in een totaal vreemd land terechtgekomen zonder nog ooit een kleurling te hebben gezien. Maar er breken mooie tijden aan: Na gedane arbeid voor Goos is het goed te rusten en er werden in het weekend tripjes gemaakt in de omgeving. Aangezien Malang hoog in de bergen ligt is het klimaat gematigder dan elders. Voor een 'tropenvreemde vrouw ' was het wennen aan dit tropenleven. Het slapen onder een klamboe bijvoorbeeld, weliswaar een gevoel van geborgenheid, maar ook noodzaak om te voorkomen dat je wordt opgevreten door de muggen.

De dag begint al vroeg: bij het opkomen van de zon, je bed uit en naar de mandiekamer (badkamer) om je rijkelijk te overgieten met gajong; lekker koud water, uit een put gehaald en in de badkamer in de bak gegooid door het personeel. Dit water was niet geschikt voor consumptie. Dit moest dan eerst gekookt worden en naar gelang koel weggezet worden (elektrische koeling of ijskasten waren er nog niet). Wilde je ijs hebben dan werd dit na bestelling thuis gebracht uit de ijsfabriek, in grote staken, waarna klein geslagen, in een ijskist werd gestopt. Dit was niet geschikt voor consumptie, maar werd gebruikt om te koelen. Dronk je het toch dan kreeg je er diarree van waar je soms dagen mee zoet was en dit was zeer pijnlijk.

Gekoeld water en koude thee was altijd voorradig (in de ijskist) en zeker het bier. Het ontbijt bestond uit Nasi-Goreng. Bij uitzondering was er brood die door de plaatselijke Chinees gebakken werd, vaak was dit zoet brood en wat klef. Het middagmaal bestond uit witte rijst met 2 of 3 bijgerechten. Na de maaltijd ging men rusten,  na dit slaapje weer naar de mandiekamer om weer opgefrist te zijn voor de rest van de dag die eindigde om een uur of zeven. Weer een fris bad voor het avondmaal waarna je de avond afsloot op het Platje met een koele drank en eventueel een hapje. Zo gingen de dagen voorbij tot de tijd aanbrak dat Chrisje moest bevallen van haar eerste kindje.

31 mei 1939

 (G) Geboorte na een voorspoedige bevalling van een gezonde dochter Christina Wilhelmina, met hoog blonde haartjes, later word ze door het personeel 'Nonna Gulalie' genoemd. Vertaald als een soort witte suikerspin. Ze krijgt de roepnaam Tineke en de plaatselijke 'baker' verzorgd haar de eerste tijd met veel liefde. 

Het leven van een Indische (Nederlandse) huisvrouw is niet te vergelijken met de Nederlandse huisvrouw. Iedere vrouw/dochter kreeg in die tijd in Nederland een huiselijke opvoeding zoals wassen, koken, poetsen en het huishoudgeld beheren. In Indië blijft alleen dit laatste over. Zeker ten aanzien van Goos, die dit niet zo belangrijk vond en voorheen van de ene op de andere dag leefde. In zijn vorige huwelijk had hij hier ook geen interesse in en liet het beheer toen aan Emma over. Het was voor hem  dan ook geen enkel probleem dit nu aan Chrisje over te laten.

Iedere zaterdag werd Goos uitbetaald en na 'gebeurd' te hebben, ging hij eerst naar de kantine. Op deze dag was hij niet aan tijd gebonden, vond hij. Hij kwam dan regelmatig beschonken thuis, gooide de rest van het geld op tafel en zei: "as je blief moeder, ik hou zo veel van je dat je al mijn geld krijgt". Met zijn maten was het wel eens anders, die verzopen het helemaal op en moesten vaak lenen om de week rond te komen of op de pof zuipen was ook normaal voor velen. Soms was het zo erg dat ouders direct contact zochten met de commandant om te vragen of hun zoon nog leefde en die dan op het matje werd geroepen en ter plaatse een brief naar huis moest schrijven. (Dit is Goos ook overkomen tijden zijn vrijgezellen periode). Goos moest zich hierin nu beperken aangezien zijn Hollandse vrouw dit niet slikte en Chrisje had er dan ook maling aan wat een ander dacht of zei.

Om met een man getrouwd te zijn die altijd zijn eigen leven geleid had was niet altijd gemakkelijk. Maar nu was hij trots als een pauw met zijn dochter, zoon en echtgenote. Het ging hem nu wat beter af dan voorheen, maar betaaldag veranderde niet en zo ging de tijd voorbij tot Chrisje met de mededeling kwam dat ze weer zwanger was, het geluk kon niet op.

2 februari 1940

Goos tekent weer bij voor 6 jaren (Brigadier der Artillerie) voor een verblijf op de kazerne in Malang.

28 juni 1940

(G) Goosen Willem Hendrik (mijn vader) wordt geboren, kern gezond en ook weer een witkop, beweeglijk en duidelijk aanwezig. De tweede voornaam van Goosje is Willem, vernoemd naar de buurman Willem. Maar na enkele weken ging het wat minder met de kleine, aangezien na dokters onderzoek bleek dat Chrisje te weinig borstvoeding gaf. Goede raad was dit keer niet duur. Ze hadden iemand gevonden die borstvoeding kon geven. Dit Indisch vrouwtje had voldoende voor Goosje én haar eigen kind, waardoor Goosje weer rap opknapte.

Maar ja, wat wil je; 'Zo jong en dan al aan de chocomel', verse koemelk was moeilijk verkrijgbaar. Kaas, boter en andere melkproducten kwamen meestal uit blik vanuit Nederland: Klim, Blueband en ingevoerd per boot. Militairen die gehuwd waren en buiten de kazerne woonde, kregen hun wekelijkse rantsoen thuis bezorgd daar ze niet in de Mess mee aten. Regelmatig werd hier een deel van weggegeven aan minder bedeelden of tehuizen die door de kerk werden beheerd. De oudste zoon van Goos, Kareltje was de stamhouder en droeg de naam van zijn opa. Hij had inmiddels zijn draai gevonden bij zijn 'nieuwe' moeder, die kosten nog moeite bespaarde om het hem naar zijn zin te maken. In het begin was het zeker niet makkelijk. Niet voor Kareltje die zeker zijn eigen moeder miste, waar hij van verwijderd was maar ook niet voor Chrisje. De liefde die ze aan Karel gaf heeft hij zeker gevoeld en ervaren. De kleine blonde Tineke, het lieverdje van haar vader steelt bij een ieder het hart. Willem en zijn vrouw kwamen ook nog regelmatig over de vloer om dit gezin bij te staan in woord en daad.

Goos is trouwens pas na 2 à 3 dagen aangegeven bij de burgerlijke stand aangezien zijn vader deze dagen 'verdwenen' was en in een alcoholische roes leefde om de geboorte van zijn 2e zoon te vieren.

(G) Goosje was zich nog nergens van bewust en had het te druk met zichzelf in de box, wat hij eigenlijk maar niets vond en iedere mogelijkheid zocht om hier uit te ontsnappen. Na een korte stilte, kwam er een geblèr van jewelste. Hij had een deel van de bodem van de box eruit gewrongen en was onder de spijlen door gekropen. De de box bleef op zijn rug hangen en hij zat klem. Vanaf dat moment was hij niet meer in de box te houden, hooguit om een dutje te doen. Chrisje vond een oplossing door een band om zij middel te doen en ergens aan vast te binden zodat hij toch kon rondkuieren. Goosje was een gezond knulletje en eten was heel belangrijk voor hem. Op een dag werd de tafel gedekt voor de middagmaaltijd en bij het aanschuiven mistte men het schaaltje sambal. De meid werd erbij geroepen om te vragen waar de sambal was gebleven. Maar met de volle overtuiging meldde ze dat zij die op tafel had gezet. Goosje had zich in een hoek verstopt en werd daar gevonden met een leeg schaaltje sambal op zijn schoot, zich van geen kwaad bewust had hij die smakelijk leeggegeten, zonder een krimp te geven omdat het toch wel heet was. Zo moest Goosje in de gaten gehouden worden, hij was vliegensvlug in zijn handelingen, zo klein als hij was. Vader zag dit met lede ogen aan en liet dit alles aan moeder de vrouw over aangezien hij vond dat die daar voor was.

De werkdruk op de kazerne werd verhoogd. Geschutscommandant, Trompetter en een functie erbij als motor koerier, en dit op een Harley Davidson welke toen veel in gebruik waren bij het KNIL. Op een dag kwam vader thuis met het verhaal dat hij een collega had toegevoegd gekregen als kanonnier. Deze was afkomstig uit Breda en of moeder hem misschien kende. Zijn naam was Henk Dusseljee. Bij nadere informatie bleek hij een buurjongen van vroeger te zijn die ook op de Tramsingel in breda woonde. Henk was als 20 jarige in 1934 aangekomen in Batavia en was al enkele jaren aanwezig op de kazerne in Malang. Henk was getrouwd op 6 december 1939 met Jetje Wallenburg. Jetje was een Indo met Hollands en Chinees/Indisch bloed.

Na verloop van tijd kwamen er spanningen op de kazerne die niet direct te verklaren waren. Berichten uit Nederland van een opkomende oorlog met Duitsland speelde de grootste rol. Maar ach, dit was 'een ver van mijn bed' gegeven.

Berichten en aanvoer van benodigdheden werden beperkt en in 1941 verklaard Amerika de oorlog aan Japan nadat deze laatste een anval hadden gedaan op de havenplaats Pearl Harbor in Hawai. Dit was voor vele de angst dat de oorlog ook naar Indië zou komen.

Op 19 januari 1941 wordt Adrie wordt geboren, de oudste zoon van Henk en Jetje Dusseljee, een jaar later op 2 februari 1942 komt er een zusje bij, Corrij genaamd.

1 maart 1942

De circa 20'000 man tellende Japanse 48ste infanterie divisie, die op 1 maart 1942 bij Kragan ten oosten van Rembang was geland, had de taak Oost-Java te bezetten. Het hoofddoel van deze strijdmacht, die voornamelijk hinder ondervond van vernielde bruggen, was Soerabaja. Reeds op 2 maart werd daar begonnen met de vernietiging van militair belangrijke installaties, vooral in de haven. Het grootste deel van het KNIL, ontruimde Soerabaja op 5 maart en trok zich in de richting van Java's Oosthoek terug. De achtergebleven troepen boden op 6 maart enige weerstand tegen de inmiddels gearriveerde Japanners, maar de beroepsmilitairen onder hen staken de volgende dag over naar het eiland Madoera. Op 8 maart bezetten japanse troepen Soerabaja.

Alle militairen moesten paraat staan op de kazerne voor een eventuele aanval van de vijand. Het geschut werd opgesteld buiten de stad Malang ter verdediging voor wat er kon komen. Dit ging sneller dan men verwacht had en als een gele golf kwamen de Japanners opgerukt naar Malang. Hun eerste kanonschoten werden al in de verte gehoord. Ook de opgestelde kanonnen van het KNIL lieten van zich horen en na de nodige salvo's viel er een stilte. 'Rijs' werd er op zijn motor opuit gestuurd om te kijken wat er aan de hand was.

Aldaar aangekomen bleek er een voltreffer bij het geschut te zijn, en een ieder had aan zijn kuierlatten getrokken. De kanonnen waren niet meer bemand. Drie kanonnen waren niet getroffen. 'Rijs' erop af en laadde een kanon en vuurde deze af om daarna naar de volgende te gaan met dezelfde handeling. Dit was eigenlijk ondoenlijk en na een half uur krijgt hij versterking. Zijn commandant was er ook bij en vroeg wat er aan de hand was. Na het één en ander uitgelegd te hebben kwam er een volgende inslag. Nu werd er wijselijk besloten om zich terug te trekken en alles achter te laten. Onderweg terug zei de commandant tegen 'Rijs' dat hij hiervoor voorgedragen zou worden als alles achter de rug was. Spijtig voor 'Rijs' dat deze man kort daarop sneuveld in het veld. Na terugkomst op de kazerne kreeg men een paar uur verlof om thuis de nodige dingen te regelen en vrouw en kinderen op de hoogte te stellen van de situatie. Dit was de laatste keer dat Goos zijn gezin zag voordat de internering begon.

8 maart 1942

Goos is een Japanse krijgsgevangene, volgens Nederlandse defensie.

9 maart 1942

Krijgsgevangene volgens de Japanse interneringskaart. Goos geeft als laatste (woon) adres aan de Japanner 'Tjelaket Gang te Malang' op. Dit is het militair hospitaal in Malang: Tjekalet geheten. Hij geeft dus niet de 2e Chineese Schoolstraat op. Waarschijnlijk om zijn vrouw en kinderen zo lang mogelijk te beschermen. Bij het binnenvallen van de Japanners werden de Nederlandse militairen geinterneerd tot nader order. Vele militairen worden op 19 maart geplaatst in een interneringskamp tevens in Malang, het Drost-Kamp II. Op 1e kerstdag 1942 ontving men in dit kamp nog van de Japanner; sokken, 2 'tjawats' (gordel of heupdoek) en een stuk zeep. Men verbleef hier ruim 9 maanden tot januari 1943. Bezoek van familie is niet toegestaan. Soms gebeurde het dat er stiekum een pakje over de schutting werd gegooid door familie maar dat gezien werd moest heel het kampement aantreden.

Bij aankomst in het kamp werd eerst een bezoek aan de kapper gebracht en werd iedereen kaal geknipt. De dagen worden verstreken met corvee, kampement aanvegen, wacht lopen, marcheren, aantreden buiten voor de Japanners en commando's worden gegeven in het Japans. Dit wendde snel, want als men het niet begreep kwamen er klappen. In het militair dossier staat dat Goos gevangen is in Djember. Dit ligt zo'n 200 km ten oosten van Malang.

November 1942

De gevangenneming/internering van Nederlandse vrouwen en kinderen waaronder dus ook Chrisje met haar drie kinderen; Karel, Tineke en Goosje in Malang en omgeving begon in november 1942. De vrouwen en kinderen werden geinterneerd in 'De Wijk' (totaal ongeveer 5000 personen): Te weten dat er tussen het moment dat Goos krijgsgevangene is geworden en de maand november er geen salarissen meer werden uitbetaald en de bankrekeningen zijn geplunderd. Vele vrouwen en kinderen hebben zichzelf moeten redden in deze perode met het geen dat ze nog hadden. Men ruilde dan goederen tegen eten of geld om eten te kopen. Een hele beproeving voor Chrisje om elk dubbeltje drie keer om te draaien. In januari 1943 werden nog eens ongeveer 2000 vrouwen en kinderen in 'De Wijk' geinterneerd. Eind 1943 en begin 1944 werden bijna alle vrouwen en kinderen overgebracht naar Midden-Java (Kamp Solo, BandjoeBiroe en Ambarawa in het geval van Chrisje en haar kinderen).

(G) Alle spullen die men niet kon dragen of meenemen moesten ze achterlaten. Chrisje kordaat genoeg pakte alles wat ze mee kon nemen in. Het nieuwe tafelzilver en andere dingen werden in de waterput gegooid, met de gedachte 'wie weet komen we hier nog eens terug'. Bij aankomst in De Wijk hoorden ze dat de overige bevolking de huizen inmiddels hadden leeg gestolen met wat er was achter gebleven. Hier zagen de plaatselijke bevolking kans om 'de Nederlanders' terug te pakken. Velen van hen waren pro-Nederlands. Zij die tegen waren, hadden slechte ervaringen opgedaan in het verleden of vonden het Nederlandse 'Juk' te zwaar, en sloten zich dan aan bij Nationalistische bewegingen. Chrisje's ervaring was positief aangezien zij iedereen altijd netjes behandelde, zoals je behoort te doen met je medemens. Zij had het niet makkelijk in het begin in '39 om zich aan te passen aan de Indische mentaliteit en zeker de zeden en gewoontes van het volk eigen te maken, welk sterk verschilde met de Nederlandse vreemdeling. En nu na 3 jaar was ze gescheiden van haar man vanwege de oorlog.

Jongens vanaf 10 jaar werden naar aparte jongenskampen gebracht waar ze te werk werden gesteld. Chrisje heeft gelogen over de leeftijd van Karel (die in '44 tien jaar werd) om te voorkomen dat hij van zijn familie gescheiden zou worden, en in een jongeskamp terecht zou komen.

Hier enkele verhalen van getuigen die in de kampen verbleven:

  • De japanner had nogal last van 'losse handjes'. Hij vond dat de vrouwen in het kamp zaten voor hun eigen bestwil, en dat met behulp van discipline oorvijgen uitgedeeld moesten worden. De japanner had gelleerd 'hoe' te slaan. De japanner zou nooit de ongedisciplineerde Hollandse vrouwen begrijpen. Elk bevel, elke verordening, werd bij voorbaat door hen gesaboteerd en dan nog waren ze verontwaardigd dat hij sloeg.
  • Na een verhoor was er van een vrouwtje niet veel meer over. Haar ongekamde haren zaten aan elkaar geklonterd van het opgedroogde bloed, op haar jurk zaten idem bruine vlekken. Op haar benen zaten bloederige striemen waar men haar met een riem had geslagen.
  • Men had als kind al heel gauw in de gaten dat men stil moest zijn, want zo niet, dan kreeg de betreffende moeder een flink pak rammel en het kind dan soms  ook, omdat je je niet stil kon houden. Het je leren beheersen, wat je normaal gesproken spelenderwijs van je ouders zou moeten leren, had hierbij een geduchte knak gekregen, want je leerde de dingen aan vanuit diepe angst.
  • Als een jap in het zicht kwam, moest de eerste die hem in het vizier kreeg, 'Kiotskéé` roepen. Kwam hij langs, dan riep je; 'Kéré', waarop iedereen een buiging moest maken. Als hij verdwenen was volgde de kreet 'Naorie', en moch je weer recht staan.
  • De wasplaatsen waren vaak overdekt met menselijke uitwerpselen, omdat de septic-tanks weer eens waren overgelopen. Vooral in de periode dat de rijst bruin was van de houtsplintertjes en men een schepje bikkelharde maïs als voeding kreeg had het hele kamp buikloop. In de ontlasting dreven dan grote plakken maïs vermengd met etter en bloed.
  • Oudere kinderen scharrelden onbekommerd tussen de vuilnishopen in het kamp op zoek naar groenteafval, terwijl anderen speelden op de wasplaats tussen de drollen en werden desondanks hiervan niet ziek. Hun lichaampjes waren doortrokken van bacteriën dat geen enkele ziekte vat op hen had.
  • Als je als kind geluk had, kon je moeder je nog voorlezen uit een tot op de draad versleten voorleesboekje. Zelf leerde het kind voorlopig nog niet lezen aangezien er geen klasjes waren in het kamp, dit was verboden. Het kind kon inmiddels het boekje en de verhalen wel uit hun hoofd.
  • Als je iets gedaan had wat niet mocht en je werd betrapt, dan werd je vastgebonden aan een paal en moest je de hele dag in de felle zon staan, of je moest uren lang op je knieën zitten met een stok tussen je knieën.
  • Sommige kampen hadden grote barakken, waar je dus met te veel mensen op elkaar verbleef zonder enige privacy en als je geluk had verbleef je in een kleiner kamponghuisje. Weinig kampbewoners bleven op één en dezelfde plaats. Vaak werd men overgeplaatst weer naar andere kampen. meestal ging dat te voet, maar door uitputting en ondervoeding werd ook dit een 'veldslag'. Men verloor dan ook steeds meer van hun bezittingen. Als je geluk had ging de bagage mee op een vrachtauto en kwam deze al eerder aan in het nieuwe kamp. Ze werden dan van de auto gesmeten en lag dan overal verspreid. Alle bruikbare artikelen die na alle 'huiszoekingen' nog restte werden dan ook ingepikt. Voordat men uit het vorige kamp vertrok, moest men zelf de britsen afbreken en elkaar de planken doorgeven tot aan de poort. Om het werk dan vlugger te doen verlopen kreeg men af en toe een dreun of met de knuppel op de kop.
  • In het voorjaar van '45 kwamen er rode kruis pakketten. Duizenden vrouwen en kinderen leefde dan op blote voeten in de zon. Na enkele uren kwam dan de kampcommandant om een toespraak te houden in het Japans wat men niet verstond. Een vertaler vertelde later dat men dankbaar moest zijn dat de Japanse keizer in zijn goedheid toestond dat de pakketten werden verdeeld. De ingeblikte conserven (corned-beef, ham, kaas etc) moesten geleegd en ingeleverd worden. Daarna werd het verdeeld onder de kampbewoners. Één blikje werd dan omgerekend over 12 man verdeeld. Het was maar een hapje van alles. Sommige werden ziek aangezien men deze voeding niet (meer) gewend was.
  • Er vielen klappen als je schoenen met hakken aan had. De meesste liepen dus op blote voeten. Een broche of versierseltje mocht ook niet.
  • Het eten was slecht: men kreeg s'morgens een soeplepel 'zwart' water waar, als je geluk had een koolblad in dreef. s'Avonds stijfselpap. Door dit voedselgebrek ontstonden al gauw allerlei ziektes en vooral de bacillaire dysenterie waar velen slachtoffer van werden. De beperkte medicijnen die er voor waren, waren grote zwarte bittere pillen die men vanwege de grootte door een kind moeilijk door te slikken waren. Deze kinderen verzwakten aanzienlijk snel, en het sterftecijfer onder de kinderen was aanzienlijk hoog. Suiker, koffie en thee kreeg men voor straf niet. Wat men misdaan had wist men niet. Men kreeg altijd ergens straf voor.
  • Ondernemende kinderen gingen op onderzoek uit op zoek naar eten. In de gaarkeuken was altijd wel iets te stelen. 
  • Goosje ging slakkenhuizen rapen achter het huis van de Jappen. Deze gooiden ze naar buiten nadat ze leeggegeten waren. Goosje nam ze mee naar zijn moeder die er dan nog een waterige bouillonsoepje van kon maken.
  • Men moest sowieso veel en lang in de zon staan op 'appèl'. De kampbewoners werden dan geteld. Door het lange staan hadden sommige last van opgezwollen benen tot tweemaal de omvang, en door de felle zon jeukten ze. De Jap kon niet tellen zodat, er overgeteld moest worden. Soms stond men dan uren op appèl.
  • Een andere plaag waren de wandluizen. s'Ochtends waren ze nauwelijks te vinden, maar s'nachts stortten ze zich op hun slachtoffers om zich goed te doen aan hun bloed. Als je over je ledematen wreef sneuvelden er tientallen. De verpletterde beestjes verspreidden een walgelijke geur.
  • Water was schaars in het kamp. De kranen waren vaak dichtgedraaid. Als je geluk had was er een mandiebak in de open lucht met een schuttinkje eromheen. In die bak was meestal wel wat water en er werd dankbaar gebruik van gemaakt.
  • Men moest ook werken in het kamp. Een stuk grond omspitten om groenten te verbouwen. De grond was hard en stevig en er waren geen werktuigen. Het meeste werk moest met de handen gedaan worden of met een vork. Goosje heeft als kind moeten 'kluiten kloppen'.
  • Aan de rand van het kamp waar (soms) half opgetrokken muren waren of prikkeldraad werd er gesmokkeld. Kleding of andere waar werd omgeruild voor eten.
  • Geregeld was hierdoor huiszoeking. Zalen moesten ontruimd worden en koffers geopend. Iedereen probeerde hun dierbaarste bezittingen te verbergen.
  • Velen stierven, volwassenen en kinderen. Er waren geen kisten genoeg om ze te begraven. Soms werden 5 personen tegelijk in een bamboe krat geladen en zonder plichtplegingen in een kar naar de poort gereden. Niemand weet waar naartoe.

8 januari 1943

Na 9 maanden internering op Java (Djember) wordt Goos overgebracht per trein naar kamp: Kampong Makassar in Batavia.Dit kamp lag ten zuiden van Meester Cornelis, ten oosten van de weg naar Buitenzorg. Het was in deze periode een krijgsgevangenkamp (april 1942 - januari 1945) en later een vrouwen kamp (januari 1945 - augustus 1945). Kampcommandant; Kapitein Tanaka. Kampbewaking werd uitgevoerd door Japanse militairen en Koreanen. Het kamp was ondergebracht in barakken van bamboe en atap, omheind met gedèk en prikkeldraad.

15 januari 1943

Goos wordt op transport gezet naar Singapore (in totaal 1350 krijgsgevangenen vanuit het kamp die dag) met schip Harugiku M2. Totaal 3188 Nederlandse krijgsgevangenen aan boord welke werd volgestouwd en de ruimen ingeslagen al was men vee, zonder eten, drinken en sanitaire voorzieningen. Tijdens de overtocht van de Java-zee was geen schip te zien, ook geen begeleidend schip. Dit transport is bekend als Java Party 9, het 9e krijgsgevangenentransport dat van Java vertrok. Velen overleefden deze overtocht niet wegens dysenterie, uitputting, honger en dorst.

18 januari 1943

Goos komt aan in Singapore na 3 dagen op zee te zijn geweest.

19 januari 1943

De volgende dag worden de krijgsgevangenen met vrachtauto's overgebracht naar het Changi-Kamp. De oorspronkelijke Changi gevangenis is tijdens de Tweede Wereldoorlog als Japanse krijgsgevangenenkamp voor Geallieerde krijgsgevangenen gebruikt De originele poort, een stuk van de muur en wachttorens zijn uitgeroepen tot Singapore's 72e nationale monument.

 

2 februari 1943

Twee weken later wordt Goos per treintransport Nr.45 (een traject van ruim 2500km) naar Siam (Thailand) gebracht naar: Ban Pong in totaal 625 Nederlanders die dag. Dit is het 1e station aan de Birma-spoorlijn. De eeste groepen Nederlanders kwamen aan in januari 1943 en gingen naar Tarsao en Kinsayok om daar de spoorbaan verder aan te leggen (het eerste stuk werd aangelegd door Engelsen, die in juni tot december 1942 naar Thailand gingen). Hoe later men aankwam hoe verder omhoog men aan het werk moest.

Over de Birmalijn

Tijdens de Japanse bezetting van Zuidoost-Azië in de Tweede Wereldoorlog bouwden tienduizenden geallieerde krijgsgevangenen een spoorlijn dwars door Siam en Birma, ruim 400 kilometer lang. Uitsluitend handenarbeid met primitief materieel, onder onmenselijke omstandigheden en in een moordend tempo. In deze hel stierven onder meer 3000 Nederlanders, weggevoerd uit toenmalig Nederlands-Indië. Voor Japan was het een belangrijke stategische verbinding, toen de weg over zee te gevaarlijk was geworden. Het grootste deel van de dwangarbeiders overleefde de aanleg van de Birmaspoorweg niet. In december 1941 begonnen de Japanners aan hun opmars. Na hevige gevechten versloegen ze het jaar daarop de Britten en veroverden Singapore en Nederlands-Indië. Op zoek naar een veiligere bevoorradingsroute tussen Birma (thans Myanmar) en Siam (thans Thailand) werd de Birmaspoorlijn aangelegd, berucht als de Dodenspoorlijn. Ook wilden zij het spoorwegnet gebruiken om een aanval op India voor te bereiden. Per spoor zouden de troepen vlotter kunnen aangevoerd worden. Het besluit om de spoorweg te bouwen werd genomen na de beslissende nederlaag van de Japanse marine in de slag van Midway in juni 1942, waardoor die haar overwicht op zee had verloren.

Huwelijksfoto van Chrisje en Goos

Genomen in Port Said. Links Goos en als 2e Chrisje, samen met een collega en zijn vrouw en hun 2 kinderen.

Goos, Willem en Kareltje

 Kareltje

Chrisje met de baboe. Militaire kleding hangt te drogen aan de waslijn.

Tineke 9 dagen oud

Tineke 5 maanden oud

Kareltje en Tineke 5 maanden oud

Chrisje met Tineke

Goosje, Chrisje, Tinneke en Kareltje, één van de laatste vooroorlogse foto's

Goos op zijn motor

Internerings kaart Goosen Reijs

Kampong Makassar

bron wikipedia

Harugiku Maru 2

bron powerresearch.jp

Changi-Kamp in Singapore

Het leven na de Birma-spoorweg. 

Bron kaart: Tony van der Meulen, Dansen op de Kwai

In 1942/1943 zetten de japanners 68'000 krijgsgevangenen en dwangarbeiders aan het werk om die spoorweg aan te leggen. De Britten hadden de aanleg ervan al in 1910 overwogen, maar het plan snel laten varen wanwege het bergachtige landschap en de tropische hitte. Gevangen genomen Britten, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Amerikanen, Denen en Nederlanders werden gebruikt als dwangarbeiders, of juister, slaven. Dag-in, dag-uit werden ze tot het uiterste gedreven om de bouw van de spoorlijn zo snel mogelijk te voltooien, 415 kilometer lang: 263 in Siam en 152 in Birma. Naast de krijgsgevangenen werden ook meer dan 200'000 Aziatische arbeiders ingezet, Chinezen, Tamils en Indiërs die onder valse voorwendselen waren geronseld. Vanaf juni 1942 werkten twee ploegen van de eindpunten - Ban Pong in Siam en Thanbuyuzayat in Birma - naar elkaar toe. Alle krijgsgevangenen werden in groepen onder de vele kampen verdeeld die naar de rivieren Kwai Yai en Kwai Noi waren opgericht. Zodra een deel van het traject klaar was, stuurde men de gevangenen naar een ander kamp voor het volgende stuk, aanvakelijk tot honderd kilometer te voet, naarmate de spoorweg vorderde met de trein. Verscheidene bruggen waren nodig. Te Konyu moest dwars door een bergketen worden gehakt. Dag en nacht werd er gewerkt, sommigen krijgsgevangen soms wel achttien uur aan een stuk. 's Nachts werden er fakkels doordrenkt met dieselolie aangestoken. Van bovenaf gezien leek het weghakken van de rotsen op taferelen uit de hel, de Australiërs noemden het daarom de Hellfire Pass, de pas van het hellevuur. Dit deel van slechts vijf kilometer eiste de hoogste tol. Honderden dwangarbeiders stierven er aan cholera, infecties, verwondingen, uitputting en andere ziektes; velen kwamen ook om wegens lichamelijke mishandelingen. Slechts driehonderd van de duizend tewerkgestelde overleefde het hellevuur. Op 17 oktober 1943 sloten de railtrajecten van Thailand en Birma op elkaar aan en na krap zestien maanden was de Birma-Siam-spoorlijn voltooid, hoewel Britse ingenieurs in 1910 hadden berekend dat de aanleg minimaal vijf jaar zou duren. De prijs die voor die snelheid werd betaald was hoog: naar schatting 15'000 geallieerde krijgsgevangen en 80'000 Aziaten lieten het leven, als gevolg van ziekte, ondervoeding, uitputting en mishandeling. Dit kwam neer op 38 doden per kilometer. Onder hen bevonden zich dus minstens 3'000 Nederlandse militairen. Na de voltooiing moesten de gevangenen zorgen voor het onderhoud en voor het herstellen van de schade, veroorzaakt door de geallieerde bommenwerpers die ook nog eens doden en gewonden maakten, daar de werkkapmen naast vitale punten lagen. Na de bevrijding bleven velen fysiek en mentaal getekend.

Goos komt terecht in Hoofdkwartier Afd II in Chungkai Thaland. Dit kamp lag 57 km van Non Pladu, aan de samenvloeiing van de twee grote rivieren, de Mae Khlaung en de Khwae Noi. Dit kamp was het hoofdkwartier van groep II. Dit kamp was eerst een werkkamp (10 barakken) op het moment dus dat Goos hier aan kwam, en later een groot hospitaalkamp met heel veel zieken, die terugkwamen van de hoger gelegen werkkampen langs de spoorlijn. Het was tevens een doorgangskamp voor mannen, die op weg waren naar de hoger gelegen werkkampen.Veel later naar gelang de voorgang van de werkzaamheden wordt hij overgeplaatst naar Hoofd Kwartier Afdeling IV om veel later weer terug te keren naar Afdeling II;


Verslag uit het dagboekje van Goosen:

(Het spellen van de naam Reys op zijn Japans)

R-aar, E-iej, Y-oewei, S-es

(Reijs is eigenlijk dus met ij, maar de I spreekt men uit als, 'watshi wa' en de J met 'djè'. Met de Griekse Y dus korter te spellen op deze manier)

1943

7 februari 1943 aankomst na 3 km lopen, op bivak in kamp Tjoengkai of Tjaikoen. (Chungkai)

 De 14e vertrokken verder, 3 dagen marcheren.

 Hoeveel kilo weeg ik nog?

17 februari Ziek in de buik. 3 dagen verder marcheren. Aankomst in vast kamp Spoorweg arbeid, slecht eten.

25 februari nog in hetzelfde kamp.

1 maart rustdag.

10 maart rust. Spoorweg klaar.

13 maart terug ander kamp. 10 dagen rust. Klaarmaken volgende kamp.

17 maart kamp +/- 100 km verder. (Afdeling IV)

21 maart naar een ander kamp 30km verder. Brug gemaakt +/- 1 maand.

26 april, 2e  paasdag, vertrek naar ander kamp 4 dagmarsen verder.

1 mei in King Jajar, weer ziek in de buik.

Heden de 20e , nog op dezelfde plaats.

30 mei Tineke jarig, heb dit herdacht met een extra bak koffie.

3 juni naar beneden, hospitaal Tjoenkai (Chungkai)

Juli nog niet genezen

1 augustus uit hospitaal

September in hospitaal

Oktober " " "

Reeds 3 maanden in 'amoubie', barak F

(Amoebic Dysentery: een vooral tropische ziekte, in gebieden met gebrekkige sanitaire voorzieningen. Besmetting kan optreden via verontreinigd water, voedsel, of via feco-orale besmetting. De parasiet veroorzaakt klachten aan het maag-darmkanaal en de lever: buikkramp en bloederige diaree, soms ook koorts.)


2 november breng de dagen door met vis vangen, dit levert nog eens extra hapje op. Hoe lang nog?

5 december St Nicolaas, cadeau ontvangen 2 postkaarten.

1944

14 februari verjaardag herdacht (van Chrisje)

29 maart 1944 zeer heet, 162gr in de zon, 112 in de schaduw (waarom in fahrenheit? Is resp. 72°C in de zon en 44°C in de schaduw)

28 april een brief van alle vrouwen op Java die geen post hebben ontvangen

1 mei Nog steeds in de amoebi (Amoebic Dysentery) gisteren 100 visjes gevangen

19 mei vertrokken van Tsjoenkai (Chungkai)

20 mei aankomst Bampang, 'non combatant' beroerde reis. (Ban Pong en als niet strijder)

Ban Pong was het eindpunt van de treinreis vanuit Singapore. Dit kamp was een revalidatiekamp voor mannen, die terugkwamen uit de werkkapmen langs de spoorlijn. Het kamp was ongeveer een half uur lopen van het station (ca 1,5km)

23 mei Roode kruis barang (goederen) ontvangen oa. 20 sigaretten en enkele blikjes.

27 mei krijg voor de verandering tropenzweer. Menage geld per man 6 cent

1 tot 10 china: 一 二 三 四 五 六 七 八 九 十

In het japans. Itsi, ni san, si, ko, rokoe, nana, hatsi, kioew, djoe.

Het laat zich lelijk aanzien.

10-20-30 etc tot 100 in het japans: Djoe, nidjoe, sandjoe, jongdjoe, kaatjoe, roku djoe, nana djoe, hadji djoe, kioe djoe, tjakoe.

  • 'kates en Goelèbas tomolawak' = Malaria
  • Simaruba = buik

30 mei Tineke herdacht. Hoe vaak nog in gevangenschap. Hebben nu een mooi kamp, extra gemaakt voor de zieken, wc goede barak, goede mandiegelegenheid, gaat ook best. Er wordt tenminste nu een beetje aandacht aan ons besteed. Werd hoog tijd.

Waarschijnlijk is dit het kamp Nakhon-Pathom. Het kamp was een hospitaal-kamp sinds februari 1944, het grootste in de omgeving van de gehele Birmaspoorweg. Het bestond uiteindelijk uit 50 hutten voor elk 200 man. Gedurende een zekere periode was dit kamp een modelkamp ten behoeve van een inspectie van het Internationale Rode Kruis: in die periode geen geschreeuw, geen slaag van de bewakers, niet hoeven buigen voor de Japanners en de bewakers. Degene die in dit kamp waren hadden geen spoorweg werkzaamheden, alleen corvee in het kamp.


1 september nog in zelfde kamp, drinken 'gras en dudue' het einde nadert.

19 october wat duurt het lang, dit is nu 3e jaardag in gevangenschap, hoop de 4e gezellig thuis door te brengen.

Estonia - Revel (dit was tot 1918 de hoofdstad)

Frankrijk - Parijs

Duitsland - Berlijn

Italië - Rome

Spanje - Madrid

België - Brussel

Holland - Amsterdam

Denemarken - Kopenhagen

Zwitserland - Bern

Griekenland - Athene

Austria - Viena

Hongarije - Boedapest

Turkijke - Istanbul

Albanië - Tirana

Joegoslavië - Belgrado

Bulgarije - Sofie

Roemenië - Boekarest

Tjechoslow - Prague

Rusland - Warschou

Lithuania - Kovno (hoofdstad tot juni 1940, is nu Vilnius)

Latvia - Riga


Verdien nu een extraatje met 'bajen' (?) koken, +/- 30 cent per dag

 

14 november overgegaan naar 'convelicion', word werk nu halve dagen à 12½

cent p.d.

(Convalescence; Overgangsperiode tussen het einde van een ziekte en de behandeling ervan en de terugkeer van de patiënt naar een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid. Hervatting van activiteit nog steeds kwetsbaar na recessie)

29 november  14 dagen met malaria gelegen.9-19-5

november-december tot 15e op 28 december opnieuw, tot 29-12-44, mijn gewicht is 78½


1945

1-3-4 januari: Malaria

8-9-10-11-12 januari: Malaria

19 januari, 75 kg

20 t/m 28 januari, daarna nog vele aanvallen. (januari:1-8-20-29 Malaria).

Ik krijg een Engels 'Kondjo', een zeer onprettig gevoel. (iemand die sex met hem wil, of heeft gehad?)

I am interned in..

My health is..

2 februari een kaart verzonden


2 februari 1945 staat er in het militair dossier dat Goos wordt bevorderd tot Korporaal.

Februari 7-21 geen kinine

14 februari Chrisje herdacht

2 maart kuur afgelopen, menagegeld 12 cent per dag.

17 maart: 'sukna' met puisten en 'schibius'

27 maart afgelopen kininekuur

23 april einde malariakuur

13 mei kaart ontvangen

13 april ziekenverpleger

26 mei spek gegeten

23 juni vertrek uit Nakompanton (Nakhon Pathom)

30 juni in de rimboe, ben door een bij gestoken. Steeds luchtalarm.

23 augustus uit de rimboe terug. De verandering is erg groot, lekker eten en drinken, van alles genoeg.

Vanaf deze datum wordt er niet meer geschreven. Goos herdenkt de verjaardagen van zijn vrouw en dochter maar niet van zijn 2 zonen...

Wim Kan een cabaretier die ook in de kampen zat aan de Birmalijn had meer schrijftalent en zijn memoires van deze periode zijn in een boekvorm uitgegeven. Hier enkele belevenissen en ervaringen van Wim Kan om het sumiere dagboek van mijn opa meer beeld te geven.

Het is moeilijk te achterhalen wanneer en waar Goos samen met Wim kan in het kamp heeft gezeten, maar dat ze samen hebben gezeten is zeker. Goos heeft voorstellingen bijgewoond van Wim Kan  dit was waarschijnlijk in Nakhon Pathom.

6 augustus 1945

De Amerikanen hebben een enorme bom op Japan laten vallen. Dit was, zoals men later hoorden , de atoombom genaamd Little Boy, afgeworpen door de bommenwerper Enola Gay op Hiroshima. Op 9 augustus 1945 volgde een tweede atoombom, Fat Man genaamd, die op Nagasaki werd afgeworpen. Deze bommen dwongen de Japanners tot capitulatie op 15 augustus 1945.

15 augusuts 1945

Vele krijgsgevangenen worden (op papier) uit Krijgsgevangenschap 'bevrijd', en ingedeeld bij het Tpn.Co te Kanburry (Siam).

Wim Kan:

16 aug '45: 't is vandaag een vreemde dag. Gisteren de hele dag vrij en overdag dus kunnen repeteren. 9h: appèl. Lang gewacht. Toen na 20 min. Eindelijk Jap. Die 1e sectie doorkeer, weg liep en zei "thank you", later bleek dat deze Jap is gehaald door de kapitein. 9h30: het kantine-geld werd omgezet in eten. Helemaal gek geworden. Hoorde dat we die avond een feestmaal kregen. Waarom? Iedereen opgewonden. Zou je altijd na 3½ jaar krijgsgevangenschap gek worden? Overdag al enkele keren geruchten gehoord dat het over was. 19h: Jap. Kolonel zegt door middel van tolk dat er een wapenstilstand is. "De oorlog is op alle fronten beëindigd. We zijn geen krijgsgevangenen meer, we zullen het kamp kunnen verlaten en deze zelf nu moeten bewaken. Buiten blijven nog enkele Jap. Soldaten staan. De voorraden van het kamp zijn ter uwe beschikking, maar u zult hier nog wel enige tijd moeten blijven. "Zorg goed voor uw gezondheid en voor de papajaplanten". En voor de papajaplanten!, en zo eindigt dan een wereldoorlog. Is 't niet om te huilen? Als ik niet zo blij was, zou ik geloof ik hele tijd huilen. 't Is voorbij, 16 augustus 1945. Ik was 3 jaar en 5 maanden en 3 dagen P.O.W (prisoner of war), dat zijn 1250 dagen!! Vreemd rond getal... Het zit erop. Het is afgelopen! Hoerra!!

8 november 1945  ontmoet Wim Kan zijn vrouw weer voor het eerst in het Thailand Hotel. Zijn vrouw was eind oktober al aangekomen in Singapore. Nederlandse krijgsgevangenen zullen nog maanden in de kampen verblijven. Met de Engelsen verdwijnen ook de voedseldroppingen die er waren sinds 'de bevrijding', dus van een echte verandering na de bevrijding is dus nauwelijks spraken. Wim Kan gaat op een open vrachtwagen met collega's en zijn vrouw op tournee langs deze kampen. Velen verbleven nog in de hutten wonen die zij onder Japanse bewind hadden gebouwd. Sommige mannen hadden dan nog steeds niets van hun vrouwen vernomen, was dat wel zo, dan was het soms ook een overlijdens mededeling. Wim Kan blijft optreden tot zijn 49e malaria aanval. 1 maart 1946 komt hij aan op Schiphol (de bofferd, hij mocht per vliegtuig).

Emma de eerste vrouw van Goos overlijdt op 24 januari 1943 op 27jarige leeftijd in een Kamp in Batavia. Er waren twee grote vrouwenkampen, Tjideng en Kramat, met in totaal 5700 personen, maar misschien zat Emma wel in een buitenkamp, dat is niet bekend. De aangifte van haar overlijden vindt pas plaats heel laat na de bevrijding op 5 juli 1946 door een ambtenaar van justitie. Haar laatste woonplaats voor de internering was Tjimahi waar ze woonde met haar 2e echtgenoot Johann Diederich Bruijntjes (geb,15/11/1914), Willemstraat H65 in Tjimahi. Johann was ook een KNIL militair op de kazerne in Tjimahi en tevens ook kanonnier. Waarschijnlijk heeft Goos Johann gekend, maar dat gis ik maar.

Wim van de Veer is getrouwd met Annie een jongere zus van Goos, en is planter in Nederlands-Indië. Ook hij overleefd de oorlog niet, hij stert in een kamp. Zijn vrouw Annie zat in een vrouwenkamp en wordt misbruikt door de Japanner. Ze sterft op 78jarige leeftijd in 1994 in een tehuis voor mentale zieken. Ze heeft haar oorlogservaringen en misbruik nooit kunnen verwerken.

Jetje Dusseljee heeft de oorlog met haar kinderen doorgebracht bij haar ouders in Salatiga. Daar zijn zij de hele oorlog ondergedoken geweest. Na de bevrijding zijn zij voor hun eigen veiligheid naar kamp Ambarawa gebracht, dat werd bewaakt door de Gurka's. De leden van het gezin Wallenburg waren toen: Ad's grootmoeder Twi Nio, Pop, de zus van Ad's moeder., Bennie en Theo, de broertjes van Ad's moeder. De andere broers van oma D waren toen al uit huis. Twi Nio koos met haar 2 jongere kinderen Bennie en Theo voor de Indonesische nationaliteit en kon het kamp verlaten, Theo en Bennie kwamen later in een weeshuis terecht. Henk heeft geinterneerd gezeten in Indo-china volgens het militair dossier, maar waarschijnlijk is dit toch Birma en Siam geweest. Hij keert terug op 15 mei 1946 naar Batavia waar hij direct een plaatsing krijgt. Hij hervindt zijn vrouw en kinderen om een jaar later op 22 juni 1947 op verlof te gaan naar Nederland voor 4 maanden. Ze logeerden bij de broer van Pa Dusseljee, Janus en zijn vrouw Toos. Eerst heel even in de Vondelstraat en daarna in hotel café Suisse tegenover de grote kerk in Breda. Pa Dusseljee heeft toen ook cursussen gevolgd op de KMA om na zijn verlof weer terug te keren naar Nederlands-Indië.

Na het vallen van de bom kwam ook de communicatie van en naar de buitenwereld op gang.

Op 22 september 1945 komt er een aanvraag uit Nederland binnen op het rode kruis dat vader van der Heijden op zoek is naar zijn dochter en op 9 oktober 1945 een aanvraag van vader Reijs dat hij op zoek is naar zijn zoon Goos.

De bevrijding van de kampen.

In een periode van 3 jaar ('42-'45) waren de japanners er in geslaagd de structuur van de Indische samenleving diepgaand te veranderen door het mobiliseren van de bevolking en het oprichten van tal van organisaties waarin zowel jongeren als ouderen getraind werden en hen de Japanse discipline werd bijgebracht. Aan het eind van de oorlog beschikten de nationalisten over een strijdbaar anti-westers georiënteerd kader, dat niet zou afwachten tot de Nederlanders op het toneel verschenen om het bestuur over hun kolonie weer over te nemen, maar de vrijheid voor Indië eiste. Sinds het uitroepen van de Republik Indonesia op 17 augustus 1945 waren de Indonesiërs hierbij niet gehinderd door de Japanners, bezig geweest met het opzetten van Republikeinse organisaties en veiligheidsdiensen. (Op Sumatra waren de Indonesische Nationalisten minder militant dan op Java).

Door de onverwacht snelle Japanse capitulatie en het gebrek aan machtsmiddelen was Nederland aangewezen op hulp van zijn bondgenoten om de oorlogsgetroffenen hulp te bieden en het pad naar gezagsherstel te kunnen inslaan. Anders dan tijdens de oorlog zou Nederland primair op Groot-Brittanië moeten leunen onder leiding van Lord Mountbatten. (gouveneur-generaal van Brits-Indië). Vlak voor de komst van de Britse troepen op 29 september 1945 probeerden ze nog zoveel mogelijk macht en wapens over te nemen van de Japanners. Met de komst van de Britten brak een gewelddadige periode (Bersiap) aan op Java en Sumatra.

Het merendeel van de geinterneerden, burgers en krijgsgevangenen werd pas eind augustus 1945 door de Japanners officieel op de hoogte gesteld van de Japanse capitulatie. De eerste operatie was het afwerpen van pamfletten boven de kampen, operatie 'birdcage' genoemd, waarin de Japanners werd gesommeerd hulp te verlenen en de krijgsgevangenen en geinterneerden werd gevraagd in de kampen op geallieerde hulp te wachten Tevens werd voeding en medicamenten droppings aangekondigd. Repatriëring van Nederlandse gevangenen uit de archipel naar Nederland was voorlopig alleen voorzien, voor hen die om medische redenen niet langer in de tropen konden werken. De Indische regering was er op gebrand dat vanwege personeelsschaarste er zoveel mogelijk Nederlandse ex-gevangenen zouden blijven, mede ook omdat ze hun thuis daar hadden. Maar de hulpverlenende organisaties werden geconfronteerd met onverwacht grote aantallen krijgsgevangenen en geinterneerde burgers, mannen, vrouwen en kinderen, en tevens het uitbreken van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd (Bersiap). Meer dan 60'000 alleen al op Java in ontberende omstandigheden, zwaar ondervoed en ziek. De leefomstandigheden in de kampen waren mede door gebrek op privacy en hygiëne zeer slecht. Ondanks de verschrikkelijke toestanden in de kampen besloot Lord Mountbatten dat de mensen in de kampen moesten blijven totdat adequate hulp geboden zou kunnen worden. Het was hoogst gevaarlijk om zich buiten de kampen te begeven, ook omdat de geinterneerden totaal geen geld hadden om van rond te komen. De huizen waren allemaal bezet; er woonde (nog) Japanners of Indonesiërs in.

De grote vrouwenkampen in Ambarawa en Banjoebiroe waren echter door de slechte toestand van de wegen en het gebrek aan transportmiddelen zeer moeilijk te bereiken, en belemmerde de snelle hulpverlening en evacuatie van de ex-geinterneerden. De lokale Japanse commandanten werd medewerking gevraagd om de kampen te bewaken en van voedsel te voorzien. Van verzet van de zijde van de Japanners was nauwelijks sprake, maar het Indonesisch verzet tegen de terugkeer van de Nederlanders nam hand over hand toe. Het geweld op Java tegen de Nederlanders en Indo-Europeanen dat midden oktober losbarstte was echter niet meer te keren. Een voedselboycot tegen alle Europeanen was afgekondigd. Water toevoer en elektriciteit werden afgesloten, voedselkonvooien werden aangevallen waardoor de situatie in de kampen, onhoudbaar dreigde te worden.

Op Java was het dus wachten op Britse bezettingsgroepen. Zodra die kwamen, kon de rust en orde voldoende gegarandeerd worden. De Britten hadden pas op 1 december de situatie echt onder controle, en kon de evacuatie beginnen. Men besloot zoveel mogelijk geinterneerden te evacueren naar opvangkampen buiten Java of indien mogelijk direct naar Nederland. In de maand december 1945 begon de evacuatie van een klein 25'000 ex-geinterneerden vanuit Ambarawa en Bandjoebiroe naar diversen bestemmingen: Batavia, Australië, Singapore, Ceylon, Bangkok en Nederland. Naar Bangkok en Ceylon werden zoveel mogelijk personen in het kader van gezinshereniging geëvacueerd die vandaar naar Nederland zouden worden overgebracht. (Dacht men aan de vooravond van de capitulatie aan Nederlandse zijde op Java met 8'000 Nederlandse krijgsgeveangenen en 40'000 burger geinterneerden te maken zullen krijgen, midden december 1945 bleek het aantal van de te verzorgen personen alleen al op Java te zijn opgelopen tot 204'050 onder wie 68'200 personen die nog in de kampen verbleven! (Sumatra: bijna 32'000 pers.) Sommigen konden pas na 6 maanden na de bevrijding uit het kamp 'bevrijd' worden.

De bevrijding van de KNIL soldaten

De opvang en repatriëring van de Nederlandse krijgsgevangenen uit de Pacific-oorlog was een slepende affaire. Zo wachtten in februari 1946 nog duizenden Nederlandse krijgsgevangenen in haveloze kampen langs de Burma-Siam spoorweg. Zij noemden zichzelf Prisoners of Peace. Toen Japan op 15 augustus 1945 caituleerde waren er nog 30'824 militairen van het KNIL en 3'199 van de Koninklijke Marine in leven van de in totaal 42'233, voor het overgrote deel Nederlandse militairen, die door de Japanners in 1942 in krijgsgevangenschap waren gevoerd. 8'200 van hen waren voor die tijd bezweken tussen de raderen van de Japanse oorlogsmachine. Op 28 augustus 1945 ging operatie Birdcage van start in Thailand, Malakka en zuidelijk Indo-China. De krijgsgevangenen ontvingen zo de geallieerde bevestiging van de Japanse capitulatie, het verzoek in de kampen bijeen te blijven en de aankondiging van voedseldropping en de komst van hulp. Het bericht van de Japanse capitulatie had hen veelal tussen 15 en 21 augustus bereikt. Het leidde doorgaans tot een wisseling van de wacht, soms gepaard gaande met kleine incidenten, en een verbeterde Japanse voedselaanvoer. Het onbehagen groeide over het voortgezette verblijf in de Japanse kampen en de onrust over hun gezinnen in Indië.

In Thailand hebben de krijgsgevangenen zich uiteindelijke -per spoor- geconcentreerd in de best bereikbare kampen en hadden zij direcht hoofdkwartieren opgezet in Bangkok. De grootste ontevredenheid was dat men moest wachten, terwijl familie in Indië onder vuur lag. Al met al wachtten er in januari 1946 in de kampen in Thailand derhalve nog ruim 9'000 en in Singapore circa 6'300 krijgsgevangenen. In hun situatie was in de loop van november/december 1945 in zoverre verandering in gekomen dat zij gezelschap hadden van ruim 17'000 vrouwen en kinderen vanuit Java. Deze arriveerden met Engelse boten. Veel van het arriveerden daar na jaren van internering en verpaupering en door hun overhaaste vertrek, letterlijk 'op een schoen en een slof'. Bijna allen werden bij wijze van noodvoorziening ondergebracht in oude Japanse of nieuw gebouwde brakkenkampen. De komst van de evacués betekende ook dat zij eindelijk met hun gezin herenigd werden, zij het op geheel andere wijze- en soms voor kortere tijd- dan gedacht. In het gunstigste geval werd in Bangkok of Singapore een aantal gezinnen samen in een huis geperst. Maar de meesten moesten het met een 'afgeschotte chambrée' in een barak en voor een flink deel was zelfs dat niet weg gelegd. Zij moesten dan gescheiden blijven leven van hun echtgenoot. Hoeveel ex-krijgsgevangenen uit de archipel naar Nederland werden gerepatrieerd viel uit de archieven niet te achterhalen.

In Thailand en Singapore werden naar schatting respectievelijk 2'000 en tenminste 2'300 krijgsgevangenen afgekeurd voor iedere dienst in de archipel en op de repatriëringslijst voor Nederland geplaatst. De wijze waarop de criteria voor repatriëring naar Nederland - Nederlandschap, medische conditie en maatschappelijke functie- in praktijk werden getoetst gaf overigens wel aanleiding tot kritiek. Zo stonden in Thailand, met name de medische keuringen in een kwade reuk. Het hoofd van de keuringscommissie zou veel mannen onterecht goedkeuren!

Van december '45 tot begin maart '46 werden circa 21'500 personen overgebracht naar Nederland, nog niet de helft van het nagestreefde aantal. Zij die het meest gevaar liepen en zij die het zwakst waren, hadden de hoogste prioriteit. Dat betekende dat Java voorrang kreeg, gevolgd door Sumatra. Daarna volgde Singapore. Thailand was (na Ceylon) de hekkensluiter. Absolute voorrang boven de repatriëring naar Nederland kreeg het Nederlandse troepentransport naar de archipel, met dezelfde schepen waar ook de repatrianten naar Nederland mee werden vervoerd. Dit scheepsruimte probleem en de militair-politieke prioriteit van de transporten betekende dat vele ex-krijgsgevangenen (en hun families), met name in Thailand die als laatste op de rol stonden, hun oefening in lijdzaamheid moesten voortzetten. In de maand mei wachtten in Thailand nog steeds 3'500 man op verscheping naar Nederland ( of Indië). Tot juli 1946 bleven de kampen in de vlakte rond Bangkok onderdak bieden aan de Nederlandse ex-krijgsgevangenen. In augustus '46, een jaar na de Japanse capitulatie, vertrokken de laatste uit bangkok naar Nederland. 

1943 / 1944 / 1945

Chrisje komt met haar kinderen terecht in verschillende kampen op midden Java: Van november '42 tot december '43 verblijft ze een jaar in De Wijk. Van december '43 tot mei '45, 1½ jaar in Solo (het oude ziekenhuis) en van mei '45 tot december '45 zo'n 7 maanden in Bandjoebiroe 10. Op 1 december vertrekken ze (totaal zo'n 1'500 personen) naar Ambarawa to 5 december '45 waar Goosje in de ziekenbarak heeft gelegen. Op de 5de vertrekken ze naar Semarang (Kamp Halmaheira) tot 16 december voor zo'n 10 dagen voordat ze vertrekken op 25 december naar Siam/Bangkok in het Wilhelminakamp van Nakhon Pathom. Ik vind Chrisje op de lijst van BandjoeBiroe 10: Reys-van der Heyden, C.E., onder nummer 3745 gelegen in 'Cel' B4 met 3 kinderen.

Goos junior herinnert dat ze 'bevrijd' zijn door de Gurkhas. Dit is een volk uit Nepal en het noorden van de Indiase staat West-Bengalen, die hun rol als soldaten in dienst van het Britse leger hadden. Hij kan zich nog goed de mooie tulband herinneren die ze droegen. Ik vind Chrisje met haar kinderen terug in het Nederlands-Indisch Rode Kruis archief opgemaakt op 17-11-1945. Ze staat op de bevrijdingslijst van Bandjoebiroe 10, tezamen met 2'694 andere geetineerden. In de kampen ontmoet ze ook Mevrouw Leen Deeken die was er geinterneerd met haar dochters Lenie, Astrid en Marian. Marian was ongeveer even oud als Goosje en ze speelde regelmatig met elkaar. Haar man zat in een mannenkamp ( hij was geloof ik leraar) en de oudste zoon zat in een jongenskamp. Tante Leen heeft ze nooit meer teruggezien.

Tante leen gaat na de bevrijding direct per boot terug naar Nederland en Chrisje is altijd bevriend met haar gebleven tot de rest van hun leven. Chrisje en haar gezin doen mee aan de 'overtocht' tussen Bandjoebiroe en Ambarawa. Goos junior gaat daar direct naar het hospitaal, hij is er slecht aan toe en lijdt aan Beri-Beri. Men ging te voet of per open vrachtauto, de afstand tussen deze kampen was onder normale omstandigheden niet groot. Maar door bombardementen waren de wegen slecht, er waren kraters in de wegen geslagen. Er werd ook regelmatig gestopt. De begeleidende Engelse soldaten of Ghurka's controleerde dan of alles veilig was, en er geen hinderlagen waren. Er was angst bij iedereen in deze Bersiaptijd.

Er was een grote binnenplaats in dit kamp. Bij aankomst lag overal troep, vuil, lijken in ontbindende staat! Een vreselijke ervaring; vooral de stank. Dit is niet voor te stellen als je het zelf niet gezien hebt en geroken. Met doeken voor de mond werd er begonnen met schoonmaken om infectiegevaar en andere ziektes te voorkomen. Buiten het kamp lagen ook lijken die niet opgeruimd konden worden ivm de bedreiging van de Peloppers ( Nationalisten), die lagen buiten het kamp op de loer. Goos junior was er slecht aan toe, wegens vitaminetekort (Beri-Beri), gebrek aan eten in het algemeen, en dat goldt voor iedereen natuurlijk. De overtocht tussen de twee kampen heeft Goos niet bewust meegemaakt. Hij komt terecht in een ziekenbarak. De lucht van overleden mensen kan hij nog wel steeds ruiken, verder heeft Goosje niet veel herinneringen aan Ambarawa hierdoor.

5/8 december 1945: De evacuatie naar Semarang, kamp Halmaheira:

Deze begon s'morgens vroeg om de hitte van de dag voor te zijn. De avond tevoren kwamen er al trucks het kamp in gereden. Matrassen werden in de laadbakken van de trucks gelegd, en ook rechtovereind tegen de zijwanden als bescherming tegen aanvallen. De soldaten gaven een beschermd gevoel ondanks dat iedereen toch bang was en met angst leefden. De colonne werd begeleid met pantserwagens en machinegeweren. Ook hier loerde het gevaar van sluipschutters. Er is een aanval geweest met handgranaten en in een laadbak waren doden gevallen. Langs de kant van de weg lagen ook doden, en de lucht die hier bij ging was niet te harden. In Semarang was het betrekkelijk veiling. Hier waren de Britten al aangekomen op 20 oktober 1945. Dit kamp bestond uit ongeveer 100 huisjes aan de straat Halmaheira in het oosten van Semarang. Deze straat wordt vermeld op de stadskaart van Semarang in de Stedenatlas van Nederlands-Indië.

Vanuit Semarang is het kleine gezin vertrokken op 25 december op de Engelse boot ss Lake Charles of Victory' naar Bangkok wegens 'familiehereniging', Goos zat immers in Siam als bevrijd krijgsgevangene. Tijdens de 3  jaar Internering in de kampen  zijn veel persoonlijke  spullen verloren gegaan waaronder ook de fotoalbums. Alle vooroorlogse foto's zijn later in Nederland opgevraagd bij familieleden waarvan kopieen zijn gemaakt. 

Goos en Chrisje hervinden elkaar in Siam (Thailand). Chrisje en haar kinderen worden bij aankomst geplaatst in het oude Jappenkamp van Nakhon Pathon, (de eerste 3 maanden in het 'Julianadorp') waar Goos enige tijd ervoor nog gevangen zat. Hier waren lange barakken met tussenschotten 'afgeschotte chambrees', zodat elk gezin toch wat privacy had. Aan een kant van de barak was een gallerij en daar zag Goosje een man aankomen in militair uniform. Dat rook naar onraad. Mannen had hij tot op heden toch al weinig gezien in zijn jonge leven, en als hij een man zag was het een Jap waar je voor op moest passen. De militair ging zijn 'Chambree' binnen! Wat moet die vent met mijn moeder? Hij rent naar binnen want moeder was inmiddels volop aan het huilen.

Goos junior ziet zijn moeder dan ook deze vreemde man omhelzen. Moeder verteld hem dan dat alles goed is, en ze stelt hem zijn vader voor. Goosje had nog nooit van het woord vader gehoord, en wist niet wat een vader was...Goos verbleef vanaf dat moment voor een lange periode samen met zijn gezin samen in deze barak. Na drie maanden gaan ze naar een ander gedeelte van Nakhon Pathom, het Beatrixdorp wat luxueuzer was. ( je had ook nog Beatrixdorp en Emmadorp) Hierna werd het gezin overgebracht naar Bangkok in het Hoahin Hotel waar men nog even verbleef totdat men aan de bootreis naar huis kon beginnen. Goos heeft een fototoestel kunnen kopen of lenen en heeft enkele foto's kunnen maken in Siam.

Goos werd medisch goedgekeurd  en er werd voor hem besloten dat  hij terug in Indonesië zou worden hergeplaatst gezien de onrustige tijd aldaar. Chrisje ziet hier werkelijk niets in aangezien haar man daar lichamelijk en misschien ook wel geestelijk nog niet aan toe is. Ze gaat op pad naar de 'overste' van Goos en zegt:" U wilt toch zeker geen 'lijk' terugsturen naar Indië?" En zodoende kon Goos met zijn gezin terug naar Nederland op 'ziekenverlof'.

Begin Juli 1946

Men vertrok eerst op het ms Tabinta van Bangkok naar Batavia. Hierna embarkeert het gezin te Tandjong Priok op 6 juli aan boord van het ms."Ruys" naar Nederland voor 6 maanden Ziekenverlof. (wat uiteindelijk 1 jaar zal zijn)

In het Suezkanaal mocht men van boord in Attaca/Atoka /atika om kleding pakketten op te halen. Voor ze aan wal gingen werd nadrukkelijk te kennen gegeven dat ze aan wal mochten en eten wat ze wilden maar niet mee terug aan boord mochten nemen. Natuurlijk was dit teveel gevraagd voor mensen die zo lang alles ontbeerd hadden. Kinderen uit angst weer honger te moeten lijden, hadden de gewoonte aangenomen etenswaren te bewaren en verstopte ze onder hun kleding

16 Aug 1946

 Aankomst in Amsterdam, vanuit Nederlands-Indië. Goos wordt ingeschreven in de administratie bij het kamp Austerlitz en heeft uiteindelijk 1 jaar verlof. In de bossen tussen Zeist en Austerlitz word Kamp Austerlitz in1938 gebouwd als mobilisatiekamp.In 1946 is het een repatriering centrum voor KNIL­ Militairen. Het barakkenkamp kreeg de functie van Militair Neurose Hospitaal. In eerste instantie was dit bedoeld om oorlogsveteranen met trauma's en psychische problemen te behandelen. 

De Familie Reijs logeert in deze periode bij Tante Mien (zus van Chrisje)op de Terheijdenseweg in Breda. Goos junior krijgt algauw de bijnaam Flip(je), want als men Goos riep, keken er direct 2 mensen om; Senior en Junior. Ik ga Goos junior nu ook verder Flip noemen, om het  schrijven te vergemakkelijken. De kinderen gaan tijdelijk naar de Jozefschool in Breda. Vooral de kinderen. moesten  wennen aan de kou en aan het lopen op schoenen, en aan het leven en wonen in vrijheid,  Flipje sprak eigenlijk nog niet goed Nederlands. Natuurlijk sprak hij Nederlands met zijn moeder en zus, maar in de kampen ook regelmatig Javaans. Misschien ook wel met Karel, want die is tot aan zijn 4e opgegroeid bij zijn moeder en sprak misschien ook nog zijn moederstaal. Flip maakte er een ratjetoe van. Om maar aan te geven dat naar school gaan, niet makkelijk was. Zich weer aan regels houden, stil zitten, luisteren en leren schrijven etc. Flip had hier moeite mee. Flip was eigenlijk linkshandig maar de rechtshandigheid werd er met de liniaal ingemept zelfs met het vrije leven. Hij kwam geregeld thuis met dingen die hij gevonden had, wat naderhand 'gestolen' bleek te zijn.

28 februari 1947 word het ziekenverlof van Goos met drie maanden verlengd, om uiteindelijk pas in augustus terug te gaan naar Nederlands-Indië.

28 augustus 1947  Na een jaar vertrekt Goos zonder zijn gezin terug naar Nederlands-Indië per m.s. "Kota Inten", om de aankomst van zijn gezin in Nederlands-Indië voor te  bereiden.

September 1947  Goos komt aan in Batavia en word tijdelijk ingedeeld bij het I.K.B. (Inlichtingen Kantoor Batavia) in afwachting op een plaatsing.

19 november 1947  Per vliegtuig vertrekt Goos naar Medan. Hij wordt daar geplaatst bij het Subs.Kader Medan op Sumatra.

Begin 1948  Enkele maanden na het vertrek van Goos, (Hij wist nu inmiddels zijn nieuwe plaatsing en had woonruimte geregeld) vertrekt ook Chrisje met haar kinderen naar Indië op (volgens mijn vader) de "Johan van Oldebarnevelt", om uiteindelijk ook in Medan aan te komen.

Na wat onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat het best mogelijk is dat het 'De Waterman' in januari 1948 was. De Johan van Oldenbarneveldt vaart namelijk niet tussen eind 1947 en begin 1948 en aangezien ik foto's heb gevonden van Chrisje en haar kinderen die rond de kerst in 1947 zijn genomen met warme kleding aan kan ik daaruit opmaken dat ze toen nog in Nederland waren. Mijn vader (Goos) herinnert zich ook een schip met de naam Waterman vandaar..

De Waterman vertrekt op 23 januari 1948 richting Nederlands-Indië en in Medan stapt het kleine gezin van boord. De boot vaart dan nog door naar Tandjong Priok. Bij  aankomst  was hun eerste verblijf  in de bijgebouwen van het Consulaat van België te Medan. Daar hadden ze 3 slaapkamers, 1 woonkamer en een 'platje'. Hier woonde ook de Fam. Leenders. Karel Leenders  was een collega van Goos en woonde in een ander gedeelte van het Consulaat samen met  zijn vrouw Alie.Toen na 1 jaar  de Belgische  consul  zich  presenteerde (in 1982  was het nog steeds de woning van de Belgische Consul) moest men dus vertrekken uit deze woning en is de familie verderop op de Padang Boelang weg gaan wonen tot 1950. Dit laatste gebouw is nu een hotel.

23 september 1948  Goosen gaat over van het wapen der Artillerie naar het wapen der Infanterie en wordt tijdelijk bevordert tot Sergeant, "In het genot van een bezoldiging van Fl 245,- per maand."

November 1948  De tijdelijke rang van Sergeant wordt geëffectueerd, rekende de ouderdom in rang van 23 september1948.

September 1949  "Van detachering terug. Overgegaan bij Infanterie III." De terugkomst in Nederlands-Indië was voor Goos, Karel en Flipje een 'bevrijding'. Het klimaat, de mensen, cultuur, en veel meer dat ze gemist hadden in het koude Nederland. Karel had moeite met zichzelf en zijn identiteit. Was hij een Indo of een Nederlander? Vaak wilde hij zijn broertje niet (h)erkennen als broer i.v.m zijn huidskleur. Misschien ook wel ten opzichte van zijn Indische vrienden. Wie kon men vertrouwen in deze onrustige periode? Wie was er Nationalist en wie was Nederlands gezind? Karel voelde zich tussen wal en schip.

Soekarno laat op 17 augustus 1945 in Jakarta aan de wereld weten dat het koloniale Nederlands-Indië definitief verleden tijd is. Nederland erkent de Republiek Indonesië niet. Vanaf 1945 wil Nederland met onderhandelingen, oorlogsvoering en geweld het gezag herstellen, of tenminste controle houden over het dekolonisatie proces. Meer dan 200'000 militairen nemen deel aan deze oorlog, van wie ruim de helft dienstplichtigen zijn. De grootste militaire operaties van Nederland zijn Operatie Product in 1947 en Operatie Kraai in 1948-1949. Bij de laatste wordt  Soekarno gevangengezet. Beide operaties worden aangeduid met de term 'politionele acties'.

De Verenigde Naties geven het bevel de militaire acties te stoppen en de gevangenen vrij te laten. Pas in mei 1949 geeft Nederland toe aan de internationale druk. Gedurende de periode 1945-1949 vallen aan Indonesische zijde ruim honderdduizend doden, aan Nederlandse zijde zo'n vijf duizend.Op 27 december 1949 wordt in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht getekend en wordt Soekarno de eerste president van de Republiek Indonesia. Het  geld wat men op de bank had staan (guldens) werd omgezet in roepias en werd met meer dan de helft in waarde verminderd. Vele mensen zijn hierdoor wederom gedupeerd, de eerste keer tijdens de Japanse bezetting en nu een tweede maal.

Het is in deze periode dat Chrisje 'het ' schilderij liet maken, ook kocht ze juwelen, zilver bestek en andere waardevolle dingen, zodat ze de waarde van het geld behield. Het  vertrek terug naar Nederland wordt aangekondigd . Het  gezin vertrekt vanuit Medan met de boot, (het is mogelijk dat het hier dan de Johan van Oldenbarnevelt betreft) naar Batavia, inmiddels omgedoopt in Jakarta alwaar ze (weer) in een kamp geplaatst worden in afwachting op de boot die naar Nederland vertrekt .In het  kamp Tjililitan  (wat voorheen ook een  Interneringskamp is geweest) ontmoet Flip, voor de eerste keer Adrie Dusseljee, het oudste zoontje van Henk Dusseljee. Henk heeft er na de oorlog nog 2 kindjes bijgekregen. Adrie vertrekt pas 2 maanden later op 3 november 1950 naar  Nederland op de  ' Oranje ' en Flip verliest hem uit het oog. In Tjililitan was het tevens een fijn weerzien met Ome Akkie die met zijn marineboot in de haven lag .

27 september 1950

De hele familie embarkeert aan boord van ms "Fair Sea", voorgoed terug naar Nederland. Aan boord zat ook Dhr Bruijntjes de tweede echtgenoot van Emma, Goos zijn eerste vrouw. Zou Goos deze man ontmoet of gekend hebben? Dhr Bruintjes was inmiddels hertrouwd en ik heb contact gezocht met zijn dochter die uit dit huwelijk geboren is, maar ze wil niets kwijt uit deze periode. Mijn vraag was vooral of dat zij misschien zou weten waar Sientje gebleven is (zoals eerder in mijn verhaal is Sientje het zusje van Kareltje).

Dhr Bruijntjes is 10 jaar jonger dan Goos en kwam in 1933 aan in Nederlands-Indië als militair. Bruijntjes werd ook geinterneerd in de kampen van '42 tot '46 in Birma en Siam, en heeft ook aan de spoorweg gewerkt. Hij gaat na de 'bevrijding' in 1946 vanuit Siam terug naar Java om Emma te zoeken, omdat via gezinshereniging zij niet naar hem toekwam. Hij komt er al snel achter dat Emma begin 1943 is overleden. Bruijntjes vertrekt in Juli 1947 op verlof  naar Nederland voor een half jaar en is inmiddels hertrouwd. Zijn vrouw bevalt in November '47  van een dochter in Amsterdam. In  januari 1948 komt hij  weer terug naar Java om later in september 1950 op dezelfde boot als Goos voorgoed terug te keren naar Nederland. Zijn vrouw en dochter  vertrekken  al  in  maart 1950 terug naar Nederland. 

Flip had Pietje het eekhoorntje meegesmokkeld aan boord, die sliep bij hem in de kajuit, totdat er ineens nog een eekhoorntje kwam opdraven. Het bleek dat iemand anders eenzelfde huisdiertje had meegenomen aan boord.

October 1950

In Nederland aangekomen word de familie tijdelijk geplaatst in Hotel Zomerzorg in Bloemendaal in afwachting tot dat men een woning krijgt toegewezen. Hier gaan de kinderen naar school. En tot Flip zijn grote verbazing loopt Adrie voorbij met zijn zus Corrij eveneens op weg naar school. Adrie woonde in een ander hotel; Duin en Daal. De twee jongens komen op dezelfde school terecht en hebben direct weer vriendschap. De eerste winter in Nederland heeft Pietje helaas niet overleefd vanwege de kou. Flipje vond hem dood onder de dekens aan het voeteneind van zijn bed.

Karel, die inmiddels al 16 jaar is, had bij aankomst in Nederland direct weer onderdak bij tante Mien.Samen met zijn 3 neven (van zijn moeders kant) van dezelfde leeftijd gaat hij naar de MULO in de Halstraat in Breda waar hij later ook zijn diploma haalt. Karel kon goed leren en nu hij weer in Nederland was , was de onrust wat betreft zijn identiteit gekalmeerd. Nu was het andersom, en moest hij met zijn bruine vel zich bewijzen in de blanke maatschappij. 

Men mocht kiezen waar men wilde wonen in Nederland. Veel mensen werden (zonder te kiezen) in Den Haag geplaatst . Chrisje wilde dit absoluut niet , aangezien ze uit Breda kwam. En Breda is het geworden. Ze hebben uiteindelijk een jaar in Bloemendaal 'gewoond'.

De familie Reijs krijgt een woning toegewezen in het Heuvelkwartier, in de Olivier van Noordstraat 49. En weer een toeval er bovenop; 3 weken later komt de familie Dusseljee in dezelfde straat wonen, nadat zij eerst nog in een pension in Oudenbosch hebben gewoond. Pa Dusseljee was in Breda gelegerd, op welke kazerne dit is, is niet bekend maar ik vermoed op de kazerne aan de Fellenoordstraat. Op 18 februari 1954 is Pa Dusseljee verongelukt met de jeep na afloop van een oefening. Hij is de volgende dag 19 februari overleden en in Breda met militaire eer begraven. Hij was toen 39 jaar.

Flip en Adrie gaan weer naar dezelfde school en ze zijn altijd bevriend gebleven de rest van hun leven totdat Adrie overlijdt ten gevolge van een hersentumor in februari 2020. Adrie was 1 jaar jonger dan Flip, maar ze zaten toch in dezelfde klas. Toen de familie in 1946 in Breda woonde bij Tante Mien, ging Flip een jaar naar school en kwam in de 1e klas terecht, want hij was tenslotte 6/7 jaar. In dat schooljaar heeft hij niet veel geleerd. Flip moest eerst maar eens goed Nederlands leren spreken, en had een enorme achterstand. In september '47 moest Flip dus de 1e klas overdoen. Bij terugkomst begin1948 ging hij in Medan naar de 2e klas, want men dacht dat het Nederlands leer-systeem veel beter was en dat hij nu wel makkelijk naar de 2e klas kon. Dit bleek dus niet het geval en in september 1948 deed hij de 2e klas dus ook nog maar eens over. In 1949 ging Flip naar de 3e klas, die hij in 1950 in Breda dus ook nog maar een keer overdeed. Rekenen heeft Flip van Tante Alie geleerd toen die tijdelijk bij hun woonde in het huis van de Belgische Consul. 

24 oktober1950

Goos word "Bij  beschikking van het  hoofd van de afdeling Militaire Persooneelszaken, bij  K.B. van 20 juli 1950 STBL Nr  K 310, m.i.v. 25 juli 1950 eervol uit de militaire dienst ontslagen, wegens opheffing van het KNIL." De verklaring van aanbeveling toegekend.

18 oktober 1951

In Bloemendaal krijgt Goos per post een medaille toegestuurd (de vergulde zilveren Medaille) voor trouwe militaire dienst, gekregen als blijk van dank voor zijn jaren in Indonesië, zonder ceremonie, niets. Een schrijnend gebaar!

Rond 1951/1952 kwam er een levensteken van Sientje, en wel vanuit Jakarta. Ze vroeg toestemming aan haar vader om te trouwen aangezien ze nog minderjarig was. Goos gaf deze toestemming en hierna is er nooit meer contact geweest met haar. Het is niet bekend of Goos toen al wist dat zijn eerste vrouw overleden was. Het overlijden van Emma in 1943 is pas bekend geworden bij Goos junior in begin 2020 nadat we in de archieven hebben gesnuffeld.

Het televisieprogramma 'Spoorloos' en het radioprogramma 'Adres Onbekend' kunnen mij niet verder helpen om Sientje terug te  vinden. Voor  'Spoorloos'  zijn er te veel aanvragen m.b.t  Indonesië en 'Adres Onbekend'  is niet in de mogelijkheid om in Indonesië te gaan zoeken.

Na een jaar in Bloemendaal ‘gewoond’ te hebben is de familie dus naar Breda verhuisd, en kregen een nieuwbouw woning in de Olivier van Noord straat aangeboden. Nadat Goos een jaar had thuisgezeten vond hij het welletjes, en is op zoek gegaan naar een baantje.

Vanaf 1952 heeft hij 2 zomers als badmeester in het EI gewerkt, het buitenzwembad in Breda.

In 1955 word Jaap geboren en wel op 18 april op het adres aan de Olivier van Noord straat. Het is een gezonde baby maar het wordt al gauw duidelijk dat er toch iets mis is met hem. Jaap heeft een aangeboren afwijking en heeft een chromosoom te veel, ofwel het Syndroom van Down. Dit gaat in Jaap zijn geval, vergezeld met een verstandelijke beperking 

In 1956 zijn ze wederom verhuisd naar een nieuwbouwappartement op de Beverweg. Hierbij ook weer een verandering voor Goos, hij vond zichzelf nog steeds te jong om thuis te zitten (52jr inmiddels), en vind een baan op de vliegbasis in Gilze-Rijen als administrateur. Begin jaren ’60 is voor hem daar ontslag aangevraagd i.v.m. zijn Malaria-Tropica die steeds opspeelde, en een kamp/oorlogssyndroom.


Karel wordt ook al gauw opgeroepen voor militaire dienst, en vertrekt naar het oorlogsgebied tussen Noord en Zuid Korea tot aan de wapenstilstand half 1953. Karel is dan 19jaar. Terug in Breda gaat Karel naar de zeevaartschool als binnenschipper, deze opleiding maakt hij niet af. Hierna gaat hij naar de Marine waar hij ook niet lang blijft, toen naar de luchtmacht. Daar heeft hij leren vliegen en heeft hij een brevet gehaald maar ook hier blijft hij niet lang. Dan word hij kraanmachinist in de haven van Vlissingen. Dit is ook de plaats waar hij zal wonen totdat hij overlijdt in 1976 ten gevolge van een motorongeluk.

Karel is dan inmiddels getrouwd, twee kinderen en weer gescheiden. Hij hertrouwd met Gré en krijgt een dochter Wanda. Karel heeft geen makkelijk leven gehad, gescheiden van zijn moeder, opgroeien in een blank gezin vanaf zijn 4e jaar, de kampen overleeft, verhuist naar Nederland, Korea meegemaakt etc. Eind jaren '60 begin '70 doet Karel veel aan motor-wegraces, en rijdt nationale wedstrijden. Hij overlijdt op een zondagse motorrit en is dan 42 jaar oud.

In 1965 vertrekken Opa, Oma en Jaap naar weer een nieuw opgeleverde woning in Breda Noord. De andere kinderen waren inmiddels het huis uit.

Het Syndroom van Down gaat vaak gepaard met lichamelijke problemen, dit is  bij Jaap niet het geval, Jaap is gelukkig kerngezond. Jaap gaat naar een gewone school en blijft tot zijn 18e thuis wonen, tot op het moment dat moeder het niet meer aan kan. Ze was 48 toen ze beviel van Jaap en dus 66 jaar toen Jaap een nieuw huis mocht kiezen. Er werden verschillende woonvormen bezocht en Jaap heeft uiteindelijk zelf voor Huize Vijvervreugd in Middelburg gekozen in 1973. Er werd hem daar zelfstandigheid geleerd.

In 1974 gaat Opa voor het eerst terug naar Indonesië, wat een hele grote teleurstelling bleek te zijn. Het Indië wat hij zowat 25 jaar geleden had achtergelaten was er niet meer. Gedesillusioneerd kwam hij terug om  nooit meer terug te keren.

Flip gaat na de lagere school naar de GTS (Gem.Tech. School) op het Van Coothplein. Hierna als hij 16 jaar is gaat hij werken in verschillende autogarages als monteur, en heeft hij ook nog een jaar voor het bedrijf van zijn zwager Tom Molenschot in Antwerpen gewerkt als vertegenwoordiger. Dit was Molenschot Weegwerktuigen en was gevestigd op de Teteringsedijk in Breda.

In 1959 gaat Goos (hij wilde inmiddels geen Flip meer genoemd worden) in militaire dienst en word hij in 1960 uitgezonden naar Nieuw-Guinea. Dit was een overzees gebiedsdeel van Nederland en Indonesië wilde dit gebied toe-eigenen wat in 1962 ook gebeurde. Tijdens zijn verblijf in Nieuw-Guinea trouwt zijn zus.  

Christel Kuijsters, juni 2022

Nakhon-Pathom hospital kamp

bron:https://digitalcommons.macalester.edu/

Het dagboekje van Goos was een agendaatje van het jaar 1938 waarin hij met potlood summier zijn belevenissen in opschreef. Schrijven of in het bezit zijn van schrijfmateriaal was verboden; dit klein formaat kon makkelij k verstop worden.

Banjoebiroe 10

Bommenwerper Enola Gay die de Little Boy atoom bom of Hiroshima heeft geworpen

SS Lake Charles of Victory

Het weerzien in het kamp Nakhon Pathon

Goos  met kinderen

Chrisje met kinderen

Familie Reijs in Medan

Foto genomen in 1950 in kamp Tjilitan

1e foto na krijgsgevangenschap

Goos met kinderen zwaar vermagerd in Siam


De "Kota lnten" is  een van de zeven zogenoemde  Kota's dit waren zusterschepen welke als vrachtschip werden gebouwd. Het beschikte bij de nieuwbouw wel over een accommodatie voor het vervoer van 28 passagiers, maar het was toch overduidelijk bedoeld voor vrachtvervoer. In 1942 ging het varen voor de US War Shipping Administration, die het schip speciaal voor troepentransport liet verbouwen. In 1946 werd het overgedragen aan de Nederlandse regering, die het voor het vervoeren van haar militairen naar Nederlandsch-lndië ging gebruiken. De "Kota lnten" had de capaciteit om ruim 1750 militairen te kunnen vervoeren, het was inmiddels een redelijk oud schip en behoorlijk traag in vergelijking  met een aantal andere troepentransportschepen en van enige luxe was ook al geen enkele sprake.

M.S De Waterman bron: Wikipedia

M.S Johan van Oldenbernevelt.

Bron:www.derbysulzers.com

Chrisje, Goos met Alie en Karel Leenders

Wachten in Tandjong Priok om aan boord te gaan in 1950

Flip op de Jozefschool

Ineke op de Jozefschool

Voor Karel moet het ook een cultuurschok geweest zijn, in westerse kleding en op schoenen lopen.

Adrie, Jetje, Corrijn, Toos, Henk jr en achter Henk sr

In Bloemendaal

Chrisje en Goos op het huwelijk van Tineke en Tom

Karel op het huwelijk van Tineke en Tom

Karel in Korea rechts achter
Karel in Korea rechts achter
Karel op zijn racemotor
Karel op zijn racemotor

Oma en Karel sr Reijs

Één van de laatste foto's van Karel met moeder Chrisje voor zijn fatale ongeluk

Jaap