
Toen we in Holland kwamen, in april 1946, heb ik waarschijnlijk nog gesukkeld. Ik ben gekeurd en daar troffen ze nog restanten aan van die dysenterie. Maar verder heeft het me niet gehinderd, die oorlog was voor mij afgelopen. Goh, je ontmoet je Hollandse familie, je komt in hele andere omstandigheden, omstandigheden waar je nooit mee te maken hebt gehad.
Nee, ik krijg niet van mezelf de indruk dat die Pakanbaroe-tijd nou negatieve gevolgen gehad heeft. Wel positieve, in zoverre dat ik de mens anders ben gaan bekijken. Hoe die als méns is, meer naar zijn eigenschappen dan naar zijn functie. Je bent vrijer geworden in je meningen, durft daar meer voor uit te komen. Ik laat me niet zo makkelijk meer overdonderen door een grote mond of door iemand die zegt: ‘Ik ben de directeur.' Dat is voorbij. Ik probeer er doorheen te kijken. Maar dat is natuurlijk niet alleen door Pakanbaroe, dat is ook vanwege mijn latere verblijf in Amerika geweest.
Ik laat me niet gemakkelijk meer ompraten, beïnvloeden. Ik zie wel wat ik er zelf van maken kan. Je wordt natuurlijk een stuk nuchterder en je wordt ook zelfstandiger in je denken. Je werd in die Pakanbaroe-tijd wantrouwender, doordat mensen je belazerden of omdat mensen iets van je wegpikten. Ik was misschien te goedgelovig, te optimistisch wat mensen betreft. Ik heb wel geleerd dat je toch afstand moet nemen en dat je goed moet uitkijken wie je wat vertelt. Maar dat heeft me verder niet gehinderd in het leven.
Ons kampleven, ons kampwerk en de verhoudingen in het kamp werden helemaal bepaald door de discipline van het leger. Dat was het erge bij de romusha’s, daar bestond dat niet, daar was helemaal geen leiding, onderling was er totaal geen verband, het was een bij elkaar geraapt zootje. Dat is wel door die krijgsgevangenentijd duidelijk geworden: er moet in een maatschappij een orde zijn, er moet gezag zijn, anders wordt het een bende. In krijgsgevangenschap bestond die ordening heel sterk en dat is een heel groot voordeel geweest. Anders was er tuig dat precies zijn gang kon gaan. Je moest nog oppassen dat je pannetje niet gejat werd. Ik kwam tot de conclusie dat als de omstandigheden rot zijn, de mensen, als ze elkaar kunnen nemen, het niet zullen laten. Er is in die rotomstandigheden van solidariteit geen sprake: als je niet met twee of drie man een kongsi vormde, dan was je zuur, hoor, dan werd je op alle mogelijke manieren gepakt.
Eten weggooien, dat doe ik niet gauw. Nee, het moet op. Niet omdat je ervoor betaald hebt, maar gewoon, eten weggooien? Goddorie-nog-aan-toe, je deed een moord om nog een extra hap te krijgen, daar. En o wee o wee als je zag dat er in het ene pannetje meer zat dan in het andere, dan kreeg je slaande ruzie.
Was niet eerlijk verdeeld. Ja, nu nog, als het enigszins kan, wordt er bewaard voor de volgende dag. Dat is er ingebrand. Ook het gevoel van eerlijkheid, van rechtvaardigheid. En een sterke hang naar privacy. Misschien dat dat een reden is - en dat had Wil, mijn vrouw, net zo als ik - om niet in groepen te reizen of te verblijven. Alsjeblieft niet in groepen zeg, weer als een massa doen wat er gezegd wordt, daar konden we absoluut niet meer tegen. Alles moest je en masse doen, altijd in de rij om eten te halen. Op een keer waren we op vakantie op een camping. In de gloeiende zon stonden we in een rij om ijs te halen. Toen kregen Wil en ik het alle twee te pakken: mijn god, net als in de kamptijd, moest je in de rij gaan staan om eten te halen. O god nee, nooit meer kamperen, nooit meer in een rij staan, dat was bar erg.
Mijn vader heeft ook aan de baan gewerkt, aan de Birma-spoorweg, kennelijk aan de Thaise kant. Maar ik weet helemaal niks van zijn ervaringen uit die tijd. Daar hebben we nooit over gepraat. Ik denk dat die behoefte uitgesteld is, misschien weggestopt, omdat wij alle twee erg in beslag zijn genomen. Ik door mijn gezin en door mijn werk, vooral door mijn werk. En hij, zijn gezondheid was niet best en daar zat hij nogal over in. De keren dat ik hem ontmoette, dat was in de weekends meestal, dan werd je al gauw afgeleid door de kinderen. Er werd toen over die oorlogsperiode helemaal niet gesproken. Je praatte over je werk, over de kinderen, ja, god, tot mijn grote schande en spijt heb ik met hem nooit een gesprek gehad over dat verleden. Gewoon stom. Ja, ik heb ze verwaarloosd, mijn ouders, daar komt het in feite op neer.
Op zijn sterfbed, in 1970, heeft hij wel verschillende dingen aangehaald uit de tijd vóór de oorlog. Maar ook toen heeft hij met geen woord gepraat over die krijgsgevangenschap en ik heb kennelijk niet de aandrang gehad om gauw, gauw, want het is binnenkort afgelopen, iets te weten te komen over die periode. Kennelijk hadden we toen geen van tweeën de behoefte om daarover te praten. Vader had trouwens toch weinig neiging tot contact met anderen en ik heb nooit ergens uit kunnen afleiden: hé, hij heeft over zijn krijgsgevangenschap gesproken, hij heeft die of die ontmoet uit die tijd. Nee, ik denk dat mijn vader - en misschien zijn hele generatie - niet de moeite genomen heeft om zich daarin te verdiepen. Dat werd verdrongen, het was voorbij en je praatte daar niet over. Het had geen zin. Maar nu blijkt, dat de kinderen en kleinkinderen graag wat meer willen weten van die periode van hun vader of grootvader, en daar zijn er bij die dan hun mond niet opendoen.
Na mijn pensionering zijn we een paar keer naar Indonesië geweest en toen zijn we er ook toe gekomen, Wil en ik, om naar die plaats te gaan op Sumatra waar ik aan de Pakanbaroe-spoorlijn heb gewerkt. En toen bleek toch wel dat er kennelijk een hele sterke innerlijke behoefte bestond om me wat meer in die situatie te verdiepen.
Er waren voorheen geen aanknopingspunten, totdat je in contact kwam met mensen die hetzelfde meegemaakt hadden. Toen ik tijd kreeg, dus na mijn pensionering, ben ik pas ertoe gekomen om lid te worden van noem maar die verschillende verenigingen die zich met dat verleden bezig houden. Ik herinner me ook niet dat er voor de jaren tachtig veel van die bijeenkomsten waren. Dat is pas sterk opgekomen de laatste tien, twintig jaar. En daar wordt dankbaar gebruik van gemaakt, daar praten ze allemaal over het verleden, hoor.
En dan ga je erover nadenken, erover lezen. Ik heb nog wel moeite gedaan om meer over vader te weten te komen, maar helaas ben ik me pas na zijn dood gaan concentreren op dat verleden. Het lezen over de Pakanbaroe-spoorweg en over de Birma-spoorweg is begonnen na mijn pensioen. Volgens mij is dat de verklaring voor het feit dat ik op de eerste plaats er met mijn vader nooit over gesproken heb en op de tweede plaats me over mijn eigen dingen ook lang niet druk heb gemaakt.
En als ’s toevallig zoiets kwam, dan kon ik me gemakkelijk uitspreken tegenover Wil. Zij voelde onmiddellijk aan waar het over ging, zij wist het omdat ze zelf ook in die oorlog gezeten heeft en dus van die Jappen het een en ander heeft meegemaakt. Wat dat betreft hadden we een hele sterke band. Maar wij praatten er ook niet veel over, hoor. Het in Indië geweest zijn, dat vormde al een hele sterke binding. En dan hoefde je niet alle details te gaan noemen, dat wist je. Dat was 'oh ja, dit' en als je eens een keer een boek las: 'Wil, heb je dat gelezen?’
‘Ja, leuk he?'
Klaar. Dan wist je al waar het over ging. Stilzwijgend had je een heleboel dingen samen meegemaakt onder verschillende omstandigheden. Daar hoefde je niet over te praten.’
Geboren 5 april 1921 in Makassar. Raakte als dienstplichtige in krijgsgevangenschap en werd in mei 1944 naar de Pakanbaroe-spoorweg gehaald.
Na de oorlog textielchemicus.
‘Ik heb nooit ergens over in angst gezeten. De krijgsgevangenschap heb ik op mij af laten komen. Ik dacht: hoe we er uit moeten komen, dat zien we wel. Waarvoor zou je angst moeten hebben? Die laatste maand, gelukkig was het net aan het einde, toen ik behalve malaria ook dysenterie kreeg, kwam ik in de ziekenbarak achterin te liggen, in de hoek van degenen die afgeschreven waren. We lagen er met zes man. Daar is een pater op bezoek geweest. Ik zeg: 'Pater, wat komt u doen?'
'Ik kom je het sacrament van de stervenden geven.'
'Waarom? Ik ga helemaal niet dood. Hoe komt u erbij?'
Van de zes is er één overgebleven, dat ben ik geweest. Ik heb met recht altijd gedacht: het komt wel goed, heb het altijd nogal optimistisch opgevat. Je was in een toestand dat je je min of meer, ja, dat klinkt een beetje gek, automatisch liet leven. Je accepteerde ‘t gewoon, je hielp elkaar zoveel mogelijk, je probeerde geen stomme dingen uit te halen. We moeten dát doen? Nou, laten we dat dan maar doen, en voorkomen dat er ongelukken gebeuren.
Op het laatst, tja, je leefde maar, je zorgde dat je aan wat eten kwam, je zorgde dat er niet gejat werd, voor de rest... Het uitzichtloze, dat was het meest fnuikende. Daardoor stompte je af. Het was allemaal hetzelfde. Omdat je helemaal niet op de hoogte werd gehouden van de ontwikkelingen buiten dat kamp, buiten die Pakanbaroe-spoorweg. Dus je wist niet of de oorlog zich in positieve of in negatieve zin ontwikkelde. Wanneer komt er nou eindelijk eens een eind aan? Het grotere verband zag je niet, alleen die stomme Pakanbaroe-spoorweg waar je de dag daarop weer een stukje rails moest aanleggen. Dat uitzichtloze ontnam een heleboel mensen de moed om verder te leven. Want er waren mensen die ziek waren en die helemaal geen zin meer hadden om verder te leven. Die gingen ook dood. Andere mensen die eigenlijk al afgeschreven waren door de dokter, die bleven wonder boven wonder leven.
COPYRIGHT
Deze website is het geestelijk eigendom van
de Stichting Nederlands-Indië & de Indische Verhalentafel
De inhoud van deze website mag niet gereproduceerd of gekopieerd worden, zonder de schriftelijke toestemming van de Stichting Nederlands-Indië.
Copyright © All rights reserved Stichting Nederlands-Indië
&
De Indische Verhalentafel