Mijn moeder (Dientje Vervoort) is in 1923 geboren in Yogjakarta op Java, als enig kind van mijn oma Suzanna Emelia (Melie) Velthuizen (geb. in Soerabaja 1901) en mijn opa Jacobus Johannes (Sjaak) Vervoort (geb. 26-01-1900 in Princenhage bij Breda).

Mijn oma Melie werkte bij de PTT, eerst in Cheribon, waarna zij werd overgeplaatst op eigen verzoek naar Yogjakarta, hierover later meer.

Mijn opa (Sjaak) was soldaat bij het KNIL en wel bij het 1e eskader van de Cavalerie in Yogjakarta.

Mijn grootouders woonden in Yogjakarta tot mijn opa in december 1941 werd overgeplaatst naar Malang (Oost Java).

Voor koloniale begrippen woonden mijn grootouders bescheiden, want hij was tenslotte maar een gewone soldaat. Oma had wel een Baboe in huis maar de andere huishoudelijke taken nam ze zelf voor haar rekening.

Op 19 December 1941 trouwde mijn moeder met Joseph Veltman in Malang. Mijn vader Joseph Veltman is geboren op 6 januari 1919 in Rheden, zoon van Lambertus Veltman en Berendina Zweers. Hij ging als militair vrijwillig naar Nederlands-Indië en sloot zich aan bij het KNIL.

Uit het huwelijk van vader en moeder werd in Malang op 23 Augustus 1942 mijn oudste zuster Berendina (Bep) Veltman geboren, genoemd naar mijn paternale grootmoeder.

Mijn vader zat dus bij het KNIL en zowel hij als mijn opa zijn kort na de komst van de Japanners in maart 1942 en dus nog vóór de geboorte van mijn zus Bep in Soerabja tot krijgsgevangene gemaakt.

Ze werden overgebracht naar Malang naar de kazerne van het 10de bataljon. Het kamp, Drost-kamp 1 genoemd, lag ongeveer 1km ten oosten van het station. Het kamp was ondergebracht in houten barakken en bijgebouwen van een nieuw militair kampement, omheind met hekken en prikkeldraad.

Het kamp werd bewaakt door Japanse en Koreaanse militairen en de kampleiding was voor de rekening van luitenant-kolonel K. Drost. 

Toen ze de stad binnenliepen, om naar de kazerne te worden gebracht, stond mijn moeder aan de kant van de weg en heeft vader haar toen een pakje shag kunnen toestoppen waar 200 gulden in verstopt zat.

Hij had dit gekregen van de foerier. De foerier, die meestal de rang van onderofficier heeft, heeft de taak om onder andere de uitrusting en de voorraden te bewaren en te verdelen.

Tijdens de internering van mijn vader en mijn opa in het kamp in Malang mochten de vrouwen hier vrij naar toe maar dit werd na enige tijd afgeschaft. 

Mijn oma, moeder en oudste zus waren namelijk zogenaamde buitenkampers. Dat zijn de (Indo)-Europeanen die tijdens de Japanse bezetting van Indonesië niet geïnterneerd werden, maar buiten de kampen verbleven. Op Java bleven de meeste mensen van gemengd Nederlands-Indonesische afkomst buiten de kampen, maar buiten Java waren zij meestal wél geïnterneerd.                        

In april 1943 werden duizenden Nederlandse en Britse krijgsgevangenen in vijf schepen van Java naar de Zuid-Molukken overgebracht voor de aanleg van Japanse vliegvelden bij Liang op Ambon, Palao op Haruku en Amehei op Ceram. 

Mijn vader die in Indië vanwege zijn huidskleur “de witte” werd genoemd, werd naar kamp Tantoei op het eiland Ambon gebracht. Het kamp Tantoei was een militair kamp en in de periode van 3 februari 1942 tot 10 september 1945 een krijgsgevangenenkamp. 

Het kamp lag aan de kust ten noorden van de stad Ambon en was gelegen op het terrein van de voormalige klapperolie-fabriek. Het kamp was ondergebracht in nieuwe houten barakken en omgeven door hekken met prikkeldraad.

Vooral op Ambon waren de omstandigheden waaronder moest worden gewerkt bijzonder zwaar.

Mijn vader werd gedwongen te werken bij de aanleg van het vliegveld Liang. Dit vliegveld lag ongeveer 12 km ten zuidwesten van de hoofdplaats Ambon-stad. Degenen die niet overgeplaatst werden bleven gedurende de hele bezetting op Ambon en werden permanent tewerkgesteld bij opruim- en herstelwerkzaamheden na geallieerde luchtaanvallen. Mijn vader was getuige van een geallieerde luchtaanval op 15 februari 1943 waarbij enkele tientallen krijgsgevangenen de dood vonden.

Ik weet dat vader ook nog op het eiland Saparua of Haruku heeft gezeten, waarschijnlijk om daar ook gedwongen mee te werken aan de aanleg van een vliegveld, maar buiten dat de plaatselijke bevolking hem Bagia, een Molukse lekkernij, gaven is mij hierover niet meer bekend.

Zowel Saparua als Haruku zijn ook eilanden in de Indonesische eilanden groep de Molukken.

Eind november 1943 vertrok het eerste transport terug naar Java, in augustus en september 1944 vertrokken er nog drie groepen naar Java en begin oktober 1944 ging de laatste groep. Door de ontberingen, ziekte, honger en uitputting stierven velen tijdens de reis. Het is bekend dat bijna één op de drie krijgsgevangenen die in april 1943 in Soerabaja waren ingescheept om het leven is gekomen.

Na terug te zijn gekomen in Soerabaja is mijn vader vanuit de haven Tanjung Perak door de Japanners met een zogenaamd Japans Helleschip naar Singapore verplaatst alwaar hij de rest van de oorlog in een kamp gezeten heeft.

Een Japans Helleschip was een schip van de Japanse koopvaardij dat het Japanse leger gedurende de Tweede Wereldoorlog gebruikte om krijgsgevangenen en Aziatische dwangarbeiders te vervoeren. De schepen stonden bekend om de zeer slechte omstandigheden aan boord en de wrede manier waarop de krijgsgevangenen behandeld werden. Deze krijgsgevangenen werden onder andere vanaf de Indonesische archipel naar Birma, Siam, Sumatra, Molukken en Singapore vervoerd om aldaar gedwongen te werk gesteld te worden.

Van mijn opa is bekend dat hij van 1942-1945 tot krijgsgevangene is gemaakt (te lezen op de interneringskaart). Na in hetzelfde krijgsgevangenenkamp in Malang te hebben gezeten als mijn vader is hij waarschijnlijk in Januari 1943 met een Japans Helleschip uit Java vervoerd naar Singapore.

Na met ruim 1200 krijgsgevangenen als haringen in een ton opeengepakt te hebben gezeten werd hij hoogstwaarschijnlijk ondergebracht in het Changi Kamp, zoals veel krijgsgevangenen direct na aankomst in Singapore.

Hierna werd hij per trein naar Thailand vervoerd en te werk gesteld aan de Birma-Siam spoorlijn.

De aanleg van de Birma-Siam spoorlijn is één van de meest pijnlijke gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog. Er werden zeer veel krijgsgevangenen met groot geweld door de Japanners als dwangarbeiders ingezet en velen vonden een gruwelijke dood. Het idee was een spoorweg door krijgsgevangenen te laten bouwen dat een verbinding moest leggen tussen Non Pladuk in Thailand (voorheen Siam) en Thanbuyuzayat in Birma (nu Myanmar). Het doel wat men wilde bereiken is de aanvoer van Japanse troepen en materialen naar het Birmese front te vergemakkelijken en was deze spoorlijn vooral strategisch geplaatst. 17990 Nederlandse krijgsgevangenen werkten aan deze spoorlijn. Van deze krijgsgevangenen overleefde 15% het niet. Dit was een relatief klein percentage en er wordt gespeculeerd dat dit kwam omdat de meesten in Nederlands-Indië geboren waren of er lang hadden gewoond en beter opgewassen waren tegen de ziektes en het klimaat.

Zowel mijn vader als mijn opa zijn uiteindelijk in Singapore bevrijd en kwamen terug in Indië in 1945.

Mijn vader werd dus pas na de oorlog (in 1945) weer herenigd met zijn vrouw en eerstgeborene, een ontmoeting die door mijn zuster als zeer teleurstellend is ervaren. Mijn moeder had haar altijd gezegd als papa terug kwam, dat hij schoenen voor haar mee zou nemen als geschenk. Terug uit de oorlog kwam hij slechts met twee stoffen konijntjes en dat was volgens mijn zus niet wat haar beloofd was geweest.

Mijn moeder bleef de gehele oorlog met mijn zuster en oma in Malang en na de capitulatie zijn ze naar Batavia gegaan.

Op 17 juni 1947 werd een tweede kindje, een jongen, geboren in Medan op het eiland Sumatra die de naam Joop kreeg.

Mijn ouders gingen in 1949 op groot verlof naar Nederland met hun 2 kinderen. Mijn moeder, beviel kort na de aankomst in Nederland van een 3e kindje, een zoon die de naam Rudie kreeg. Kort na zijn geboorte werd er vastgesteld dat zijn longen niet volgroeid waren en stierf hij.

Tijdens dit verlof werd er besloten dat mijn vader alleen terug zou gaan naar Indië omdat hij nog steeds in dienst van het KNIL was. Mijn moeder ging met haar kinderen bij haar schoonouders in Arnhem wonen.

In 1950 kwamen zowel opa, oma als ook mijn vader terug naar Nederland. Mijn vader reisde met de ss Volendam, van de Holland America Line en wel op 19 december 1950 van Tanjung Priok (de havenstad van Jakarta) via Port Said naar Rotterdam het schip dokte in de haven van Rotterdam op 17 januari 1951.

Er waren 1056 passagiers aan boord waaronder 664 KNIL militairen. Het was de bedoeling de meeste militairen te demobiliseren maar maakte men zich zorgen of er wel of niet een baan voor hen te vinden zou zijn aangezien het juist in de periode 1950-1951 als gevolg van het uitbreken van de Koreaanse oorlog economisch wat minder ging. In Port Said kwamen demobilisatie officieren aan boord die voorlichting kwamen geven over mogelijke scholing en het vinden van werk. Ook werd er duidelijk gemaakt aan familie van de terugkerende militairen dat zij niet welkom waren aan de kade in Rotterdam. Er stonden bij de loods bussen klaar die hen naar huis toe brachten.

Mijn grootouders reisden terug met de ms Sibajak in 1950. Zij werden, wegens een tekort aan huisvesting en omdat er gedacht werd dat hun verblijf in Nederland tijdelijk zou zijn, ondergebracht in woonoord Schattenberg in Kamp Westerbork dat in de oorlog nog als doorgangs- en concentratiekamp voor de Duitse bezetter had gediend. Aangezien mijn moeder al in Arnhem woonde ging mijn vader na terugkomst in 1950 ook daar naar toe en ging in dienst van de landmacht aldaar.

Het gezin woonde in Arnhem dicht bij de ouders van vader en hier werden op 31 maart 1951 een zoon Rob en op 27 maart 1953 dochter Irma geboren.

Het leven was in Nederland toen niet altijd eenvoudig, maar er was geen keuze, ze moesten zich aanpassen want er was geen weg terug naar het zo geliefde Nederlands-Indië.

In 1955 verhuisde het gezin met nu 4 kinderen naar Den Bosch waarna ik op 15 maart 1955 geboren ben en na mij mijn broer Paul op 17 januari 1957, Eric 17 juni 1959 en Frank op 11 november 1964.

Het gezin bestond dus uiteindelijk uit vader, moeder en 8 kinderen.

Eind jaren 70 is mijn oma naar het verpleegtehuis De Herven in Den Bosch verhuisd. Oma was helaas dementerend, maar opa was te goed van geest en heeft in afwachting van een plaats in het verzorgingstehuis St. Jan Baptist (nu De Grevelingen) in Den Bosch, alwaar hij op 14-09-1986 overleed, een tijdje bij mijn vader en moeder ingewoond.

Er waren zes bejaardenhuizen waar Indische ouderen hun oude dag konden doorbrengen. Na de soevereiniteit van Indonesië, verlieten tal van mensen hun vaderland om het bewind van Soekarno te ontvluchten.

Ze kwamen ontheemd en vreemd in het kille Hollandse klimaat. Velen spraken niet of nauwelijks Nederlands en trokken zich met hun familie in hun eigen wereld terug. Velen van hen waren van Indisch/Nederlandse afkomst en hadden hun brood verdiend als ambtenaar of KNIL-militair. Eén van deze huizen was het St. Jan Baptist in Den Bosch waar mijn opa terecht kwam.

Een buurvrouw van opa, in St. Jan Baptist,  had ook in Indië bij de PTT gewerkt, net als mijn oma en maakte te pas en te onpas opmerkingen naar mijn moeder toe die mijn moeder niet begreep. Eén van de opmerkingen was :  “je wordt gezocht”...

Onlangs vertelde mijn moeder dat ze het volgende altijd wel geweten heeft maar ik vertel hier het verhaal zoals het mij bijstaat:

Op een gegeven moment besloot ze de koe bij de horens te vatten en vroeg aan deze dame wat ze nu eigenlijk bedoelde. Van het antwoord werd mijn moeder heel stil. Het bleek dat mijn moeder niet enigst kind was en dat oma voordat mijn moeder geboren was nog een dochter had gekregen.

Deze dochter met de naam Ollie is hoogstwaarschijnlijk verwekt door een andere man dan de vader van mijn moeder (hierover straks meer). In die tijd werden zulke zaken zeer geheim gehouden en het is waarschijnlijk daarom dat ze Ollie heeft afgestaan aan haar cheffin bij de PTT, een alleenstaande vrouw met de achternaam Kilian.

Mijn moeder (helemaal links) en haar halfzus Ollie ernaast

Ik weet dat Ollie getrouwd is met een Indonesiër uit Yogjakarta. Uit dit huwelijk zijn 5 kinderen geboren, één dochter Julia genaamd en 4 zonen, Johnny, Tito, Harry en Boesye. Helaas zijn de zonen inmiddels  allemaal overleden maar mijn nicht woont nog in Jakarta. Mijn man is op een reis naar Ambon via Jakarta bij onze nicht langsgegaan en sindsdien is er een warm contact ontstaan.

Het verhaal is hiermee nog niet afgesloten want na deze intrigerende wending volgde er nóg een.

Toen het in het jaar 2000 met de gezondheid van mijn vader slecht ging (hij was inmiddels 81) en in het ziekenhuis belandde begon hij ineens te vertellen dat onze (maternale) opa (door ons kleine opa genoemd) niet de vader van onze moeder is. Zoals ik al schreef was er een relatie met een man waaruit de halfzuster Ollie is geboren en wat bleek nu, dat er een tweede relatie geweest is van mijn oma met ene meneer Kleine die de biologische vader van mijn moeder schijnt te zijn.

Meneer Kleine kwam uit Amsterdam en hij werkte in de suikerfabriek Baliran die in 1933 failliet is gegaan. Hierna begon hij een weverij in Yogjakarta aan de Gondomanan, naast de Chinese kerk. Hij was getrouwd met een Afrikaanse vrouw, waarmee hij geen kinderen had. Hij wilde scheiden maar zijn vrouw wilde dat niet en hij verbrak de relatie met mijn oma.

Mijn opa heeft hoogstwaarschijnlijk mijn oma ontmoet toen ze al zwanger was van mijn moeder en mijn moeder opgevoed als zijn eigen dochter. Meneer Kleine heeft zijn verantwoordelijkheid altijd genomen en kwam ook regelmatig mijn moeder opzoeken. Er werd door hem ook kinderalimentatie betaald. De bezoeken hielden op toen mijn opa werd overgeplaatst naar Malang waarna het contact ook verloren is gegaan.

Mijn moeder weet ook niet of hij de oorlog heeft overleefd en/of hij naar Nederland is teruggekeerd. Dit alles was indertijd geen geheim voor mijn grootouders maar na hun repatriëring naar Nederland is er nooit meer over gepraat.

De zoektocht naar mijn moeder begon door de familie Kilian, nadat mijn neef Johnny (een zoon van Ollie) hen vertelde dat zijn moeder ook de achternaam Kilian draagt. Dit is ook wat de buurvrouw van mijn opa met “je wordt gezocht” bedoelde.

Mijn moeder leeft nog en is op haar leeftijd van 97 nog in goede geest en doen en het is erg fijn dat dit verhaal tot stand kon komen met haar hulp.

Ank Patty, oktober 2020

Jacobus Johannes (Sjaak) Vervoort

Foto gemaakt tijdens het huwelijk van Oma Melie en Opa Sjaak (geheel rechts), van de andere twee heren is niet bekend wie dat zijn.

Lambertus Veltman (grote Opa)

Uit de interneringskaarten is duidelijk te zien dat mijn opa (links) en vader (rechts) op dezelfde dag gevangen genomen zijn.

A (net boven de M van “Malang”) is het Kamp Drost  

Geheel links: Kolonel K. Drost

Kamp Tantoei op Ambon

Bagia, een soort rode koek, een Molukse lekkernij

Vader en moeder in Arnhem met Bep, Joop, Rib en Irma

Met opa en oma in Den Bosch

Ollie

Bovenste vijf kinderen van Ollie en haar man,onderste drie de kinderen uit een eerder huwelijk van haar man

Geboorteakte Jacobus Johannes (Sjaak) Vervoort

Trouwfoto vader en moeder 19 december 1941

Aanleg Birma Spporlijn

Mijn moeder (helemaal links) en haar halfzus Ollie ernaast

Rust moment in Birma

Ank Patty vertelt over haar grootouders en ouders in

Nederlands-Indië

Rechts de heer Kleine, de biologische vader van mijn moeder

Copyright © All rights reserved de Indische Verhalentafel