
Palembang in brand, februari 1942. De olieraffinaderijen langs de rivier de Musi worden vernietigd door het KNIL voor de Japanse opmars.
De val van Palembang
Willem Versteeg — februari 1942
De hemel boven Palembang stond in brand. Niet door bommen — althans, niet alleen. Het waren de Nederlanders zelf die de vlammen aanstaken. Kapitein De Vries had het bevel gegeven: vernietig de raffinaderijen voordat de Japanners ze in handen krijgen. Willem Versteeg, korporaal bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, stak zijn sigaret aan bij de vuurgloed en keek hoe maandenlange arbeid in rook opging. "Versteeg, wat sta je daar te dromen?" blafte sergeant Hofman. "Stellingen versterken, man."
Maar stellingen had geen zin meer. Dat wist iedereen, ook al zei niemand het hardop. De Japanse parachutisten waren op 14 februari neergedaald — Valentijnsdag, dacht Willem met een bitter lachje — en hadden in uren gedaan wat de Nederlanders in weken niet hadden verwacht. Nu, een week later, capituleerde het commando in Palembang formeel. De stad aan de Musi was verloren.
Willem zorgde er die nacht voor dat zijn identiteitspapieren en zijn militaire insignes verdwenen in de rivier. Hij was geen soldaat meer. Hij was een vluchtige.
"Nederland bestaat nog. De Koningin is nog altijd in Londen. Zolang dat zo is, hebben wij een plicht."
(Majoor Van Leeuwen, zijn laatste bevel voor de capitulatie)
Met twee andere mannen trok hij de nacht in, richting de binnenlanden van Sumatra. In zijn rugzak: een kompas, vijf dagen voedsel, en een foto van zijn moeder in Leiden. Hij vroeg zich af of hij haar ooit nog zou zien.

De vier mannen ontmoeten elkaar voor het eerst in de jungle bij Pekan Baru. Om een kampvuur worden plannen gesmeed.
De eed van Ambon
Thomas Pattimura— maart 1942
Thomas Pattimura was geboren op Ambon en diende al zeven jaar bij het KNIL. Hij was geen man van grote woorden — zijn vader had hem geleerd dat waardigheid zit in wat je doet, niet in wat je zegt. Maar toen de capitulatie officieel werd op 8 maart 1942 en de Japanners alle Nederlandse soldaten als krijgsgevangenen beschouwden, voelde hij iets wat hij alleen kon omschrijven als schaamte.
Niet voor zichzelf. Voor het systeem dat hem had gebonden.
Hij had gevochten voor Nederland. Zijn vader had gevochten voor Nederland. En toch was hij nooit een Nederlander geweest — niet echt. Geen paspoort, geen gelijkheid, geen respect buiten de kazerne. En nu vochten Nederlanders en Molukkers zij aan zij de jungle in, gelijk in angst, gelijk in vlucht.
Bij Pekan Baru ontmoette hij de andere drie. De Nederlander Versteeg die nauwelijks Maleis sprak maar er alles aan deed. De Indo Leo Brouwer, altijd kalm, altijd met een halve glimlach alsof de wereld hem niet verrassen kon. En de Javaan Soedarmo — een onderwijzer, van alle mensen — die als enige wist hoe hij moest leven in de jungle.
Rond het kampvuur, diep in het oerwoud bij de Kampar-rivier, sloten ze een stilzwijgend pact. Thomas sprak het als eerste uit: "Ik vecht niet voor Nederland. Ik vecht voor mijn mensen op Ambon. Maar zolang onze vijand dezelfde is, zijn wij bondgenoten."
Niemand protesteerde.

Een verborgen hut in de jungle bij Pekan Baru. Leo Brouwer werkt 's nachts aan de radioapparatuur om contact te maken met de geallieerden in Ceylon.
De stem in de Ether
Leo Brouwer — mei 1942
Leo Brouwer was geboren in Batavia uit een Nederlandse vader en een Javaanse moeder. Hij had geleerd om onzichtbaar te zijn — te Europees voor de kampong, te bruin voor de sociëteit. Die vaardigheid redde hem nu het leven.
Met zijn uiterlijk kon hij door Japanse controleposten lopen als een gewone Indonesiër. Met zijn kennis kon hij een radiozender in elkaar zetten uit drie onderdelen en twee draadjes. Met zijn geduld kon hij uren wachten op het juiste frequentievenster om een bericht door te sturen naar Colombo.
De apparatuur lag verstopt onder de vloer van een leegstaand rookhuis, twaalf kilometer van de bewoonde wereld. Elke woensdag- en zaterdagnacht, tussen twee en vier uur, werkte hij. Morsetekens. Coördinaten van Japanse troepenposities. Namen van collaborateurs. Aantallen en bewegingen.
"Radio-contact bevestigd. Onderteken met PEGASUS. Volgende transmissie: zeven dagen."
Hij noemde zichzelf Pegasus — het gevleugelde paard, het dier dat boodschappen bracht tussen werelden. Passend, vond hij. Hij stond met één been in de Europese wereld van zijn vader, met het andere in de Indonesische wereld van zijn moeder. Nu bewoog hij daartussen als een geest.
Wat hij de anderen niet vertelde: elke keer dat hij de zender inschakelde, riskeerde hij de dood voor iedereen. De Japanners hadden peilers. Ze wisten dat er een zender was. Ze zochten.

Een lagere school in Pekan Baru, 1942. De kinderen kijken nieuwsgieriger naar de binnenkomende Japanse controleur, de Japanse autoriteiten dwingen leerkrachten de nieuwe bezettingspropaganda te onderwijzen.
De onderwijzer die nee zei
Soedarmo — juli 1942
Soedarmo had niet verwacht een bevrijder in de Japanner te zien. Zijn collega's in Pekan Baru juichten toen de Nederlandse vlag werd neergehaald — eindelijk, zeiden ze, het einde van driehonderd jaar kolonialisme — maar Soedarmo zei niets. Hij dacht aan zijn leerlingen.
De Japanners wilden dat hij zijn klas leerde zingen. Niet de oude Nederlandse schoolliedjes, maar Kimigayo — het Japanse volkslied. En dat hij uitlegde wat de Grote Oost-Aziatische Welvaartssfeer inhield. En dat hij de namen bijhield van families die thuis nog Nederlandse boeken bewaarden.
De eerste week zong hij mee, onhoorbaar, met gesloten mond.
De tweede week zei hij tegen zijn leerlingen, in het Minangkabau — niet in het Japans, niet in het Bahasa die de Japanners probeerden te verstaan — dat ze nooit hun eigen taal mochten vergeten. Dat woorden macht zijn. Dat wie de taal bezit, de toekomst bezit.
De Japanse officier die elke donderdag de klas inspecteerde, verstond geen Minangkabau. Soedarmo glimlachte beleefd en vertaalde: "Ik vertel ze hoe ze hun studieboeken goed moeten bewaren."
Zo begon zijn verzet. Niet met een geweer. Met woorden in een taal die de vijand niet begreep.

Kort voor dageraad bereiden de vier mannen de sabotageactie voor: explosieven onder de spoorbrug bij Indarung, om de Japanse aanvoerlijn naar de kolenmijnen te verstoren.
De brug bij Indarung
Willem Versteeg — september 1943
De informatie was van Leo gekomen, via een bericht uit Colombo: de Japanners gebruikten de spoorbrug bij Indarung om dagelijks kolentransporten te rijden naar Padang. De kolenmijnen draaiden op dwangarbeid — romusha, ze werden zo genoemd, de Indonesiërs die te voet naar de bergen werden gedreven. Als de brug eruit lag, lagen de transporten een week stil.
Willem had geen zenuwen voor dit soort werk. Dat verraste hem. Thuis in Leiden had hij op zomers gewacht, op bier en kroket en voetbal. Nu lag hij op zijn buik in de modder, vijf meter boven een zwarte rivier, met een rol draad en een knijpklem.
Thomas bewaakte de westelijke oever. Soedarmo — die het gebied kende als zijn broekzak — hield het pad naar het dorp in de gaten. Leo stond honderd meter verderop bij het spoor, oor op de rails, luisterend of er een trein aankwam.
Het duurde zeventien minuten. Toen ze de oever bereikten, was de hemel nog donker, maar in het oosten begon een smalle streep paars te gloeien. Willem keek terug naar de brug. Stil, donker, en onbeweeglijk.
Vijf seconden later was de stilte voorbij.
De klap weerkaatste tegen de heuvels. Ergens in de verte begon een hond te blaffen. Achter hen, in de jungle, renden vier mannen zonder een woord te zeggen.

De gevangenis in Padang. Thomas werd vastgehouden na een tip van een anonieme informant. De Japanse verhoren duren dagenlang.
Wat verraad kost
Thomas Pattimura— januari 1944
Ze kwamen voor Thomas op een dinsdagochtend. Vier soldaten van de Kempeitai — de Japanse militaire politie — en een Indonesische tolk. Ze zeiden niet waarvoor. Ze zeiden nooit waarvoor.
Thomas dacht aan zijn moeder op Ambon. Hij dacht aan het gezicht van de man die hem misschien had verraden — een buurman van het dorp, iemand die de Japanners te eten gaf en in ruil voor beloningen op zijn medemens lette. Of misschien iemand anders. Hij wist het niet.
De verhoorruimte in Padang rook naar schimmel en metaal. De vragen waren altijd dezelfde: wie ben je, voor wie werk je, waar zijn de anderen? Thomas gaf antwoord op de eerste vraag. Op de tweede zei hij niets. Op de derde had hij het geluk dat hij het eerlijk niet wist — het was afgesproken dat ze na de brug bij Indarung geen vaste basis meer zouden delen.
Na vier dagen lieten ze hem gaan. Niet uit vriendelijkheid — ze hadden niets gevonden, geen bewijs, geen getuigen. Misschien was de tip onbetrouwbaar geweest. Misschien testten ze hem.
Thomas liep de gevangenis uit in het witte middaglicht van Padang en kneep zijn ogen samen. Hij rook zout en vis van de haven. Hij was vrij. Hij voelde zich niet vrij.
In de oorlog is verraad nooit van één kant. Iedereen verraadt iets. De vraag is alleen wat.

Soedarmo ontmoet een oude boer wiens zonen zijn meegevoerd als romusha-arbeidskracht.
Twee vaders, één volk
Soedarmo— april 1944
Soedarmo had moeite met wat hem 's nachts wakker hield. Niet de angst, hoewel die er was. Niet het verlies, hoewel dat er ook was. Wat hem bijhield was een vraag: vocht hij voor de goede zaak? De Japanners hadden immers gelijk in één ding. Het kolonialisme was echt geweest. De ongelijkheid was echt geweest. De vernederingen, de apartheid in het openbaar vervoer, de betiteling van zijn volk als tweederangs — dat was geen verzinsel.
Maar de romusha waren ook echt. In het jaar 1943 alleen al waren meer dan honderdduizend Indonesiërs gedwongen om voor de Japanners te werken — op spoorwegen, in kolenmijnen, in de hitte van mijnschachten. Veel kwamen niet terug. Zijn neef uit Padang was er een van.
Bij de rijstvelden ontmoette hij een oude man, Pak Harun, wiens beide zoons waren meegevoerd. Pak Harun vroeg hem niet om hulp. Hij vroeg alleen: "Wanneer is het voorbij?"
Soedarmo had geen antwoord. Maar hij dacht aan Leo's radioberichten, aan de krachten die zich in de Stille Oceaan samentrokken, aan de namen die hij had horen fluisteren: Guadalcanal, Midway, Leyte Gulf. De wereld kantelde.
"Niet lang meer," zei hij. Het was de eerste keer dat hij dat geloofde.

Juni 1945. Leo Brouwer stuurt zijn laatste radiorapport naar Colombo, met coördinaten van Japanse verdedigingsposities langs de westkust van Sumatra.
Het laatste sein
Leo Brouwer— juni 1945
De wereld buiten Sumatra begon te bewegen op een manier die Leo herkende uit de berichten die hij ontving. De Amerikanen naderden de Filipijnen. De Britten vochten zich een weg door Birma. Soekarno en Hatta onderhandelden in Tokio. En boven Hiroshima hing op de zesde augustus iets wat de mensheid nog nooit had meegemaakt.
Maar dat wist Leo nog niet, op die juniavond in 1945. Wat hij wist was dat de Japanse garnizoen sterkte op het eiland drastisch was teruggebracht. Dat de aanvoerroutes over zee werden geblokkeerd door geallieerde onderzeeërs. Dat er iets op komst was.
Zijn laatste rapport telde zesenvijftig morsetekens. Coördinaten. Aantallen. Toegangspaden naar het bergplateau. Hij tekende af met PEGASUS en sloot de zender.
Toen blies hij de olielamp uit en bleef een moment in het donker zitten. Hij dacht aan zijn vader, die in 1940 in Nederland was gestorven terwijl het land capituleerde voor de Duitsers. Hij had hem nooit kunnen begraven. Hij dacht aan zijn moeder, die ergens in Batavia overleefde op een manier die hij niet wilde weten.
Hij was niemand. Hij was Indo. Hij was Pegasus.
En hij was, in dit stille rokershuis in de jungle, voor het eerst van zijn leven precies wie hij moest zijn.

15 augustus 1945. De vier mannen staan op een heuvelrug boven Pekan Baru en kijken naar de dageraad. De Japanse capitulatie is zojuist aangekondigd.
Wat daarna komt
Augustus - september 1945
Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan. Het nieuws bereikte Sumatra via Leo's radio, drie uur na de aankondiging van keizer Hirohito. Willem huilde — hij wist niet waarom, de tranen kwamen gewoon. Thomas sloeg zijn handen voor zijn gezicht en bleef een lange tijd stil. Soedarmo schreef het op in zijn dagboek, drie woorden: het is voorbij.
Maar voorbij was het niet. Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van Indonesië uit. En zo begon er een nieuwe oorlog — de Bersiap-periode, een tijd van chaos en geweld — terwijl de vorige nog niet eens was beëindigd.
Willem keerde terug naar Nederland in 1946, na een interneringskamp en twee maanden in een transitkamp in Batavia. Hij werkte later als tolk voor het Rode Kruis. Hij trouwde nooit. Soms, bij zwaar onweer in de Leidse polder, rook hij even de jungle.
Thomas ging terug naar de Molukken, waar zijn familie hem na drie jaar voor dood had gehouden. Hij sloot zich niet aan bij de RMS — de Republiek der Zuid-Molukken — maar steunde haar stilzwijgend. Zijn gevecht, zei hij later, was altijd voor zijn mensen geweest. Niet voor een vlag.
Leo vestigde zich in Bandung. In het nieuwe Indonesië was hij opnieuw een man tussen twee werelden — te Nederlands voor sommige buren, te Indonesisch voor de Europeanen die bleven. Maar hij was rustig in die spanning, op een manier die nieuw was. Hij had geleerd dat men niet één ding hoeft te zijn om ergens bij te horen.
Soedarmo werd directeur van een school in Pekan Baru. Hij onderwees zijn leerlingen dat vrijheid niet wordt gegeven — dat ze wordt bevochten, in stilte, met woorden, met geduld, dag na dag. Zijn dagboeken uit de bezettingsjaren werden na zijn dood in 1982 gepubliceerd. Ze waren niet dik. Maar elke zin telde.
"Wij hebben niet gekozen voor dezelfde wereld, maar wij hebben dezelfde vijand gehad. Dat is genoeg om bondgenoten te zijn. Of het ook genoeg is om broeders te zijn — dat was de vraag die we nooit hebben beantwoord."
Soedarmo, dagboek, 15 augustus 1945
Historische noot
De personages in dit verhaal zijn fictief, maar de context is historisch. Japan bezette Nederlands-Indië van maart 1942 tot augustus 1945. De olieraffinaderijen bij Palembang werden inderdaad door de Nederlanders vernietigd voor de val van de stad. Het romusha-systeem dwong honderdduizenden Indonesiërs tot dwangarbeid. Verzetscellen werkten met radio-uitzendingen naar Ceylon (Sri Lanka). De uitroeping van de Indonesische onafhankelijkheid vond plaats op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie.

COPYRIGHT
Deze website is het geestelijk eigendom van
de Stichting Nederlands-Indië & de Indische Verhalentafel
De inhoud van deze website mag niet gereproduceerd of gekopieerd worden, zonder de schriftelijke toestemming van de Stichting Nederlands-Indië.
Copyright © All rights reserved Stichting Nederlands-Indië
&
De Indische Verhalentafel