Mijn wederwaardigheden als krijgsgevangene

door Jan George Martel

Deel III

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel

In het Engelsche tijdschrift "Victory" van April '45 schreef Noreen Olgivie de voelgende troostrijke regels:


"Op zekeren dag zult gij het pad volgend, dat u leiden zal naar een welbekende deur, en gij zult de hand, die u een vaarwel toewuifde in zoete hereeniging wederom in de uw houden, en het zal niet meer noodig zijn om afscheid te nemen. * Gij zult uittreden uit de duistere schaduwen van de afgeloopen jaren en de lampen in uw huis zullen het nachtelijk donker doorboren, en de gezichtjes van de kinderen zullen zich glimlachend naar het lichtschijnsel keeren, gelijk de bloemen hun kopjes naar de zond draaien. Gij zult door de kamers dwalen en daarbij het besef vinden, wat het beteekent om weer thuis te zijn, en alles zal u vervullen met een gevoel van groote tevredenheid, zoowel bij regengekletter als bij stralende zonneschijn. Al het geluk, waarvoor gij gebeden hebt, zult gij daar voor het oprapen vinden; uw droomen onvervaagd door de voorbije jaren en de glimlach, die u wacht in die schoonste aller dagen, zullen verdrijven wat er overbleef van uw vrees. Er zullen tuinen te beplanten zijn, zooals wij ons die hadden gedacht, groene grasvelden te onderhouden, waar nu de loopgraven gapen, en als de rozen weer bloeien op de strijd-verschroeide aarde van Engeland, zullen onze droomen vaste vormen aannemen.


* afscheid na de periodieke verloven, waar de Britsche strijdkrachten recht op hebben.

Baanaanleg te Moearo


Ziezoo, ik heb weer papier op de kop kunnen tikken, van iemand, voor wie ik beloofd heb als tegenprestatie ook zoo'n boekje als dit te maken. En nu zijn we beiden gelukkig, al weet hij niet dat hij voldoende papier gaf voor drie van deze boekjes en twee heb ik in mijn bezit. ....... Intusschen is het nu Zaterdag 29 September geworden. Nog steeds zitten we in het hoofdkamp Pakan Baroe, terwijl de Engelschen, Amerikanen en Aussies op 15 Sept. al hiervandaan gingen, 3 dagen na het bezoek van Lady Mountbatten aan dit kamp.

Sinds die datum hadden we al minstens 5 maal naar Java vice versa kunnen varen. En nog steeds is m'n tropisch zweertje in heelend stadium en laat ik nog trouw eens in de drie dagen het verband verwisselen in de polykliniek. Af en toe vreet de zweer een beetje bij (waardoor mag Joost weten, want 't verband gaat er nooit af en blijft ook bij 't baden droog), maar met wat jodoformpoeder is het kwaad weer bezworen. Deze invaliditeit vrijwaart me sinds 8 Juli van eenig werk op wat groentensnijden na, wat me geen goed heeft gedaan, maar wat ik persé doen wou, omdat je anders nóg minder rijst te eten kreeg.

Pas sinds 18 Augustus jl. krijgen werkers en niet-werkers evenveel eten, dus practisch vanaf de datum v.d. wapenstilstand. Gelukkig ben ik niet iemand die zich gauw verveelt. Een buurpraatje maken is ook niets voor mij, die me toch al niet thuisvoel in een samenleving als deze, dus troost ik me met lectuur en eten of drinken (o, wat een weelde aan blikjes, biscuits en koffie!) en ben ik ook op de gedachte gekomen deze regels neer te schrijven, opdat belangstellenden (niet nieuwsgierige sensatiejagers!) zich rustig op de hoogte kunnen stellen van de ervaringen der krijgsgevangenen in dit gedeelte van Sumatra in het algemeen en van mijn belevenissen in het bizonder. 

In dit licht bezien heeft dit oponthoud in onze evacuatie naar Java dus wel zijn nut. Voor de zooveelste maal ontdek ik de lichtzijde van een wolk en zoo leef ik welgemoed en dankbaar voort, hoewel er ook dingen zijn waaraan een mensch met common sense zich aan ergeren moet in deze overgangsperiode. Maar laat me doorgaan met m'n relaas, anders moet ik wéér op strooptocht voor papier.........

4 Maart 1945 stonden we daar in kamp V weer gepakt en gezakt op de trein te wachten, die ons maar een nieuw kamp zou brengen. Zoolang we op Sumatra zitten, hebben we na die wandeling van Emmahaven naar Padang gelukkig niet meer zoo'n eind met ons hebben en houden hoeven te sjouwen. Neen, we waren immers spoorbaanarbeiders en onze legersteden stonden steeds aan de baan. Na een rit van 80 Km langs een door onze eigen jongens aangelegde baan kwamen we 's avonds aan in kamp VIII, waar we overnachtten, om de volgende ochtend per vrachtauto door te gaan naar Moearo. Hierover hebben we ook een halve dag gedaan, maar onderweg werd er gelukkig gelegenheid gegeven om versnaperingen te koopen. Vooral pisang, waarvan we altijd te weinig hebben gehad, werd in behoorlijke hoeveelheid ingeslagen.

Als helpers van de Japansche chauffeurs, die ons reden, hadden ze Menadoneesche Heiho's (soldaten in dienst v/h Jap. leger) gekozen en zoodra deze er kans toe zagen, maakten ze een gemoedelijk praatje met ons. Velen hadden vroeger in ons leger gediend en zelfs in Burma nog tegen de Japs gevochten, en allen waren ze Oranjegezind gebleven. Het is een van de vele fouten van de Jap geweest om deze menschen in hun leger op te nemen en zelfs vertrouwensposities te geven (chauffeur, monteur, mechanicien, enz).

Gedurende deze reis naar Moearo staken deze menschen ons een riem onder 't hart met de mededeeling dat 't de Japs op alle fronten slecht verging, dat ze in Burma, waar de beslissende slag geleverd zou worden, aan het terugtrekken waren en dat er van hun vloot niet veel meer over was. We moesten nog maar een maand of drie geduld hebben. Deze 5de colonnisten (van Jap. standpunt bekeken) waren in Sidjoendjoen gelegerd, 6 Km vóór Moearo, waar ze geregeld kwamen fourageren en ons daarbij in 't geheim 't voornaamste oorlogsnieuws overbrachten.

Op 't stationsemplacement van Moearo kwam nl. iedereen middag de trein uit Fort de Kock versche Europeesche groenten (prei, kool, wortelen, snijboonen) sawie en vleesch binnen, bestemd voor de vele kampen, vooral Japansche, daar in de buurt. Wij vormden daar het eerste en eenige krijgsgevangenenkamp en profiteerden mee van deze groenten. Onze lotgenooten in alle andere kampen (I t/m VI, Moearo was VII volgens de nieuwe nummering) kregen nog steeds ketellablad! 

Zoo kwamen we dan in ons eerste Moearo-kamp aan, vlak aan de breede en grindrijke kali Koeantan en aan de andere zijkant een zijtak van de klai, zoodat we eigenlijk op een eiland zaten. Een kleine samenleving was 't : 500 man, zoodat de eenige barak, maar dan met ligplaatsen boven elkaar, voldoende was. De Jap. kampcommandant was goed bevriend met onze kampcommandant, res.luit. Visser, die tevens tolk was (heeft als agent van de Koloniale Bank jarenlang in Japan gewoond), en als we beloofden onze best te doen bij de baanaanleg en niet ziek te worden, zou ons etenspotje goed zijn. We waren van oordeel, dat de zaak beter omgedraaid kon worden: eerst maar een goed potje, dan zou 't best gaan met die baan.

Inderdaad genoten we van het eten, zoowel als van het klimaat (als Buitenzorg): 's morgens oebi, of rijstepap en 's middags en 's avonds rijst met Europ. groenten, zooveel groenten dat er niet eens kisten genoeg waren om ze mee naar het werk te nemen! Uitdeelen vóór het vertrek naar de baan ging ook niet, want dan zouden we 's morgens om 6 uur al een queue moeten maken. 

Helaas was dit genoegen van korten duur, natuurlijk boos opzet van onze overwinnaars. Na een week zagen we geen oebi meer, maar wel tapioca-pap, die nog wel "ongel-ongel" werd genoemd door de keuken, hoewel er suiker nog klapper in verwerkt was! Ook de groenten verminderden en zoo brak bij velen weer het weerstandsvermogen. Er werd weer lustig geld gemaakt door verkoop van kleeren en juweelen, wat - en nu komt de Jap. mentaliteit tot uiting - officieel verboden was, maar officieus werd aangemoedigd, omdat indirect door de wachtdoende Japs weer eterijen, buiten gekocht, aan de krijgsgevangenen werden verkocht (ten bate van de Jap natuurlijk) vaak met méér dan 100% winst.

De krijgsgevangenen die zich met dat "eervolle" baantje van verkooper belastten, kregen een behoorlijk aandeel in de winst, en zoo groeiden de rijke "kongsie's"! Terwijl de doorsnee krijgsgevangene verzwakte en vermagerde, vooral na ziekte, waren deze kongsieleden mollig en sterk. Konden versterkende middelen koopen als eieren (eendeneieren 2 pop per stuk en kippendito's 1.60) en werkten bovendien nog in de keuken, waar corruptie hoogtij vierde, of als toban (bediende of keukenhelper bij de Jap). Ik hoop dat het bovenstaande ook eens ter publicatie zal komen in een uit te geven boekwerk over het krijgsgevangenleven, want deze "makkers" van ons kunnen toch bezwaarlijk vrij uit blijven gaan met een dergelijke misdaad op hun geweten. Andere jongens raakten zoetjes aan uit hun garderobe, alleen maar om fit te blijven en niet te gronde te gaan van zoo'n slepende ziekte.

Een broek bracht 50 pop op, een jas 80, een zakdoek 10, een handdoek 25, een deken 200, een klamboe 150, een 18 karaats gouden ring van 6 gram 90. Horloges, vooral de Mido water- en shockproof, leverden wel 150 gld en meer. Ook de Japs, die niets van ons mochten koopen waren gereede afnemers, maar natuurlijk tegen belachelijk lage prijs en vaak met de karwats erbij. 't Gaf niets of je juweelen verstopte: verklikkers genoeg onder je "makkers" en zoo raakte ook ik ring en klamboe kwijt voor het luttele bedrag van f 30.- elk.

Tegen het eind van Maart kwamen regens opzetten. De rivier steeg onrustbarend en op 3 April kwam een overstrooming, die ons noodzaakte te evacueren. Gelukkig hield ik met de anderen, die hun legerstede op de verdieping hadden, mijn bullen het langst droog, want het water steeg to 1 1/2 meter en nog waren we nog niet allemaal weggevoerd met de eenige prauw, die daartoe beschikbaar was. De barak begon al leelijk scheef te zakken door de ondermijnende werking van het stroomende water en onwillekeurig dat ik aan de dagen van Noach.

Een dankbede steeg omhoog toen ik zag, dat het water op een gegeven moment niet meer steeg en toen ik even naar buiten ging, om de toestand van de lucht te zien, straalde een prachtige regenboog mij toe: "het teeken des verbonds". Dit stelde mij dadelijk gerust en m'n "slaappie" (buurman), die er sterk over dacht z'n bijbel uit z'n ransel te halen om deze voor alle zekerheid bij zich te steken, wist ik deelgenoot te maken van die geruststelling. Arme kerel, wat was hij nerveus. Best te begrijpen, als je zo'n torpedeering hebt meegemaakt en zooveel makkers hebt zien ondergaan.

Met natte bullen kwamen we allemaal veilig in het nieuwe kamp, in alle haast gemaakt van de loodsen tegenover het station Moearo, waar hout en vee gestaan had. Het zinken dak bood prachtige bescheriming tegen regen, maar het vee-vuil bracht de gezondheid danig in gevaar. Bovendien wemelde het in de bamboe ligplaatsen van de koetoe-besoek! Overigens was het uitstekend in dit kamp, vooral voor menschen als Jim Simons en ik die bij dag en dauw in de kali lagen voor een verfrisschend en zenuwsterkend ochtendbad, en 's avonds na het werk nog eens. Daarbij kwam dat we zonder Jap. geleide de afstand naar de kali aflegden, waarbij een koeliekamp met de daarbij onvermijdelijke warongs (echte Javaansche) gepasserd werd.

Er was niet veel handigheid voor noodig om even de weg af te wandelen en onopvallend tusschen de koelies door wat snoepgoed te koopen voor maagvulling. Van alles, wat je in een doorsnee warong op Java ziet, was hier ook te krijgen en deze bijvoeding heeft velen van ons ook werkelijk goed gedaan. Alleen bleef het risico van ontdekking door een toevallig passeerende Jap bestaan, maar dit toezicht was erg slap en ik rekende er altijd op, dat onze bewakers er enkel en alleen op uit waren, om zelf zoo veel mogelijk geld, goud en lekkers bij elkaar te schrapen, omdat ze immers volgens betrouwbare bronnen onherroepelijk op de schopstoel zaten. (Wisten we toen maar, dat RAngoon op 3 Mei gevallen was, wat zouden we dan brutaal en driest zijn geweest!)

't Is alleen treurig, maar helaas al te waar, dat er onder onze eigen jongens verraders schuilen; niet zoozeer voor verraad aan de Japs, maar aan onze eigen kampleiding. Deze had voor handhaving van orde en rust natuurlijk ook haar straffen voor contact met Inlanders, en toen Jim op een kwaden ochtend op z'n bed van die heerlijke Javaansche getoek uit een  (helaas niet goed gecamoufleerd) pisangblad zat te smullen, zagen we achter ons - ik lag naast Jim en at toevallig niet - Storm van 's Gravenzande (ik durf 'm best te noemen) naar de vakcommandant loopen, smoezen en veelbeteekenend naar Jim kijken. Zoo kwam de kampcommandant, luitenant Visser, erachter dat Jim contact had gehad met Inlanders door in een warong wat te koopen en als straf kreeg hij 1 maand eet-tonnen wasschen en inhouding van 1 maand corveegeld (40ct p. dag voor 'n sergeant). 

Natuurlijk vertelde Jim niet dat ik de kooper van dat lekkers was, want per slot van rekening was ik niet ontdekt bij de overtreding van de kampwetten, maar lag de fout bij hem zelf door niet direct de inhoud van z'n pakje in z'n eetpannetje te gooien, zooals ik gedaan had. Bij deze straf is het gebleven en zelf ben ik er steeds doorheen gerold, ook toen ik als groentensnijder op zekeren dag betrapt werd toen ik een paar stengels rauwe prei voor lalap in mijn hoed stopte. Ik zei den kampcommandant, dat ik voor de variatie een enkele keer eens lekkere en geen uitgekookte prei wou proeven. Ik kon toen inrukken en zou er wel nader over hooren, maar zoover is 't nooit gekomen .....

Natuurlijk gebeurde dat inkoopen in de warong niet dagelijks en dan nog maar in kleine hoeveelheden met het oog op het binnensmokkelen in hoed of handdoek. Binnen het kamp verkochten de kongsie's en de cantine ook wel artikelen, maar duurder dan buiten. Erg gewild waren pisangs ( 50 à 60ct p. stuk), katjang goreng (30ct p. eetlepel), tenteng katjang (25ct per stukje van 9cm2) en tai minjak (1 gld voor een blok van 5 cm in 't kubiek, geperst). Deze tai minjak vooral was erg populair, vanwege de zoete smaak en het hooge oliegehalte. Werd gegeten bij de tapiocapap en als gerecht bij de flauwe rijst met sajoerkool op het werk.

Velen maakten geld, door tai minjak in pakken van f 25.- op te koopen bij de cantine en in kleine brokken op 't werk te verkoopen. Contant betalen hoefde je niet op 't werk; je naam en vaknummer werden genoteerd en thuis werd je dan wel door de schuldeisschers opgesnord. Dat deze vaak te tobben hadden met wantbetalers in deze samenleving van heterogene elementen hoeft natuurlijk geen betoog. Tabak was ook duur en als je strootjes verkocht voor 10ct per stuk (geen papier, maar kawoeng) dan had je maar 2ct winst, omdat er maar weinigen te lui waren om zelf te rollen.

Wat de baanaanleg betrof: de eerste dagen was het : 400 meter aanleggen en vroeg thuis, omdat het eindpunt nog vrij dicht bij het kamp lag, maar na een week of wat voelde je 't in je spieren. De eerste twee weken was ik raildrager en sjouwden we met z'n tienen de tien meter rails van de trein naar de wachtende dwarliggers, die door de Inlandsche koelies waren klaargelegd. Later ging ik op verzoek van Jim, die zich eenzaam voelde, ook hameren bij de achterploeg.

Er was ook een voorploeg, maar dit was zenuwsloopend werk, omdat ze werden opgejaagd met het oog op het vooruitgaan van de wagons met rails. Van elke 3 dwarsliggers werd er één door deze voorploeg aan de rails vastgespijkerd (4 spijkers per dwarsligger). De ijzeren hamers met een houten steel van ongeveer 60cm lengte waren behoorlijk zwaar en als je alleen die 4 spijkers achter elkaar moest inslaan, was je bekaf. Daarom was er een ploeg voor de rechterbaan, een voor de linkerbaan en bovendien partnerships van 3; één drukte met een ijzeren hefboom de dwarsligger tegen de rail en de twee anderen sloegen om beurten een spijker in.

Wee degene, die een wegvliegende roestige spijker door een misslag tegen z'n been kreeg. Soms vlogen ze wel eens langs iemands hoofd, of een gloeiende splinter van zoo'n spijker kwam tegen je lijf en veroorzaakte een brandwondje of moest er met een pennemes uitgepeuterd worden! Toch hield ik van dit werk; ik sliep er zoo lekker van en m'n weerstandsvermogen nam toe.

Hoe dikwijls ontspoorde niet de trein, die ons via de nieuw gelegde baan naar huis reed, zoodat we laat in de avond en soms nog in een storbuit thuis kwamen, doornat en alleen een broekje of zelfs alleen een tjawat aan! Ja, in deze periode zag men overduidelijk de "survival of the fittest" en dat die lichamen, die van jongs af in conditie waren gehouden door sport en een doelmatige en geregelde leefwijze, zich het gemakkelijkst aanpasten aan slechtere omstandigheden.

Zoo kwam de voor mij zoo fatale datum van 8 Juli, toen die verroeste spijker tegen m'n scheenbeen opvloog dankzij de handigheid van Francis, m'n partner. Terwijl ik de zeere plek nog zat te bewrijven, sloeg de artist nog een keer mis en de spijker vloog rakelings langs de linkerslaap van een hameraar, die een paar meter verder bij de andere rail stond. 't Gebeurde vlak tegenover het kamp bij Kilometer 20, waar we een paar dagen later naar toe zouden verhuizen. Nou ik hoef niet te zeggen, dat die verhuizing met m'n gewonde poot een pijnlijke historie was, maar toen ik eenmaal goed en wel geïnstalleerd was in 't nieuwe kamp begon de groote rustperiode, waarvan ik heden ten dag - 2 October - nog steeds geniet.

Jim Simons, die weer naast me lag was een trouwe helper en verpleger, want in een queue staan om eten en thee te halen, kon ik natuurlijk niet. Dit lukt mij pas in de eerste dagen van September in dit hoofdkamp. Als remedie, om het vele vuil, dat zich in de wond ging vastzetten, weg te krijgen, moest ik van Dr Lampe  's morgens en 's middags een half uur in de kali liggen en de wond in de sterke stroom houden. Daarna een kwartier in de zon om te desinfecteren. Veel fiducie hadden de patienten niet in deze wondbehandeling (er waren zoowat 20 tropische zweerlijders) en we waren dan ook blij, toen we op 12 Augustus verhuisden naar het hoofdkamp, het ziekenkamp.

De spoorbaan moest in Augustus persé klaar en alle zieken die voorlopig toch geen baanwerk konden doen, moesten weg. Wel maakten we ons ongerust over het feit, dat het ziekenpotje in het hoofdkamp ontstellend schraal was, volgens de verhalen van de menschen, die in onze plaats van dat kamp naar het spoorbaankamp waren gekomen. De reis naar Pakan Baroe was weer een kwelling. Dank zij het feit dat m'n portemonnaie nog niet leeg was, kon ik onderweg nog snoepen van ijs lilin (50ct per stang, maar voor 't eerst in gevangenschap) tapé, pisang, djagoeng reboes, kwee kelepon, enz.

Per vrachtauto kwamen we 's avonds om 11 uur in Logas aan (kamp VI) en kregen een klein beetje rijst met trassi-saus. De volgende ochtend om 4 uur was 't weer aantreden en na een mager ontbijt ('t zelfde menu van de vorige avond, alleen wat tapiocapap erbij) zaten we om 6 uur op de trein naar Pakanbaroe, waar we 's avonds om 9 uur aankwamen, velen van ons nog zieker dan ze waren bij 't vertrek van Moearo. Niet te verwonderen als men bedenkt, dat er geen wondbehandeling was geweest in die twee dagen en het bovendien bij die treinreis hard heeft geregend. Ik heb 't zelden zóó koud gehad, want de goeni-zak die ik als mantel om me heen had en sinds Juli ook als deken had gediend, was ook drijfnat geworden op die open wagons. En onze bewakers zaten droog in gesloten goederewagons met regenjassen aan.

Twee van de 150 zieken zijn dan ook tijdens deze reis bezweken...... Ik was blij, toen ik strompelelnd dit mooie droge en zindelijke kamp binnenkwam. Laat 't eten minder zijn, een droge, zindelijke ligging was mij veel meer waard na al die modder en luizen van de beide laatste kampen. Prijzen waren hier veel hooger dan in Moearo en iedereen trachtte aan geld te komen door te leuren met eigengemaakte croquetten van rijst met trassie, zoute visch of prei gebakken in klapperolie (prijs f 1.-) of de tapiocabroodjes die we als ontbijt kregen (ter grootte van een kindervuist) te verkoopen, ook voor f 1.-.

M'n slaapie (toevallig ook een Cheribonner, de Mulo-onderwijzer Oedekerk) en ik verdienden wat door verkoop van koffie en zelfgerolde cigaretten. Van de winst kochten we natuurlijk eten, en wel brood of croquetten. Gelukkig heeft dit hongerlijden niet lang geduurd, want op 21 Augustus kregen we opeens allemaal 600 gram rijst per dag, zieken en gezonden, zoodat we 't onmogelijk op konden en er de bedelaars op straat mee gelukkig maakten en 24 Aug. kwam de officiële mededeeling, dat op 14 Augustus te Manilla de wapenstilstand was getekend. Na een korte godsdienstige plechtigheid door de Engelsche geestelijke (kampcommandant was ook een Engelschman: Wing Commander Davis) werden de nationale liederen gezongen en 2 minuten stilte betracht voor de gestorvenen.

Nu zijn we allemaal gewend aan de vrede en zijn alweer ontevreden, omdat onze evacuatie naar onze geliefden zoolang op zich laat wachten, maar op dien 24ste Augustus stroomden bij velen van ons de tranen over de wangen, zelfs bij de sterkste naturen, mannen, die als rotsen onwrikbaar al die jaren in de branding van het Japansche schrikbewind hadden gestaan.

Kampleven na de wapenstilstand

De resteerende bladzijden van dit derde deel zullen worden gewijd aan de indrukken opgedaan na de wapenstilstand. Oorspronkelijk was 't de bedoeling, een en ander in dagboekvorm vast te leggen, maar toen het bleek dat 't niet erg vlotte met de evacuatie van de Hollanders en het kampleven weinig afwisseling meer bood, heb ik er maar vanaf gezien. Ongedurigheid tengevolge van het lange wachten: wachten op evacuatie, wachten op bericht van huis, dat tot heden (17 October) nog steeds niet komen wou, benam alle lust tot serieuze hersenarbeid, en om de tijd te dooden, om te voorkomen dat we tot wanhoopsdaden zouden overgaan, zochten we onze troost in lectuur. Boekjes, die ook deel uitmaakten van de Roode Kruis-pakketten, werden verslonden en vele liggen nu al praktisch uit elkaar door het aanhoudend gebruik.

't Is natuurlijk juist, dat eerst de zieken en invaliden werden geevacueerd, en daarna de buitenlanders, die een langere reis voor den boeg hebben, dan wij, Indische menschen, maar het gaat toch niet aan, om deze laatste categorie de indruk te geven, dat ze vergeten worden door ze nog steeds in afgekeurde barakken te laten zitten, in dezelfde omgeving, waar we gezwoegd en geleden hebben onder het Japansche juk. Onze Engelsche kameraden zijn momenteel al in hun "own country", en wij voelen ons hier nog steeds half-krijgsgevangene, vastgeworteld in deze gehate omgeving, kunnen niet eens meehelpen om de nationalistische troebelen op Java uit den weg te ruimen. 

Onze stemming is er niet beter op geworden, nu we geconsigneerd zijn binnen het kantonnement (dit is de groep van kampen bij elkaar) en geen wandelingen naar Pakang Baroe meer mogen maken, omdat de Soekarno-beweging ook hier de kop begint op te steken. Fietsers en autobussen met rood-witte vlaggen rijden rustig langs onze schildwachten, maar botsingen zijn tot heden nog niet voorgekomen. Toch is de leiding erg bang, want er is weer galerijwacht ingesteld en eenige nachten geleden werd er bekend gemaakt: "We verwachten vannacht ongeregeldheden en in dat geval wordt er alarm geblazen. Niemand mag z'n barak uit en iedereen legt zich zoo plat mogelijk op de grond, want er zal door de wacht geschoten worden met de mitrailleur, dwars door de barakken heen!"

Heel wat menschen hebben natuurlijk geen oog dicht gedaan. Wonderlijk genoeg bleef ik kalm en vooral toen 't ging regenen, sliep ik vaster dan ooit. Er gebeurde die nacht ook niets. Misschien word ik wel apathisch door dit wachten, wat mij zwaarder valt dan het werken als krijgsgevangene, althans geestelijk. Ik kan wel aan het werk gaan in de keuken, maar het lange staan was nog te vermoeiend voor mijn linkerbeen, toen ik 't een week geleden probeerde, en de millioenen vliegen ergerden mij zoodanig, dat ik Jim, die me ook in de keuken wou laten werken, zei, dat dit werk niets voor mij was.

Vooral de nachtdienst, eens in de 3 dagen, is niets voor een slaper als ik, ook al krijg ik nog zooveel extra eten in vergelijking met de anderen. Overdag slaap ik nooit, speciaal om dit 's nachts goed te kunnen doen, en daarom is mijn leus: "Kom je aan mijn nachtrust, dan kom je aan mijn leven." Bijna dagelijks komt er minstens één vliegtuig dat altijd post meebrengt en natuurlijk ook weer meeneemt. Er zijn jongens hier, die al 6 brieven van Java hebben ontvangen, anderen hebben alleen maar één telegram ontvangen, o.a. zekere Rietberg van zijn vrouw in Tjibada, maar er zijn ook jongens als ik, die wel van hieruit al 6 brieven hebben verzonden, zelfs via het Centraal Comité en Postbureau, Koningsplein West 3, Batavia, maar nog geen sylabe van huis hebben ontvangen. Nationalistische relletjes in Soekaboemi en elders zullen daar wel niet vreemd aan zijn.

Ik zei reeds, dat de leiding hier bij ons strenge voorzorgsmaatregelen neemt, maar desondanks worden er stiekem slippertjes naar Pakang Baroe gemaakt. Een van die waaghalzen vertelde me, dat hij gezellig heeft gegeten en gedronken in menige warong tusschen allerhande Indonesiërs, en niets gemerkt heeft van een brutale of provoceerende houding. Dingens als ontruiming van Kamp I te Pakang Baroe waren niet noodig geweest en geven juist een bewijs van zwakte of vrees onzerzijds.

Gelukkig is de passer binnen dit kantonnement nog niet verboden; dit is voor menigeen een verzetje en voor de meesten een levensbehoefte, omdat er allerlei lekkers voor de rijst en suiker voor het rijstepapontbijt te koop zijn, en onze keuken al vele dagen geen suiker of melk meer bij de pap geeft en bij de middagrijst enkel en alleen wat kankoeng (vooral de stelen) gebakken met lombok. Tja, 't is ook nog steeds de Jap, die voor ons fourageert, want de geallieerden hebben nog geen kans gezien sinds 14 augustus, om de zaak over te nemen. Zelfs Medan heeft nog geen bezettingstroepen en daar worden onze kampen zelfs ernstig bedreigd door Nat. extremisten.

P.Baroe, 20 October 1945