Met enige moeite kijk ik terug op mijn jeugd in Nederlands-Indië, de herinneringen zijn geen  rozengeur en maneschijn, verre van dat.

Op 5 april 1933 ben ik in Batavia geboren, de eerste  zoon van David Hartog van der Velde (geb. te Amsterdam op  5 mei 1904) en Klaartje de Vries (geb. te Harlingen op 22 november  1901).

Beide ouders kwamen uit een Joods gezin, mijn oom, de broer van moeder, was 2e Chazan in de sjoel (Synagoge) in Harlingen en mijn grootvader Bennie van der Velde was Rabbijn docent aan het Nederlands Israelitische Seminarium in Amsterdam dat in 1814 werd opgericht.

Op 23 april 1930 trouwden moeder en vader voor de burgerlijke stand in Amsterdam.

Zoals vele jonge stellen was de crisis en de daarbij horende onrust in Amerika een reden om elders naar goede banen te zoeken. De Oost had een grote aantrekkingskracht met zijn tropenklimaat en goed betaalde banen.

Mijn vader zag een toekomt in Nederlands-Indië dan ook rooskleurig in en zo vertrokken mijn ouders na hun huwelijk  naar Indië waar vader een zeer goede baan aangeboden gekregen had als hoofd boekhouder bij Lindeteves Stokvis in Soerabaja. Later rond 1940 zou hij nog  overgeplaatst worden naar een filiaal in Batavia.

Alhoewel  er een kehilla (Joodse gemeenschap) in Soerabaja bestond was deze klein en ook niet erg behoudend. Het bestond voor een deel uit de zogenaamde Bagdad Joden.

Er was een sjoel in Soerabaja maar of die echt veel gebruikt werd weet ik niet. Wat ik wel weet is dat er zeker op de hoge feestdagen Rosh Hasjana en Jom Kippoer diensten waren.

Mijn vader was de Chazan (voorzanger)  van de sjoel  en zong zowel voor de Ashkenasische Joden, de Joden die veelal uit Europa kwamen, als voor de Bagdad Joden die van Sefardische afkomst waren.

Er is een wezelijk verschil tussen de manier waarop de liederen in de sjoel worden gezongen voor de Ashkenasische Joden en de Sefardische Joden, maar mijn vader zong voor beiden. Ook hield hij na de dienst verschillende drôsches* (toespraak).

Een van deze drôsches, hebben we nog gevonden maar het is heel moeilijk om te lezen. Mijn vader oefende regelmatig thuis met zijn machzor, een gebedenboek speciaal voor de hoge feestdagen.

Op vrijdagavond maakte vader altijd kiddoesj (zegenen van brood en wijn voor de Shabbat), hij had dan een zwarte keppel op zijn hoofd. Ik legde min hand op mijn hoofd en besloot dat ik een vrome Jood wilde worden waarbij ik religie en jodendom door elkaar haalde, aangezien ik dat nog niet begreep.

Op Shabbat werkte vader een halve dag maar mijn moeder hield de Shabbat en zij was altijd in de schaduw van het huis liggend op een lange stoel te vinden. Ik moest wel naar school op zaterdag maar als ik thuis kwam lag moeder daar met een sidoer (gebedenboek) in haar ene- en brieven uit Nederland in haar andere hand.

Met Chanoeka, het lichtenfeest, dat meestal in de maand december gevierd wordt, werd de Menora (kandelaar) aangestoken. Chanoekah duurt acht dagen dus de kandelaar heeft ook acht armen en één extra arm aan de voorkant die de shammes wordt genoemd, de dienaar. Met de shammes steek je elke dag een extra kaarsje aan tot alle kaarsen op de achtste dag branden.

De Menorah, die mijn vader altijd aanstak, heeft de oorlog overleefd en staat nu bij mijn neef in Jeruzalem.

Aangezien er in Nederlands-Indië geen artikelen te koop waren voor de Joodse feestdagen kregen we deze door familie uit Nederland toegestuurd.

Zo zorgde een oom, de broer van mijn moeder, dat we met Pesach (het Joodse paasfeest) op tijd matzes kregen. Deze zaten in grote ronde blikken dozen verpakt. We hielden uiteraard de seideravond, lazen uit de Hagada en zongen de voor ons zo bekende liederen. Één van de laatste seideravonden dat ik mij kan herrinneren was er een ouder echtpaar uit Amerika bij ons te gast, ze konden niet verder reizen op dat moment. Onze oude melodieën  waren hun ook bekend en deze zongen ze dus met volle borst mee.

Op 23 maart 1937 is mijn zusje Elize geboren in Soerabaja.

Ik herinner mij de zenuwachtige tijd nog wel die tijd dat wij met z’n drieën (mijn moeder, mijn zus Elize en ik)  in het huis aan de Baveanstraat woonden. We wisten immers niet wanneer wij opgehaald zouden worden en waren s’nachts ook heel kwetsbaar omdat er geen man in huis was. Van mijn moeders verhalen weet ik nog dat wij s’nachts ook één keer door Javanen zijn aangevallen maar toen heeft de Japanse buurman ons ontzet.

Maar toen kwam die dag en dat moment, omstreeks 1943, dat wij, mijn moeder, zuster en ik werden opgehaald. Er stonden twee betjaks,een fiets met 2 zitplaatsen voorop, klaar. We mochten maar heel weinig meenemen. Mijn moeder had erop gerekend dat we naar het vrouwen kamp “Darmo” zouden gaan. Het kamp Darmo, bij de Darmo Boulevard was een wijk met bestaande huizen, waar in het begin de lokale verkopers hun waren gewoon verkochten.  Ze had daar al een hutkoffer klaarstaan, maar uiteindelijk moest ze in alle haast wat spullen in een paar kleine koffertjes doen, zodat we uiteindelijk maar met weinig spullen op de plaats van bestemming aankwamen.

Verreweg de meeste mannen, waren al opgepakt als "blanken", bij de capitulatie van Nederlands-Indië, maar de vrouwen en kinderen nog niet. Het was ook een hele angstige tijd voor de Javanen. De enige mannen waarvan ik nog weet dat ze nog niet waren opgepakt waren Dr. Segal en een meneer van der Berg. Deze laatste werd ook snel hierna opgepakt maar dr. Segal is nog met ons meegekomen naar het kamp Tangerang.

Dat wij aan de hand van een Joodse lijst werden opgehaald was een feit.  Mijn vader was namelijk secretaris van de Joodse Gemeente Soerabaja en moeder deed het schrijfwerk voor hem en wist dat er een lijst bestond met de namen van alle Joodse bewoners van de Gemeenschap in Soerabaja omdat ze die zelf had bijgehouden voor de gemeente. Dat we zijn opgepakt aan de hand van deze Joodse lijst, is een feit wat steeds door het Rode Kruis werd ontkend, maar door verschillende getuigenissen toch schoorvoetend werd toegegeven (zie brief onderaan).

Soerabaja heeft een haven en toentertijd meerden er ook Duitse onderzeeboten, voor onderhoud,  in de haven aan. De Duitsers polsten de Japanse officieren en zette deze onder druk om te weten te komen of er ook Joden in Soerabaja waren. Ze maakten de Japanners dan ook duidelijk dat ze Joden moesten oppakken. In feite wisten de Japnners niets van Joden af en deze werden  dus ook niet vervolgd in Nederlands-Indië maar werd je geïnterneerd omdat je totok (Europeaan) of indo (gemengd Europees/Indies bloed) was. Onder druk van de Duitsers werd de voorzitter van de Joodse gemeente, de heer Ehrenpreis, opgespoord en onder nog veel meer druk en marteling hebben de Duitsers/Japanners de lijst met namen van hem gekregen.

In Soerabaja werden we in de Werfstraat gevangenis geplaatst, deze gevangenis werd bewaakt door inheems gevangenis personeel. Eenmaal daar realiseerden mijn moeder zich, toen ze in het cellenblok aankwam, dat we op grond van de lijst van de Joodse Gemeente waren opgepakt want het cellenblok zat vol met Joodse mensen. Aangezien wij door de invloed van de Duitsers als "gevaarlijk" waren bestempeld werden wij in een celblok geplaatst onder toezicht van de Kempetai, de Japanse SS.

In de Werfstraat gevangenis moesten we 2 keer per dag op appèl staan en was ik daar erg bang voor. We waren getuigen van het martelen van Javanen en vaak zagen we het niet maar hoorden wij het wel. Douchen moesten we allemaal tegelijk, naakt in een grote nare ruimte. De wc was een tonnetje die in de cel aangesloten was op de riolering. Maar de grote schok voor mij was dat we van ons luxe huis met schone bedden op een cementen grond lagen en heb ik daar ook astma gekregen waar ik nog steeds last van heb.

De Kempetai zat in het hoofdgebouw, dit was tevens de ingang van de gevangenis. Tijdens bombardementen van de Australiërs, zaten we ook opgesloten hetgeen heel beangstigend was. Het geluid van de tralies deur die in het slot valt, het ijzer op ijzer, die vanaf 18.00 gesloten werd is nog een nachtmerrie voor mij.

Mijn moeder was een zeer wilskrachtige vrouw, die waarschijnlijk al in de gevangenis in de Werfstraat Tuberculose opliep.  Het is bekend en werd  mij dit ook door een vriendin bevestigd dat zij ondanks haar ziekte toch Joodse les gaf in kamp Adek en waarschijnlijk ook in andere kampen, aan zowel de Nederlandse Joodse kinderen als de Bagdad Joden. Iemand iets leren of bijbrengen, zoals les geven was streng verboden maar dit weerhield mijn moeder niet om dit toch te doen.

Het was na de kersttijd in 1943 dat we samen met meerdere kampen in één groot transport werden verplaatst. Het was een hele erge zware tocht die drie dagen duurde.  Behalve een extreem langzame stoomtrein werden we meerdere keren gebombardeerd. De Japanners hielden ons onder schot terwijl sommigen zelf meermaals uit de trein renden om voor de bombardementen te schuilen.

Via het grote kamp in Batavia (waarschijnlijk was dit Tjideng maar dat kan ik mij niet meer herinneren) zijn we in Tangerang, een voormalig strafkamp van de Nederlanders  terecht gekomen dat huisde in het LOG** (Lands Opvoedings Gesticht voor Jongens). Hoe we hier precies zijn terecht gekomen en hoe we werden vervoerd zijn weet ik niet meer.Wat ik mij wel herinner is dat toen we in het kamp aankwamen, we door de leiding onder mevrouw Vreede, in de laatste zaal geplaatst werden zodat we het koude restantje aan eten kregen, uit de drums waar het eten in gekookt en vervoerd werd.

In Tangerang was er ook twee maal dagelijks appèl waarbij ik bibberend van angst in de rij stond. Doordat ik klein was moest ik vooraan staan en vond het vreselijk om te moeten zien hoe vrouwen geslagen werden.

Toen ik 11 jaar was werd ik bij mijn moeder en zuster weggehaald en met een open vrachtauto naar het jongenskamp gebracht Baros 6 of ook Kamp 6 genoemd in Tjimahi. Het was een kamp voor jongens vanaf 11 jaar, maar ik herinner mij ook dat er hier volwassen mannen waren. In dit kamp ben ik door de andere jongens heel erg getreiterd. Ik heb er op 2 manieren een hel gehad. 1 ik was een veel te kleine jongen voor mijn leeftijd en 2 ik was Joods, wat ze wel wisten.

Er was weliswaar aan de andere kant van de straat een kamp voor vrouwen, maar mijn moeder en zuster zijn van het LOG naar kamp Adek*** in Batavia vervoerd waar ze op 25 maart 1945 aankwamen.

Het verhaal van mijn zuster Elishevah (Elize)  Abrahams- van der Velde kunt u hier lezen.

Na de capitualie van de Japanners en de val van Japan, waarover  wij pas later hoorden, rond 18 augustus 1945, brak er een hele beroerde tijd aan. Het weinige voedsel wat we van de Jappen tijdens de internering kregen, kregen we nu niet meer en werd het scharrelen om eten te vinden. Wel had ik wat geld gekregen en ging hiermee in de kampong aan de overkant met mijn pannetje wat bami goreng kopen. Dit ging een aantal keren goed tot ik eenmaal bij de Warung (klein eettentje meestal een hete plaat en geen tafels of stoelen) kwam en de vrouw die daar eten verkocht zei "Sinjo" wat jongen in het Maleis betekend, wat ik toen nog vloeiend sprak, "ik mag je niets meer verkopen".

Vergeet niet dat ik heel klein was gebleven door de ondervoeding en  dus smeekte ik haar dan ook om mij toch eten te geven want ik had zo een honger. Ze heeft dan toch mijn pannetje gevuld en voelde ik wel een hele vijandelijke houding tegenover mij. Ik liep dan ook rechtop, langzaam stap voor stap, de kampong uit om maar niet de indruk te wekken dat ik bang was en heb het kunnen navertellen. In het kamp ben ik wel in huilen uitgebarsten maar heb wel het pannetje eten met smaak leeggegeten.

Het was natuurlijk ook een hele enge tijd want alhoewel je dus wel het kamp uit mocht, was dat levensgevaarlijk doordat de Indonesiërs zo geindoctrineerd en misleid waren door de Jappaners. Het was hun namelijk verteld dat alleen als alle gevangenen weg of vermoord waren ze zelfstandig konden worden.

Zoals wel bekend is bleek de waarheid heel anders. Wat voor de Javanen vooral heel erg was, was dat de Japanners met valse voorwendselen duizenden jongens van een jaar of 16 ronselden met de bedoeling ze tot slaaf te maken en ze in de mijnen te laten werken.  Velen werden vervoerd  en zijn verdronken tijdens de transporten met 4 zogenoemde Japanse helleschepen.

Mijn vader is niet direct opgepakt omdat hij Lindetevis Stokvis draaiende moest houden tot deze werd overgenomen. Hij zat in de Stadswacht als gewapende soldaat. De mannen hebben bij de capitulatie de uniformen en wapens in een vijver gegooid en zijn in hun ondergoed naar huis gegaan. Mijn vader had zijn auto in de buurt staan zodoende kon de overbuurman de heer Groen in zijn ondergoed met hem mee naar huis.

Hij kwam zoals wij veel later, in de Werfstraat gevangenis terecht waar mijn moeder hem nog een koffertje met goed mocht komen afgeven. Hierna is hij naar een kamp in Bandung verplaats en toen op transport gezet op het Japanse helleschip Junyo Maru. Deze zware stoomboot zeilde vanuit Batavia met ongeveer 6.500 mannen op weg naar Padang aan de westkust van Sumatra om te werken aan de Sumatra-spoorlijn. Dit 23ste transport van krijgsgevangenen van Java, waaronder 2300 Nederlandse krijgsgevangenen, heette Java-partij 23.

Mijn vader zat, onder de meest verschrikkelijke omstandigheden, aan boord van deze Junyo Maru opgesloten toen het schip op 18 september 1944 door de Britse HMS Tradewind werd getorpedeerd met 5600 doden als gevolg, waaronder mijn vader. De andere 3 schepen zijn ook door een Engelse onderzee boten getorpedeerd, waarbij de meesten, die niet zwemmen konden, zijn verdronken.

Wij werden van kamp naar kamp vervoerd door Gurka’s, Engelse soldaten van Indiaase afkomst. Zij bewaakten ons kamp en hielden een schrikbewind onder de inlanders. Dit was voor onze veiligheid.  Uiteindelijk kwamen we in een vaste kazerne van het KNIL terecht wat beter te verdedigen was tegen de Javanen. We sliepen daar met zijn allen op de houten vloeren. Toen iemand s’nachts lag te roken en zijn peuk weggooide, kwam die op mij terecht en werd ik gillend wakker van de brandplek. Ik heb toen nog met andere jongens even in de ziekenboeg gelegen.

Heel waarschijnlijk is dat òf mijn moeder, òf de leiding van het kamp waar ze toen verbleef, Adek genoemd, gezorgd heeft dat ik naar Batavia kon komen. Ik werd per vliegtuig, een leger Boeing die bestuurd werd door een Japanse officier, overgevlogen.

Het zicht van de sawa’s (rijstvelden), met de rijstaanplant uit de lucht gezien, staat nog zo helder op mijn netvlies gebrand. Na aankomst in Batavia werden we met een paar vrachtauto’s naar de rede van Batavia vervoerd. Batavia had geen haven maar een rede en dan werd je met een landings vaartuig of kleine schepen naar het grote schip gebracht. Ik werd daar dus gewoon afgezet en de vrachtauto reed weg.

Daar stond ik dan met mijn 12,5 jaar en broodmager, ik woog rond de 28kg. Er werd een lijst opgelezen van mensen die in de groep zaten om aan boord te gaan van het grote schip. Het bleek  later het ms “Oranje” te zijn. Degene die de lijst voorlas zag al snel dat mijn naam er niet op stond en wist niet goed wat hij moest doen. Ik was helder van geest en door mijn overlevingsinstinct wist ik wat ik moest doen. Ik legde een klein zakje waar ik al mijn eigendommen in had zitten zoals mijn metalen etensbakje op de grond en ben onopvallend het landingsvaartuig ingegaan. Daarna ben ik over een soort brug gelopen en kon ik mij stiekum weer aansluiten bij de groep wiens naam wel omgeroepen was.

Alhoewel de leider dit allemaal heeft gezien, zei hij niets. Zo kwam ik dus aan boord van de Oranje. Eenmaal aan boord gebeurde het weer want mijn naam stond niet op de lijst. Ik hield met mijn 12,5 jaar vol en zei dat ik niet meer van boord ging. De bemanning heeft toen de oude lijsten erbij gehaald en deze nagekeken. Het bleek, dat mijn moeder, die zware Tuberculose had en die ze graag uit Indië weg wilden hebben, had geweigerd aan boord van de Oranje te gaan zolang ik niet bij haar was. Ze stond erop eerst te wachten tot ik aanwezig was en alleen samen met mijn zus en mij wilde ze de overtocht maken.

Om het verhaal kort te maken heeft de leidinggevende op het schip het ziekenhuis gebeld, waarna mijn moeder zich heeft aangekleed en toen samen met mijn zuster in een heel kleine boot naar de Oranje is gebracht. Pas toen ze me van verre zag staan is ze aan boord geklommen via een hele lange ladder die aan de zijkant van het schip tot in de zee reikte.

De jongens op het schip sliepen in het achtergedeelte, op het achterdek wat geheel met gaas was afgesloten. De afdeling was helemaal dicht omdat  men niet wilde dat de jongens over het schip gingen zwerven. Het gaas diende om inbrekers te weren die in de haven langs de kabels aan boord konden komen. Een enkele keer mocht ik mijn moeder bezoeken die op de ziekenboeg lag.

Mijn moeder is direct na aankomst in Nederland in het sanatiorum in Santpoort opgenomen. Mijn zuster werd ondergebracht bij een oom, die buiten zijn eigen 3 kinderen nog 2 pleegkinderen had, dus daar kon nog wel een meisje maar geen jongen bij. Mij hebben ze toen “gestald” in het Oosterparkziekenhuis, een ziekenhuis van de katholieken. Na ongeveer 3 weken zijn we, Elize en ik op transport gezet naar Zwitserland met nog een stel kinderen onder auspiciën van het rode kruis. We zouden er ongeveer 3 maanden blijven om aan te sterken maar dit werd uiteindelijk één jaar.

Je kan kindertehuizen natuurlijk helemaal niet vergelijken met het kamp, je krijgt er een bed, met de regelmaat van de klok te eten en een goede behandeling. Voor mij was het alleen wegens mijn verleden allemaal heel erg moeilijk. Het oorlogs verleden als kind draag ik nog dagelijk met mij mee. Nu ben ik 87 jaar en woon met mijn vrouw in het bejaardencentrum  Beth Juliana, in Herzliya, Israel. We zijn bijna 59 jaar getrouwd en woonden in het begin samen in ons appartement aldaar.

Helaas zijn we door de invaliditeit van mijn vrouw Sylvia Louise Duis gescheiden van elkaar aangezien zij nu op een andere afdeling in het huis woont. We zien elkaar veel en ze komt bijna dagelijks met haar rolstoel naar ons appartement. Ik geniet er nog elke dag van om een schoon bed te hebben, de tafelkleden in de eetzaal hebben franjes en alles is schoon.

Wij zijn jammer genoeg samen alleen!!


Benno van der Velde, Beth Juliana Herzliya, Israël

December 2020--


Notes:

Het enkelvoudige drôsche,  van het Hebreeuwse afgeleidde  „derascha” betekend godsdienstige voordracht.  Hedendaags wordt met het meervoud “drosches”  ook wel kletspraatjes  bedoeld.

** Door research van Tilly hebben we kunnen uitvinden dat het enige transport wat er van Tangerang geweest is met 20 jongens vanuit de LOG was op 23 februari 1945. Het kamp Adek (afkorting van Algemeen Delisch Emigratie Kantoor) was het kantoor voor de werving van koelies voor de tabaksplantagers in Deli. Het kamp was ondergebracht in gezinsbarakken omheind met prikkeldraad. (bron: Japanse burgerkampen.nl).

*** Het kamp Adek (afkorting van Algemeen Delisch Emigratie Kantoor) was het kantoor voor de werving van koelies voor de tabaksplantagers in Deli. Het kamp was ondergebracht in gezinsbarakken omheind met prikkeldraad. (bron: Japanse burgerkampen.nl).

Kantoorgebouw rond 1930 van Lindeteves Stokvis te Soerabaja

Trouwakte David Hartog van der Velde en Klaartje de Vries

van 23 april 1930 te Amsterdam

Mijn ouders en ik in 1935

Laatste foto van mijn ouders mijn zuster Elisheva en ik

Mijn registratie kaart / Interneringskaart van het jongens kamp in Tjimahi

Het vervoersbewijs van het kamp met het vliegtuig een Boeing naar Batavia terug naar mijn moeder

Het uiteindelijke bewijs dat wij bewust als Joden waren opgepakt in Nederlands-Indië

Geboorte aankondiging  van Benno

5 april 1933

Geboorte aankondiging van Elize in de

 Indische Courant van 30.03.1937

De heer Ehrenpreis voorzitter van de Joodse Gemeente te Soerabaja  tijdens een Chanoekah viering met mijn zusje Elize (vooraan) het jaar is 1940 - 1941

Bijeenkomst met vooraan midden  v.l.n.r

Dhr Ehrenpreis, vader, Elize en moeder

Waarschijnlijk bijeenkomst van de Joodse Gemeenschap Soerabaja rond 1940

Choepah (huwelijksinzegening) van Jacob Franken en Mej. van der Linden

Vader met talles (gebedskleed) en zwarte keppel 

Benno van der Velde vertelt het verhaal over zijn jeugd in Nederlands-Indië

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel