Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel

Mijn wederwaardigheden als krijgsgevangene

door Jan George Martel

Deel II

 NIeuwsbulletins 

7/9 - '45 en  8/9 - '45

per radio opgevangen in het geallieerde kamp nr. II te Pakan Baroe (Sumatra)


We need these things

We need companionship, and we need small solitudes,

We need the call of work and we need fun's interludes.

We need Life's storms, blowing in our face, and

We need Life's calm, like a pattern of fine lace.

We need tenderness and we need things strong and stern,

We need all these things, and we need strange things to learn

We need laughter, and we need belief in prayer;

We need Christ's Footstep upon each living stair.

We need misfortune, and we need glad fair days;

We need the light and shade, that on Life's roadway plays.

We need to pass through Sorrow's waters deep;

We need Christ's Comfort when living makes us weep.

We need the Sunrise of faith upon our soul;

We need the glory of Hope to make us whole.

We need God's Perfect Love in Live's every place;

We need within our hearts the Radiance of Christ's Grace.



Nr. 1: Nieuwsbulletin van het hoofdkwartier Pakan Baroe

                                                                                                             7-9-1945

Singapore

Op de 5e van deze maand werd Singapore bezet door Br. Ind. Troepen zonder eenig incident. Bij deze gelegenheid zond de Koning de volgende boodschap: "Nu het einde is bereikt wensch ik u allen geluk. Ben volkomen bewust van de moeilijkheden en ontberingen die u geleden hebt. Naar alle waarschijnlijkheid zal er binnen 14 dagen gelegenheid zijn, naar huis terug te gaan." De krijgsgevangenen hebben het alsmaar over een spoedige thuiskomst. Momenteel doen Japansche patrouilles nog steeds de ronde door de stad. Geallieerde troepen komen nog steeds de stad binnen.


Sabang.

Bezet door Amerikaansche en Britsche mariniers. Opruiming van mijnen in de Straat van Malakka opdat transportschepen uit Calcutta en Colombo de Sumatraansche havens kunnen binnenkomen.


Holland.

Tijdelijke regering onder Dr Schermerhorn. Amerik. ambassade zal worden uitgebreid. Voortaan nauwe samenwerking tusschen Amerika en Holland. Gedeelte zware industrie van voormalig Z.W. Duitschland is toegewezen aan Holland. Zoo ook een belangrijk grondgebied..


Timor.

Heden bezet door Austr. en Holl. troepen.


Bijzonderheden van de overgave.

In Mandsjoerije gaven 586.000 Japanners zich over aan de Russen. Korea bezet door Amerik. Troepen. 48.000 man Fransche troepen ontscheept op 6 september. In China meer dan een miljoen Japs overgegeven. Gisteren Nanking bezet door speciale Chineesche luchttroepen (z.g. air-born troops). Jap. troepen zijn nog actief op het Bataän-schiereil. (Filippijnen). Vijf generaals en twee admiraals hebben zich al overgegeven. Generaal Wainwright is weer commandant v/d veldtroepen. Tijdens de bezetting van Hongkong werden vele fran. Tireurs ("snipers") neergelegd. Meer dan 10.000 Japs, waaronder vele generaals gaven zich over in Burma.


Rabaul.

Meer dan 86.000 Japs gaven zich over. Salomon eil. en gedeelte van Nieuw Guinea overgedragen aan Austral. regeering. Restand Jap. marine maar 31 eenheden, waarvan de grootste een zware kruiser. Meerendeels gezonken in de Bismarck-zee.


Japan.

Bezettingstroepen komen binnen via de lucht en de zee. 40.000 man, waaronder 30.000 speciaal aangewezen officieren hebben zich opgegeven voor dit doel voor een periode van minstens twee jaar. De twee "atoom" - bommen, nabij Tokio geworpen door twee bommenwerpers, vernielden een gebied van meer dan 3 vierkante mijl ( mijl = 1.6 Km.) elk, en maakten meer dan 40.000 slachtoffers elk. De actie van overgave werd getekend aan boord van de "Missouri" in de baai van Manilla door:

Admiraal Nimits                  voor     U.S.A

Admiraal Fraser                  voor     Engeland

Sch.b.nacht Hellfrich          voor      Holland

Admiraal Le Clerq               voor      Frankrijk

Generaal Yim Sim Yen       voor      China

Generaal Blasschenko        voor      Rusland

Generaal Blaney                  voor      Austr.

Generaal Edith                      voor    N. Zeeland


Heropbouw Europa.

Amerik. regeering geeft $1.350.000.000 voor dit doel

Nieuwsbulletin Nr. 2

                                                                                                        Pakan Baroe    8-9-1945



Singapore

85.000 Japs inclusief 85 generaals hebben zich tot nu to overgegeven. Burgers van alle naties juichen de Engelsche troepen in de straten toe.


Japan

Heden zal Gen. McArthur zelf Tokio binnengaan aan het hoofd van de 1e divisie Cavalerie bestaande uit 15.000 man. Tegen einde October moeten alle Jap. troepen, totaal 7 millioen man gedemobiliseerd zijn. Hierbij zijn begrepen 3 millioen homeguards. De Jap. premier maakte zijn volk bekend, dat de Jap. verliezen aan menschenlevens meer dan 5 millioen bedragen (310.000 van het leger en 175.000 van de marine). Op het moment van de overgave waren slechts 4 van de 20 slagschepen drijvende, 19 van de 25 vliegtuigmoederschepen gezonken, 35 van de 174 torpedobootjagers overgebleven en 134 onderzeebooten vernield door geallieerden. De resteerende eenheden zijn zwaar beschadigd. Bij het begin van de oorlog had Japan 6 millioen ton koopvaardijschepen en nu is er over 1.056.000 ton.


Fillipijnen.

President Truman maakte bekend dat de Filippijnen spoedig onafhankelijk zouden zijn.


Java

De vliegvelden van Batavia, Bandoeng, en Semarang zullen klaargemaakt worden voor de ontvangst van de voorhoede van het bezettingsleger. De vliegvelden van Soerabaia en Malang zijn met een rood kruis gemerkt, opdat medicijnen en voedsel kunnen worden uitgeworpen.


Duitschland

Generaal Eisenhower confereert met admiraal Doenitz over de uiteindelijke overgaven van het Duitsche leger.


Algemeen.

De R.A.F vloog 10.000 mijl in 30 uren.


Vetgemest in het kamp Senen


Op den 11 en februari 1944 's ochtends vroeg gingen we wederom op transport - we schijnen nooit langer dan 3 maanden ergens te mogen blijven - en het viel op, dat niemand zoo uitgeput op de plaats van bestemming aankwam als op 5 december, toen we Senen verlieten. Deze begeleiders joegen niet zoo op en op het Harmonieplein mochten we zelfs een kwartiertje rusten om te rooken. Bij aankomst in het Senenkamp regende het dat het goot. Zooals te doen gebruikelijk werd de barang geïnspecteerd (regen of geen regen) en ditmaal stonden wij er niet bij, maar op een veilige afstand buiten het gezicht van onze controleurs. Geen wonder dan ook, dat velen onzer bij terugkomst op het inspectieterrein het een en ander misten, ik onder andere mijn bruine colbertpak en het flesje kininepillen. Ik vergat nog te vertellen dat bij aankomst in Glodok m'n zakmes en het spel speelkaarten werden afgenomen met de belofte, dat ze bij vertrek zouden worden teruggegeven. Deze belofte bleek, zoals te verwachten was, een typisch Japansche "beleefdheidsphrase" te zijn, want we zijn het gestolene nu nog kwijt. 

De eerste maand, die nu volgde, bracht niets veel zaaks wat betreft het menu, maar gelukkig had ik dit voorzien en had ik van Glodok meegebracht 1 fl. ketjap, 1 fl. honing, 1 gl. pindakaas, 2 bl. gecondenseerde melk en een bos petehpeulen. Van dit lekkers heb ik nog lang genoten, vaak tot afgunst van mijn buurlieden, die minder zuinig en zonder vooruitziende blik hadden geleefd. In Maart veranderde het menu ineens: er kwam een nieuw soort brood bij, geelachtig vanwege het djagoengmeel, méér rijst, vleesch, spek, bruine boonen en katjan idjoe. 

Hoewel iedereen een transport overzee als doel van deze voeding zag, werd er angstvallig zoo min mogelijk over gerept, en alleen maar genoten van voedsel, lectuur en sport (handbal, basketbal en tennis). Om fit te blijven, deed ik zooveel mogelijk mee, ook met de verplichte ochtend- en middaggymnastiek. Later heb ik inderdaad heel wat profijt van deze spieroefeningen gehad! Het vertrek liet echter langer op zich wachten dan we verwachtten en daardoor ontstonden geruchten, als zou het transport overzee niet doorgaan, maar dat we naar landbouwkampen zouden gaan op particuliere landerijen, zooals er al een bestond aan de Buitenzorgscheweg, even voorbij de zijweg naar het vliegveld Tjililitan. 

Het werkterrein van dit kamp was het landgoed Tandjoen-Oost, 6 KM verder in de richting Btz. Intusschen kwamen transporten terug van overzee, nl. van Flores, Haroekoe (een eilandje bij Ambon) en Ambon zelf, waar onze jongens vliegvelden moesten aanleggen en waarbij velen het leven lieten door onvoldoende voeding tijdens de lange bootreis ernaar toe, de logering en medische behandeling aldaar. Vooral Haroekoe was een echt doodenkamp (dysenterie). Flores was, als je de geweldige klap door de ondervoeding tijdens de heenreis goed had doorstaan, een pracht-kamp. Er was veel lekkers te koop en zéér goedkoop, terwijl de bevolking de krijgsgevangenen goedgezind was en hen dikwijls stiekem eten toestopten.

Fataal voor velen van de jongens was het eten van enorme hoeveelheden saté babi, bij het ontschepen gekocht op de kade. De overgang was te groot en onherroepelijk kwamen de buikziekten. De verjaardag van Tenno Heika op 29 April kwam en nóg was er niets loos in het Senenkamp. Zou het transport overzee nog wel doorgaan? Maakten de geallieerden het de Japs misschien zóó lastig, dat een overzeesche reis niet safe meer was? Ter gelegenheid van deze voor de Japs zoo belangrijke dag mochten we naar huis schrijven (voor mij de éérste maal) en op 30 April nog eens. Al was 't nog zoo onbegrijpelijk, waarom we twee dagen achter elkaar schrijven mochten, maakten we er praktisch allemaal gebruik van. Op 5 Mei werd de spanning in onze barak wat gebroken door muziek van de Kamp-band, die zeer verdienstelijk dansmuziek speelde op saxophoon, klarinet, viool en guitaar.

Wat een coïncidentie, dat 't juist Diens verjaardag was, en met haar foto voor me zwierden we weer in gedachten over de dansvloer. De bede steeg omhoog om gezamelijke verjaarsviering op 5 mei 1945. Op deze datum zat ik helaas nóg verder van honk al waren de geruchten prachtig. Later pas lazen we in de "Seac Souvenir" (afkorting van South East Asia Command Souvenir), dat Rangoon viel op 3 mei 1945 waardoor de strijd beslist was.

Een nieuwe verrassing en geen geringe ook, werd ons deel op 13 mei, toen Amerikaansche Roode Kruis-pakketten met allerlei lekkers in blik onder ons werden verdeeld. Spek, vlees, ham, kaas, tong, koffie, melkpoeder, chocola, suiker en cigaretten verdwenen na de distributie als sneeuw voor de zon en tijdens de smulparij werd bekend gemaakt, dat we de volgende ochtend ons gereed moesten maken voor het transport. Dat was een domper op de feeststemming, al voelden velen van ons nattigheid door al die gunsten van de Nips, en vrijwel iedereen bewaarde wat van het lekkers voor de zeereis.

Zondagochtend vóór het krieken van den dag van 14 Mei stapten we via Kwitang naar het station Senen en om een uur of acht onze tijd stonden we in Priok op de kade voor de 6000 tons vrachtstoomer, die ons zou wegvoeren naar toen nog onbekende bestemming. De boot was allesbehalve nieuw en de meesten van ons waren somber gestemd en jaloersch op de achterblijvers (zieken en ouderen en de meest officieren). Als we toen geweten hadden, dat deze boot bij het transport van juli werd getorpedeerd met als gevolg een enorm aantal slachtoffers, dan zouden we dankbaar zijn geweest voor Gods goedentierenheid. Zij, die vast vertrouwden in die hoogere leiding bleven rustig en aanvaardden hun lot met gelatenheid.

Als haringen in een ton werden we in de drie laadruimten gestopt en alleen de zeezieken mochten op het dek om bij te komen. Van slapen kwam  niet veel, want onze houding was zoo geforceerd, dat we om het half uur van houding moesten veranderen om geen spierkramp te krijgen. Om je behoeften te doen moest je minstens een half uur in de queu staan, want elk ruim had maar één trap naar het dek. Een gedeelte van ons lag op de stapel bagage onder de vierkante laadopening, die dag en nacht open bleef ter wille van de frissche lucht, en als het regende, werden die jongens drijfnat.

Pas toen we aan boord waren werd bekend gemaakt, dat we naar Padang gingen, een reis van 3 à 4 dagen, want er moest zig-zag worden gevaren vanwege het duikbootengevaar. In verband hiermee werden we ook doorlopend geëscorteerd door torpedobootjagers en 1 vliegtuig. Nog nooit heb ik m'n verjaardag in zulke omstandigheden herdacht en ik bad God, dat ik m'n volgende verjaardag in een betere gemoedstemming mocht herdenken en dan thuis temidden van mijn geliefden!

's Middags laat op 18 Mei kwamen we in Emmahaven aan, en onze blijdschap over de veilige aankomst overtrof gelukkig onze moeheid wegens gebrek aan slaap en frissche lucht, zoodat we de 6 Kilometer marsch naar de gevangenis van Padang, dezelfde lijdensweg als de tocht Senen-Glodok in Dec. vorig jaar gunstig volbrachten. Gelukkig ben ik tijdens de bootreis geen moment zeeziek geweest (was het hardingsproces toen misschien al een poos aan de gang?) en heb ik een paar keer zeeziekte gesimuleerd en het uitzicht op de kust van Sumatra te genieten. De accommodatie in de Padangsche gevangenis, waar we in een stortbui aankwamen, was verre van goed en gezond: er zaten koelies, zieken en gezonden door elkaar, die hun behoeften liefst op die plaatsen deden, waar je passeren moest om te gaan baden of eten halen.

In dit oord kregen de meesten van ons, die later aan dysenterie bezweken, hun besmetting; bij de zwakkere broeders openbaarde deze ziekte zich direct al. Ik zal niet te lang uitweiden over verschrikkingen als deze, want de kranten zullen daarover genoeg te lezen geven en dus ga ik me bepalen tot een kort relaas over de plaatsen, waar we gezeten hebben en het werk aldaar. Bovendien mag ik niet vergeten, dat velen van mijn lezers niet de ontberingen en de vermoeienissen hebben doorstaan, waardoor ik gehard en ongevoelig ben geworden voor lectuur als deze mémoires.

Drie dagen later gingen we weer verder, ditmaal per trein, naar Pajakombo. Van deze anders zoo mooie tocht hebben we niet in het minst kunnen genieten, omdat het stikdonkere nacht was en we bovendien nat en koud waren van de regen, die natuurlijk net vallen moest toen we naar het station liepen. Van Pajakombo direct per vrachtauto door naar Pakan Baroe, een afstand van 188 Km., waar we 9 uren over gedaan hebben. Voor het eerste haalden we tijdens onze krijgsgevangenschap het hart op aan natuurschoon, want deze autotocht deed ons onze benepen zitplaatsen op en tusschen rugzakken, valiezen, bundels en andere bagage, heelemaal vergeten , zoo'n indruk maakte het prachtige berglandschap op ons.

Het kamp, dat hoofdkamp was en nu nog steeds is vanwege de directe nabijheid van Pakan Baroe, was lang niet zoo comfortabel en schoon als we op Java gewend waren en we beseften allen, dat we nu echt werkers zouden worden in de rimboe en dus maar moesten wennen aan jungle-accommodatie. Helaas  beseften we niet, dat het nog slechter kon. Dit ondervonden we pas toen we na 5 dagen, gedurende welke uitsluitend binnen het kamp zelf gewerkt werd om dit zoo bewoonbaar te maken en te zuiveren van kreupelhout en vuil. overgeheveld werden naar een kamp, waar zelfs de meest laagstaande koelie met zekere dégout in zou gaan wonen. Midden in het moeras, aan de zoom van maagdelijk oerwoud, langs een spoorbaan die uit afgekeurde rails bestond en je deed denken aan een rutsch-baan op een kermis, stonden drie barakken, alleen bestaande uit een dak zonder nok en daaronder, 1 km. boven de grond, ruwe planken voor ligplaats.

Door de afwezigheid van een behoorlijke omwanding met openingen was het de heele dag donker binnen (misschien was met het oog hierop de nog opengelaten) en we waren blij, dat we van 's ochtends tot 's avonds door ons werk tenminste niet in deze walgelijke behuizing hoefden te zitten. Als 't regende was het natuurlijk nog erger; dan had je de heele dag water en modder aan je beenen en hat gaf je niks als je je ging wasschen in de sloot, die langs de straat liep. De Japs deden ook weinig moeite om ons behoorlijk eten te geven: 's morgens pap bestaande uit tapiocameel (atji) alleen met water, maar vooral géén zout, 's middags op het werk rijst met sajoer van ketella (singkong) bladen en 's avonds rijst met dezelfde sajoer, maar dan zat er nog andere groente bij, katjang pandjang soms, maar meestal jonge nangka. Vruchten kreeg je nooit.

Het werk was zwaar en bestond afwisselend uit emplacementaanleg, bruggenbouw en baanonderhoud. Bijna mijn heele Sumatra-tijd heb ik voornamelijk baanonderhoud gehad. Daarbij waren nog diverse groepen; de eene licht de baan op met lange houten palen als hefboom, een andere brengt zand en grind aan in mandjes, weer een andere schuift dit met schoppen en patjols onder en tusschen de dwarsligger, weer een andere slaat met zware houten hamers dit materiaal onder de dwarsliggers, speciaal in de oksels tusschen de dwarsliggers en rail en de laatste groep werkte de zaak mooi gelijk af, zoodat bijv. zware regens geen schade kunnen aanbrengen door afspoeling.

De "hamermannen" hadden het zwaar en met opzet koos ik altijd dit baantje. Dan was is 's avonds tenminste heerlijk moe en sliep dan als een blok. Dit systeem heb ik Goddank kunnen volhouden met succes en zelfs bij koortsaanvallen had ik steeds een gezonde eetlust. De summiere kleeding bij 't werk (alleen een kort broekje, later alleen een tjawat!) maakte ook, dat de zon onze heele body kon bestralen en harden. Ik ben er ook zeker van , dat de meesten van ons, die vóór de oorlog makkelijk kouvatten, hiervan voortaan geen last meer zullen hebben.

In dit z.g. "koeliekamp" zaten 300 man. De anderen werden in andere kampen onderverdeeld. Later hoorde ik, dat er in "modderlust" (een kamp aan de Siak-rivier in Pakan Baroe zelf, nu Kamp I genoemd) ook een Martel zat. Dit moet oom Eddy zijn geweest, maar tot nu toe (18 Sept. 1945) heb ik hem niet ontmoet. Het harde werken en de onvoldoende voeding deed de behoefte aan bijvoeding ontstaan en zoo ontstond de handel in kleeding. De bevolking had tekort aan kleeren en rijst. Dit laatste was alleen op de zwarte markt te koop, want de Jap gaf of verkocht alleen rijst aan werkers en geregistreerde handelaars, zoodat bij de bevolking een ruilhandel tusschen kleeding en rijst ontstond.

Iedere krijgsgevangene die kleeren teveel had, ook sieraden en goed in 't bizonder, zette dit om in geld (stiekem, want de Jap verbood alle contact met Inlanders) en van dit geld werd weer eten en snoepgoed gekocht onder toezicht van onze bewakers. Zoo hebben de pisangs, pisang-goreng, allerlei javaansche baksels met die heerlijke klapperoliesmaak, sajoerans, tape, enz. ertoe bijgedragen ons physiek in conditie te houden. In het begin deed ook ik met pijn in 't hart afstand van m'n kleeren, die vrouwlief zoo zorgzaam had meegegeven, maar het zien van zooveel zieken als gevolg van oedeem (A-vitaminose) en tekort aan weerstandsvermogen, overwon m'n aarzelingen.

In dit koeliekamp werd ik voor 't eerst ziek, de eerste malaria-tertiana aanval. Gelukkig had ik een goed dokter ( Niels, een Indischeman) en ondanks het tekort aan kinine (van aspirine geen sprake!) was ik er na 1 week weer bovenop. Nadien kreeg ik na 3 à 4 weken een aanvalletje van een paar dagen en op 't laatst (deze laatste 4 maanden) werkte ik zelfs door; viel even uit als de koort te hoog werd, dronk bij de theekokers zoo heet mogelijke thee en door transpiratie verdween de koorts dan wel weer. Thuis slikte ik dan gauw een lepel kinabastpoeder, want kininepillen waren later niet meer te krijgen voor ons, en weg was de aanval.

Deze koeloekap-periode heeft gelukkig maar 3 mnd. geduurd. Toen verhuisden we weer naar kamp II (hoofdkamp) en bleven hier tot 11 November '44. 't Voedsel was goed; er was intusschen een oven gebouwd en als lunch kregen we voortaan brood van tapiocameel, al was er verder niets bij. Maar bij de rijst als ontbijt en avondeten kregen we een of meer van het volgende lekkers; zoute visch, katjang tanak, katjan pandjang, ketimoen, vleesch en sambal. Eens in de tien dagen kregen we elk 200 gram witte suiker en 100 gram zout. De porties rijst en tapiocameel bleven echter onvoldoende, zoodat we kleeding en sieraden bleven verkoopen.

Zoo kwam ik goed bij, vooral na m'n endeldarmziekte als gevolg van teveel gaba in de rijst, waardoor ik een maand lang rust had. 't Eerst openbaarde deze ziekte zich tijdens 't werk, toen ik om 't uur het bosch in moest om af te gaan en slijm en wat bloed ontdekte in de afgang. De dokter op 't werk dacht natuurlijk direct aan dysentrie en ik was geweldig down in afwachting van 't microscopisch onderzoek in de polikliniek thuis. Dr. Niles veronderstelde ook dysentrie (amoeben, dus minder gevaarlijk als baccilaire), maar gedurende de 5 dagen, dat ik met kloppend hart een monster van m'n faeces bij de microscoop-dokter bracht, werd er geen één baccil ontdekt, zoodat de diagnose werd vastgesteld op endeldarmirritatie. Als obat kreeg ik alleen desinfectantpillen en moest ik zorgvuldig alle gabakorrels uit de rijst verwijderen.

Hierdoor was ik na een maand weer normaal en tot heden smijt ik nog steeds alla gaba, die ik in mijn eten vind geduldig weg, al ben ik hier vaak wel een half uur mee bezig! Op het werk was ik hierdoor wel eens wat later klaar met eten en met de hervatting van de werkzaamheden, maar gelukkig heb ik er nooit klappen door opgelopen. Over klappen gesproken: m'n eerste klap incasseerde ik in het Glodok-kamp, maar 't was gelukkig geen individuele klap, omdat het dan niet bij één enkele mep blijft. 't Kwam zoo; ik zat in een brandweerploeg en omdat onze barak ver weg lag van het wachtlokaal, waar de trompetter het signaal "aantreden" blies, in plaats van te staan op een plaats meer in 't midden van het kamp, hoorde geen van ons dat signaal direct, zoodat we te laat waren.

Met z'n tienen moesten we toen in een rij staan en kregen we van een Jap. sergeant een klap op de wang, die alleen bij de eerste drie van ons hard aankwam. En ik stond toevallig # vier.. -  Dit boekje is tot mijn schrik bijna volgekrabbeld en voorloopig heb ik geen ander papier, zoodat ik verder nóg beknopter zal zijn. Misschien krijgen we in Medan meer en betere schrijfgelegenheid en dan kan ik wel weer terugkomen op sommige onderwerpen.-

Na dit tweede verblijf in het z.g. Hoofdkamp heb ik nog deel uitgemaakt van vier kampen, alvorens de wapenstilstand kwam. En als maar bleven we onkundig van de resultaten van de oorlog. De wildste geruchten deden voortdurend de ronde, vooral omdat uit verschillende verschijnselen wel voldoende bleek, dat de Japs hoe langer hoe meer in 't nauw gedreven werden. Het is vreemd, maar de controle op het contact met Inlanders werd hoe langer hoe slapper en de laatste drie maanden kregen we dan ook geregeld de wapenfeiten en vorderingen van de geallieerden te hooren via Inlanders en binnengesmokkelde kranten.

De val van Balipapan kregen we te hooren van een Menadoneesche Hei-ho, soldaat die ons passeerde tijdens ons werk en zachtjes zei: "Balipapan habis". Op 11 Nov. '44 verhuisden we van 't hoofdkamp naar kamp V, net als 't "koeliekamp" ver van de bewoonde wereld, maar niet ongezond. Alleen de malaria-patienten bleven sukkelen. Baden deden we in het bosch, op een plaats een paar honderd meter buiten het kamp. Dit gebeurde heelemaal zonder geleide, alleen moest elk groepje zich telkens aan- en afmelden bij de wacht aan de poort. Als bijvoeding begon ik hier rubberpitten te eten, niet teveel uit vrees voor blauwzuurvergiftiging, maar eerst in de zon gedroogd en dan drooggeroosterd.

't Oliegehalte is vrij hoog en het smaakt goed, alleen wat bitter. In dit kamp bleven we tot 6 Maart '45 en gelukkig ben ik maar 2 keer voor drie dagen kwartierziek geweest (malaria tertiana). Op 6 Maart vertrokken we via kamp VIII naar Moearo, eindpunt van de oude spoorbaan van Fort de Kock - Sawahloento, waar we weer in de bewoonde wereld zouden zijn. Hiervoor en voor het nieuwe werk dat ik daar deed (baanaanleg) verwijs ik naar deel III.