Copyright © All rights reserved Familie Banning


Wil Banning-Kerstens 

14 juni 1925 – 21 juni 1997

Inhoud

Hoofdstuk I       En zo begon het

Hoofdstuk II      Naar Nederland en mijn tienerjaren in                                               Bandoeng

Hoofdstuk III     De oorlog

Hoofdstuk IV     Het Tjihapitkamp

Hoofdstuk V      De Transporten en het ontruimen van Tjihapit

Hoofdstuk VI     Tjideng

Hoofdstuk VII    Einde van de oorlog en begin van de Bersiap-                                    periode

Hoofdstuk VIII  Via Tjimahi naar Nederland

Hoofdstuk IX     In Nederland



 

Wil Banning - Kerstens

Hoofdstuk I: En zo begon het

Ik werd geboren op zondag 14 juni 1925 in Sawahloento, een klein kolenmijnstadje in het midden van Sumatra, in wat toen de Padangse Bovenlanden heette. Mijn ouders woonden eigenlijk op Fort van der Capellen, het huidige Batusangkar, een bergplaatsje waar destijds slechts twee Europese gezinnen woonden: de controleur Nijdam met zijn vrouw, en mijn ouders. Vader was hoofd van de lagere Hollands‑Inlandse school, gevestigd in het oude Nederlandse fort, en moeder gaf er handwerkles. Mijn broer Kees, tweeënhalf jaar oud, was geboren in Pontianak op Borneo, het huidige Kalimantan.

 Omdat er in Batusangkar geen arts was, moest moeder voor mijn geboorte naar het mijnhospitaal in Sawahloento. Ik was nog heel klein toen vader werd overgeplaatst naar Tasikmalaya op West‑Java.

Hoewel mijn ouders streng en consequent waren, hielden wij zielsveel van hen. Vader was een lieve, evenwichtige en rustige man, geliefd bij zijn leerlingen. Moeder was nerveuzer en emotioneler, maar met een groot gevoel voor humor en een hart dat altijd openstond voor iedereen die hulp nodig had. Voor ons ging ze door het vuur.

 Ik was ongeveer drie jaar oud toen we met verlof naar Nederland gingen. We woonden een tijd aan de Baronielaan in Breda. In 1929 keerden we terug naar Indië. Mijn broertje Sies was net geboren, en het was voor moeder geen eenvoudige opgave om met drie kleine kinderen, waaronder een baby van twee maanden, per bus dagenlang door de bergen van Sumatra te reizen. We kwamen terecht in Solok, opnieuw een kleine plaats met slechts enkele Europeanen. In 1930 werd mijn jongste broertje Paul geboren, opnieuw in Sawahloento.

Van mijn eerste levensjaren weet ik weinig, maar vanaf Solok herinner ik me alles. We woonden in een aardbevingsbestendig huis: een tegelvloer, muren van houten vakwerk met gaas en kalk, en een pannendak. De tuin was groot. We hadden geen elektriciteit; het licht kwam van een Petromax‑lamp die regelmatig moest worden opgepompt. Het water uit de leiding was niet drinkbaar, dus werd het altijd eerst gekookt en daarna gefilterd in een grote stenen filter met een kraantje.

 In Solok maakte ik voor het eerst kennis met een watercloset. Ik zie het nog voor me: ik trok aan de trekker en een enorme stroom water stortte naar beneden. Ik schrok zo dat ik de wc uitrende, bang dat er een bandjir — een overstroming — zou ontstaan. Nog lang daarna trok ik de wc door met de deur al open, klaar om weg te rennen. 

In de tuin kwamen soms grote slangen uit de slokan, vooral als het gras te lang stond. We waren er doodsbang voor en riepen dan om de djongos, die er soms één wist dood te slaan. Achter ons huis lag een groot alang‑alangveld, met aan de overkant een B.O.W.-huisje voor wegonderhoud. Het stond achter een ijzeren hek. Kees en de buurjongens — een paar jaar ouder dan ik — vertelden me dat dit de uitgang van de hel was, waar de duivels naar boven kwamen. Ik bewonderde hun moed wanneer ze over het hek klommen. 

Kinderen van mijn eigen leeftijd waren er niet. Ik speelde meestal met de jongens, maar alleen als ik precies deed wat zij zeiden. Ze lieten mij dingen doen waar zij zelf geen lef voor hadden, in de hoop dat ik de straf zou krijgen. Ik vermoed dat iedereen wel wist wie de echte schuldigen waren. 

Toen ik zes werd, ging ik naar school. Het was een klein Europees schooltje met één lokaal voor alle zeven klassen — in Indië duurde de lagere school zeven jaar. Er waren misschien tien kinderen en twee Europese leerkrachten, meneer en mevrouw Vorsteveld. Ik zat met één Indo‑jongetje in de eerste klas. Tegen het einde van het jaar werd de school gesloten en gingen de kinderen, onder wie Kees, naar de Hollands‑Inlandse school waar vader hoofd was. Ik kreeg de laatste maanden thuis les, aan een schoolbank in de speelkamer, onder leiding van moeder.

 Toen ik zeven was verhuisden we naar Padang. Het eerste jaar woonden we in een buitenwijk. De eerste schooldag gingen Kees en ik met de schoolbus. Ik kende de omgeving nog niet goed. Ik wist alleen dat er vlak bij ons huis grote rioolbuizen lagen. Toen ik die middag alleen met de bus terug moest, bleken de buizen weggehaald. Ik herkende niets meer. Met bonzend hart stapte ik uit waar ik dacht dat ik moest zijn. Gelukkig vond ik na enige aarzeling toch ons huis terug. 

We woonden dicht bij de rivier. In de droge tijd sprongen Kees en ik van steen naar steen naar de overkant. Natuurlijk ging dat eens mis en viel ik in het water. Ik kwam kletsnat thuis, maar moeder zal het wel hebben laten passeren. Aan het begin van de straat woonden mensen met honden die altijd op ons afstormden. Ik durfde er nauwelijks langs.

Later verhuisden we naar een groot huis op een hoek tegenover het Michielsplein. Aan de overkant lagen onze scholen, en aan het einde van de straat lag het strand van de Indische Oceaan. Het huis was volgens zeggen een voormalige Portugese kerk: een enorme hoge zaal met afgeronde hoeken, omgebouwd tot woonhuis. De kamers waren immens. De eetkamer was zo hoog dat het plafond in het midden werd ondersteund door een dunne ijzeren paal — ideaal om in te klimmen. 

De tuin was groot, vol vruchtbomen en klapperbomen. Onder de regenpijpen lagen grote doopvontschelpen om kuilen in het zand te voorkomen. Als het regende stond de tuin snel blank. De regen was warm; wij vonden het heerlijk om in badpak in de regen te spelen en onder de regenpijpen te staan. 

Wanneer de klappers rijp waren, kwam er een Inlander om ze te plukken. Soms klom hij zelf de boom in, met een touw om de stam. Soms had hij een aap bij zich die aan een lang touw de bomen in klom en de klappers losmaakte. Wij mochten dan niet in de tuin, maar ik keek vanaf de overloop toe. De oogst was voor de bedienden. In dit huis hadden we drie of vier bedienden: de kokkie, baboe, djongos en soms een kebon. 

We hadden een grote speelkamer. Vader had een houten poppenbedje voor mij gemaakt, maar ik was geen poppenkind. Ik zette liever Paul en de poes erin en speelde met Kees bootje of treintje, het bedje door de kamer schuivend.

Naast het huis was een groot afdak waar vroeger koetsen stonden. Het zand eronder bleef droog en rul. Miereneters maakten er valkuiltjes. Ik vond het fascinerend om mieren te vangen en te zien hoe ze gegrepen werden. Achter aan de overloop hadden we een schommel en een rekstok, maar die werden weggehaald toen het hout door rajaps — witte mieren — werd aangetast. Het hele huis had er last van; later hoorden we dat het uiteindelijk is afgebroken. 

Mijn school lag aan de andere kant van het park. De juffrouw van de derde klas mocht mij niet. Ze noemde me “spook” en gaf me soms een tik op mijn strik. Waarom ik geen vriendinnen had weet ik niet. Misschien omdat ik gewend was met Kees te spelen. Toch ging ik wel eens met een meisje mee naar huis. We aten er met de handen — ik heb zelden zo lekker rijst gegeten. 

Kees en ik gingen soms op strooptocht: maiskolven roosteren achter in de tuin op een geïmproviseerd oventje. Of we gingen naar de monding van de rivier, waar bootjes lagen die mensen naar de Apenberg brachten. Een Inlandse man die bij vader op school had gezeten, nam ons soms gratis mee. Zijn moeder stopte ons vol met snoep en koekjes, tot ik ontdekte dat er torretjes in zaten. De Apenberg was een reservaat vol apen. Soms gingen we er op zondag met het gezin heen, met katjangs en pisangs. Grote apen konden de zak uit je handen slaan. Ik vond het prachtig om moederapen hun jongen te zien voeren. 

In het park stond het Michiels‑monument, een hoog ijzeren gevaarte. Kees had me wijsgemaakt dat het de uitgang van de hel was. Ik was er doodsbang voor.Een ander angstverhaal kwam van een kennis van mijn ouders. Zij en haar vriendin ontdekten op een avond een dief onder het bed. Het verhaal werd uitgebreid verteld, en ik hoorde het mee. Vanaf dat moment durfde ik niet meer naast mijn bed te staan in het donker. Ik nam een aanloop, sprong in bed en trok de klamboe snel dicht. 

In die tijd kreeg ik mijn eerste fiets. Ik mocht alleen in het park fietsen, maar toen Kees de grote weg op ging, volgde ik hem. Ik botste tegen een dokkar en viel. Mijn knieën waren kapot en mijn fiets beschadigd. Hoe de koetsier reageerde weet ik niet meer.

In de vakanties gingen we vaak naar Fort de Kock, nu Bukittinggi. Het was er koel, soms zelfs koud. We logeerden in het Fraterhuis, hoog boven het stadje, met een prachtig uitzicht. We speelden er met buurjongens en rookten stiekem krètèks, die ik vies vond. De tuin liep steil naar beneden en stond vol rozen. ’s Morgens zat ik graag op de stenen banken, kijkend naar de dauw die glinsterde in de zon. 

Fort de Kock had een dierentuin. Ik herinner me een panter die net gevangen was en met veel moeite in zijn verblijf werd gedreven. Er waren ook Indische olifanten. Toen er jonge olifantjes waren, mochten kinderen een ritje maken. Ik vond het prachtig en eng tegelijk.

Alles bij elkaar heb ik in Padang en Fort de Kock een heerlijke tijd gehad. Alleen de aardbevingen waren angstig — nooit heel zwaar, maar je wist dat nooit van tevoren. Bij het eerste trillen van de aarde renden we naar buiten.

Hoofdstuk II: Naar Nederland en mijn tienerjaren in Bandoeng

Ik was negen jaar oud toen moeder van de dokter naar Nederland moest. Ze was al lange tijd ziek, kon slecht tegen de warmte en had veel pijn sinds de moeilijke geboorte van mijn jongste zusje Elsje, dat kort na de geboorte overleed. De artsen in Indië durfden de noodzakelijke operatie niet uit te voeren; haar gezondheid was te zwak. Het plan was dat moeder met ons naar haar ouders in Eindhoven zou gaan om aan te sterken, en dat vader een jaar later zou volgen. 

Vader bracht ons naar Medan, waar we in de haven van Belawan de boot zouden nemen. We reisden per taxi vanuit Padang en gingen eerst naar Sawahloento om nog één keer het grafje van mijn zusje te bezoeken. Daarna reden we via Padangsidempoean en Sibolga — waar we in een sombere, donkere kamer overnachtten — naar het Tobameer. De pasanggrahan in Perapat was vol, en daarom trokken we door naar Sioean, een prachtig gelegen vakantieoord hoog boven het meer. We bleven er enkele dagen. Voor ons kinderen was het een paradijs: een kinderzwembad, een grote tuin en een schitterend uitzicht. 

In Medan verbleven we in een hotel waar ik voor het eerst van mijn leven een telefoon zag. Het apparaat fascineerde me zo dat ik, met enige spanning, de hoorn van de haak nam. Toen ik plotseling een vrouwenstem hoorde, schrok ik zo dat ik de hoorn haastig teruglegde en in angst afwachtte of er iets ergs zou gebeuren. Dat bleef gelukkig uit.

De bootreis met de Dempo van de Rotterdamsche Lloyd duurde ongeveer vier weken. Ik herinner me dat ik een tijd ziek was en in bed moest blijven. Toch speelde ik, zodra moeder even weg was, verstoppertje met mijn broers in de hutten — wat mijn herstel bepaald niet versnelde. Aan het einde van de reis was ik gelukkig weer beter. In Southampton keek ik verbaasd naar de havenarbeiders: blanke mannen die koeliewerk deden. In Indië waren blanken altijd leidinggevenden; arbeiders waren Inlanders. Het was een eerste besef dat de wereld groter en anders was dan ik kende. 

Nederland voelde vreemd. De huizen stonden dicht op elkaar, het weer was somber, en mijn wollen kousen en lange mouwen jeukten en prikten. Na enkele dagen bij mijn grootouders in Eindhoven moest ik naar kostschool bij de zusters in Aarle‑Rixtel, omdat de scholen net weer begonnen. Ik vond het er afschuwelijk. Na de vrijheid van Indië voelde de strenge regelmaat als een gevangenis. De nonnen hadden geen enkel begrip voor mijn achtergrond. Ik kreeg vaak straf, soms zelfs een klap, omdat ik me niet gedroeg zoals zij dat wilden. 

Er kwam tegelijk met mij een Hongaars meisje van mijn leeftijd op school, als peuter geadopteerd door Nederlanders. De zusters vonden dat wij maar vriendinnen moesten worden omdat we allebei “van ver” kwamen. Ze was lief, maar echte vriendschap werd het niet. Wel waren we het roerend eens in onze afkeer van het telkens “getoond” worden aan bezoekers: het meisje uit Hongarije en het meisje uit de Oost. We verstopten ons zodra we bezoek roken, al namen we de traktaties die we dan kregen graag aan. 

De eerste winter bracht nieuwe ervaringen. Sommige kinderen dachten dat ik nog nooit ijs had gezien en dus niet zou kunnen glijden. Ik beweerde stoer dat ik dat vaak had gedaan, nam een aanloop — en ging met een smak onderuit, met een verstuikte pols als gevolg. De eerste sneeuw vond ik daarentegen betoverend. De zusters hadden een oude arreslee, en ik vond het heerlijk om daarin rondgeduwd te worden. 

Op de huishoudschool vroegen de oudere meisjes me vaak naar Indië: of ik tijgers had gezien, of slangen. Ik vertelde de wildste verhalen, waardoor hun beeld van Indië vast nogal vreemd moet zijn geweest. Wat ik het ergst vond, waren de lange wollen kousen en mouwen die ik altijd moest dragen, zelfs in de zomer. Als ik ze omlaag deed of mijn mouwen opstropte, werd ik onmiddellijk terechtgewezen. Op handwerkles moesten we gaten in onze kousen stoppen of er stukken in breien. Ik had er een hekel aan en mijn werk zag er niet uit. Gelukkig kreeg ik in mijn tweede jaar een lieve non als klassezuster; zij nam het breien vaak stiekem van me over. 

Op een dag, tijdens het avondgebed, begon de non die ons begeleidde een gesprek met een andere zuster. Ik had geen zin om zo lang op mijn knieën te zitten en begon wat rond te dansen. Toen het gesprek plotseling stopte, knielde ik snel weer, maar het meisje naast me had de bank naar voren geschoven. Ik viel voorover en kwam met mijn ooghoek op de punt van de bank terecht. Ik bloedde hevig en werd naar de ziekenkamer gebracht, waar ik een piratenlapje kreeg. Ik maakte er dankbaar misbruik van door te beweren dat ik slecht zag wanneer ik ergens geen zin in had. Toen ik met vakantie naar huis ging en mijn ouders me met dat lapje zagen, schrokken ze zich rot; de zusters hadden niets laten weten. 

Buiten de kostschool herinner ik me weinig. Ik was alleen in de vakanties thuis en had in Eindhoven geen vriendinnen. Wel speelde ik met de buurkinderen. Louis, een jongen van mijn leeftijd, vroeg me eens of we later zouden trouwen en alles zouden delen. Hij bracht meteen al zijn kleurpotloden en verdeelde ze eerlijk. Ik vergat zijn aanzoek snel — waarschijnlijk moest ik weer terug naar kostschool — en hij heeft van mij nooit iets gekregen. 

Na twee jaar kostschool kwam in 1936 het grote nieuws: we gingen terug naar Indië. Vader reisde vooruit en kreeg in Bandoeng een standplaats, op voorwaarde dat wij zo snel mogelijk zouden komen.

We voeren met de Johan van Oldenbarnevelt, een mooi en vrij nieuw schip van de Maatschappij Nederland. Ik was elf jaar en hoorde officieel nog op het kinderdek, maar voelde me daar te groot voor. Samen met een meisje van mijn leeftijd en haar jongere zusje struinden we het halve schip af. Af en toe werden we achternagezeten door een Hollandse hofmeester die ons terug wilde sturen, maar door snel door de gangen te zigzaggen raakten we hem meestal kwijt. 

We ontdekten dat de eerste en tweede klas weinig van elkaar verschilden, maar dat de vierde klas een wereld apart was: een lage, eenvoudige eetzaal met lange houten tafels, waar vooral soldaten en hun gezinnen aten. De eerste en tweede klas hadden prachtige eetzalen met monumentale trappen, bloemstukken en ’s avonds muziek. Het schip had ook een overdekt zwembad met zeewater. Daar leerde ik zwemmen — al zonk ik later in Bandoeng als een baksteen toen ik voor het eerst in zoet water sprong. 

In Genua mochten we niet van boord omdat de tot hospitaalschip omgebouwde Rex net was aangekomen met gewonde soldaten uit Abessinië. In Port Saïd en Colombo konden we wel even aan wal. In Colombo was ik blij toen ik weer kembang sepatoe zag — hibiscus, de bloem van mijn jeugd.

Er was een kinderfeest aan boord, met wedstrijden en een feestelijk diner. Bij het dessert kwamen Inlandse kelners, verkleed als pinda‑Chinezen, met verlichte ijsjes de trap af op het wijsje “Pinda, pinda, lekka, lekka.” Ik vond het onvergetelijk. 

Aan boord reisde ook de nieuwe gouverneur‑generaal, Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Een meisje dat we leerden kennen, de dochter van zijn adjudant, nam ons eens stiekem mee naar het privédek van de GG, vol prachtige bloemstukken. Toen we Indische wateren binnenvoeren, kregen we begeleiding van twee marineschepen, de Jan van Galen en de Witte de With. Overdag werd er met vlaggen geseind, ’s avonds met lampen. In Belawan mochten we niet van boord voordat de GG de erewacht had geïnspecteerd, tot grote ergernis van de planters die naar hun ondernemingen wilden terugkeren. 

In Tandjoeng Priok voeren we tussen twee rijen gepavoiseerde schepen door. Pas na lange plechtigheden mochten we van boord. Tot mijn grote vreugde zag ik vader weer. We gingen naar het huis van oom Piet, het enige familielid in Indië. Hij was lid van de Volksraad en moest bij de officiële ontvangst van de GG aanwezig zijn, maar tante en de kinderen waren er wel. Later die dag reisden we door naar Bandoeng, waar we de eerste maand in hotel‑pension Van Hengel (nu Panghegar) verbleven. Op zondag aten we er rijsttafel, geserveerd door een lange rij djongossen met schalen vol gerechten. Ik vond het prachtig. 

Na een maand vonden mijn ouders een huis aan de Riouwstraat 155, aan het Oranjeplein. Ik ging eerst naar een school in de buurt, maar bleek een heel rekenboek achter te lopen. Omdat de school al een maand bezig was, besloot men dat ik een klas moest overdoen. Niet veel later ging ik naar een school aan de Merdikaweg, verder van huis. Ik fietste erheen met Ada en Tilly Peijnenburg, die vlakbij woonden. 

De schooldagen begonnen vroeg: de lagere school om half acht, de middelbare om zeven uur. ’s Middags waren we vrij voor huiswerk. In mijn tweede jaar kwam er een nieuw meisje in de klas, Mary Bucker. We werden al snel dikke vriendinnen. Kort daarna sloot ook Guus van Leent zich bij ons aan.

Het Oranjeplein was onze speelwereld. Onder een grote overhangende struik hadden we een hol dat de ene keer een rovershol was, de andere keer een huisje. Bij Mary thuis, tegenover het departement van Waterstaat — het roemah saté — lag een groot park waar we speelden. Bij Guus thuis, naast het Pieterspark, stonden grote waringins met luchtwortels waar je heerlijk aan kon schommelen. We klommen in bomen, bouwden tenten in de tuin en lazen er tot we rood van de hitte naar buiten kropen. We richtten een geheime club op, de Club van de Zwarte Hand, met de roep “Hoera Koera”. Het stelde weinig voor, maar voor ons was het alles. 

Na twee jaar moesten we verhuizen omdat de eigenaar zijn huis terug wilde. We vonden een huis aan de Riouwstraat 106, eigenlijk bedoeld als tijdelijke woning, maar we bleven er tot de oorlog ons inhaalde. Het speelterrein was minder ideaal, maar we hadden een tijd lang de familie Levedag als buren, met veel kinderen. Tijdens de siësta, wanneer iedereen rustte, glipten wij stiekem naar buiten om verstoppertje te spelen in de tuinen. Als er geklaagd werd, ging de deur op slot — maar ik klom dan gewoon door het raam. 

Ik werd lid van de padvinderij, maar als jongste en enige volbloed Hollandse meisje werd ik nooit helemaal opgenomen. Indo‑meisjes waren vaak vroeg rijp en hielden me buiten hun gesmoes. Ik bleef toch enkele jaren lid, al vond ik er weinig aan. Ik was verlegen en durfde tijdens een postzegelactie geen enkel huis binnen te gaan. Mijn lijst bevatte alleen de naam van mijn ouders, en uit schaamte leverde ik hem niet in. 

Tijdens een kampeertocht naar de thee‑onderneming Sedep werd ik ziek en bleef dat de rest van de vakantie. Ik ging weg bij de padvinderij. Toch herinner ik me de tocht naar de Papandajan‑krater nog goed: een indrukwekkend, gevaarlijk landschap van stoom, zwavel en kokende modder. We moesten strikt op de gemarkeerde paden blijven. Jaren later hoorde ik dat mijn aardrijkskundelerares er ernstig verbrand raakte toen ze van het pad afstapte. 

In 1939 deed ik toelatingsexamen voor de HBS van de Ursulinen. Mary en Guus gingen naar andere scholen, maar we zagen elkaar bijna dagelijks in het zwembad. Op zondag haalden we taartjes bij Maison Bogerijen en gingen daarna weer zwemmen. 

We kregen nieuwe buren, de familie Ter Heyden. Sies en Paul gingen voortaan met een opelet naar school, samen met hun buurjongen. Mijn school lag verder en ik moest een helling op fietsen. Soms hield ik me stiekem aan de zijkant van de opelet vast om mee te liften. Dat ging goed tot een chauffeur me probeerde af te schudden. Toen er een dokkar tegemoetkwam, moest ik loslaten. Ik gleed van de trappers, viel op mijn stuitje en moest rennend mijn fiets in bedwang houden terwijl de trappers tegen mijn kuiten sloegen. Ik kneep mijn ogen dicht, bang voor de botsing die maar niet kwam. Toen ik voorzichtig keek, was de dokkar verdwenen. Mijn stuitje voelde ik nog lang. 

Botsingen had ik vaker. Ik reed eens tegen een vruchtenkoopman aan, waardoor zijn hele mand over straat rolde. Een andere keer botste ik tegen een dikke Chinees op een smal pad. En eens keek ik zo gefascineerd naar een olievlek in de zon dat ik bijna tegen een man op de stoep reed.

Sinds mijn elfde had ik pianoles. Ik vond het leuk, al had ik een periode dat ik de oefeningen zat was. Mijn ouders lieten me doorzetten, en later kreeg ik ook tekenles, wat ik heerlijk vond. Om mijn houding te verbeteren ging ik naar ritmische gymnastiek, waar ik weinig plezier aan beleefde. Alles bij elkaar werd het te veel. Toen ik zware bloedarmoede bleek te hebben, moest ik rust houden en mijn eerste jaar op de HBS overdoen. 

In de grote vakantie van 1939 huurden mijn ouders een huis op een voormalige koffie‑onderneming in Pengalengan, ten zuiden van Bandoeng. Het was een houten huis op palen, met een grote waranda en een donker gastenverblijf ernaast. Het terrein was uitgestrekt, met smalle paadjes tussen de koffieboompjes en een smalle kali die we overstaken via een bamboestam. We speelden er eindeloos. Samen met kinderen van bevriende gezinnen vormden we de Wandel Club, de W.C., en trokken we langs smalle bergpaadjes. Tijdens een wandeling naar het waterkrachtstation Plengan gleed ik bijna van een rots bij de waterval. Mijn ouders hadden het gezien en waren doodsbang geweest.

Voor het huis lag een groot grasveld waar we badminton speelden en voetbalden. Het veld was hobbelig, en ik verstuikte mijn enkel ernstig. Ik miste mijn vriendinnen en was blij toen ik weer kon lopen. 

We bezochten ook de vulkaan Kawah Kemodjan (of Kawah Wajang). Vanuit ons huis zagen we hem roken. De tocht erheen ging door een bos dat was afgestorven door giftige gassen. De grond trilde, het gedreun en gesis was oorverdovend. De krater was een gat waar stoom met geweld uit werd geperst. Naast de krater lag een enorme zwavelberg waar wij natuurlijk op wilden klauteren, tot grote angst van moeder.

Hoofdstuk III: De Oorlog

In december 1941 hoorden we dat oom Piet, vaders neef, was benoemd tot minister in de Nederlandse regering in ballingschap in Londen. Vader ging op 7 december naar zijn afscheidsreceptie. Moeder voelde al dagen dat de situatie gespannen was en besloot op 8 december vroeg naar de radio te luisteren. Ze stormde mijn kamer binnen met de woorden: “We zijn in oorlog met Japan.”

Ik schrok, maar vond het tegelijk spannend, zonder te beseffen hoe verschrikkelijk het werkelijk was — hoeveel levens er die eerste dag al verloren waren gegaan. We moesten de ramen verduisteren. Mannen werden opgeroepen, waardoor we op school nog maar enkele vakken kregen van de overgebleven leraressen. In de schemering voelde de stad onwezenlijk aan: geen straatverlichting, auto’s en fietsen met lampen die slechts door een smalle spleet licht gaven. 

Niet lang daarna kwam Kees thuis om zijn dienstplicht te vervullen. Hij bracht een vriend mee, Frans Banning, die ook Indologie studeerde. Zijn familie woonde in Semarang en hij kende verder niemand in Bandoeng. Kees en Frans werden ingedeeld bij het 15e Bataljon, en mijn ouders namen Frans onder hun hoede. Ook vader werd opgeroepen, voor de landstorm — oudere mannen die vooral nutteloze klusjes moesten doen, zoals papiertjes prikken. Hij was opgelucht toen hij werd afgekeurd omdat één been zogenaamd enkele centimeters korter zou zijn dan het andere, iets wat niemand ooit had gemerkt. 

Rond die tijd kregen we een herdershond. Mevrouw Leveld, dochter van kennissen van mijn ouders, was uit Batavia naar Bandoeng gekomen met haar kinderen en de hond. Omdat de hond niet overweg kon met het broertje van de hond bij haar ouders, vroegen de Hoogvelds of wij hem wilden hebben. 

Op 31 december 1941 kwamen Kees en Frans thuis om Nieuwjaar te vieren. Laat op de avond ging het luchtalarm af. Mijn ouders en de jongens gingen naar de schuilkelder, Kees en Frans kropen onder de bedden van Sies en Paul, waar Frans prompt in slaap viel, en ik ging buiten zitten met de hond. Er kwamen geen vliegtuigen en na een tijdje klonk het all clear. We moesten Frans wakker maken om toch nog om twaalf uur Nieuwjaar te vieren. Het zou het laatste Kerst- en Nieuwjaarsfeest zijn dat we in jaren samen vierden. 

We hadden weinig geluk met honden. Kort nadat we hem kregen, bleek hij mijnworm te hebben en kreeg hij bovendien honde‑influenza. De dierenarts hield hem nog een tijd in zijn hospitaaltje, maar moest uiteindelijk zeggen dat hij hem niet meer kon redden. We gingen afscheid nemen. Hij was broodmager, kon niet meer lopen en keek ons zo droevig aan dat het hartverscheurend was. 

Na enige tijd werden Kees en Frans overgeplaatst naar de thee‑onderneming Santosa bij Pengalengan. Op een dag stond Frans plotseling voor ons. Er waren militairen met rijbewijs gevraagd om opgeleid te worden tot chauffeurs van militaire vrachtwagens, omdat de Inlandse chauffeurs waren gevlucht. Frans meldde zich en werd naar Midden‑Java overgeplaatst. Hij overnachtte bij ons, vertrok vroeg in de ochtend — en we zagen hem pas jaren na de oorlog terug. 

Kees bleef op Santosa. Op een weekend bezochten we hem. De kofferbak van onze auto zat vol fruit en lekkers voor de militairen. Kees kreeg een dag vrij en we picknickten tussen de theestruiken. Tijdens een luchtalarm moesten we even schuilen, maar er gebeurde niets. 

In de eerste maanden van de oorlog merkten we weinig. We hoorden wel berichten over gevechten, maar in Bandoeng bleef het rustig. Begin 1942 kwamen buitenlandse troepen naar Java en kreeg de Engelse generaal Wavell het opperbevel over de geallieerde strijdkrachten in Zuidoost‑Azië. Zijn hoofdkwartier stond in Bandoeng. Er waren nu Engelsen, Amerikanen, Australiërs en zelfs Zuid‑Afrikanen in de stad. Maar plotseling vertrokken Wavell en zijn staf, samen met veel buitenlandse troepen. We wisten dat dit een slecht teken was — en inderdaad, kort daarna landden de Japanners op Java. 

Nu begonnen de bombardementen. Mijn ouders lieten een schuilkelder maken in een van de goedangs, omdat de grondwaterstand te hoog was voor een kelder in de tuin. We hoorden het kanongebulder van de Tjiaterpas, ten noorden van Bandoeng. De ene plaats na de andere viel. Alleen Bandoeng bleef nog in Nederlandse handen. We hadden geen vliegtuigen meer en nauwelijks afweergeschut. De Japanse vliegtuigen hadden vrij spel. 

Op 7 maart 1942 was er de hele dag luchtalarm. Tijdens het middageten hoorden we een vliegtuig laag overkomen. Mijn ouders vonden het veiliger om te schuilen, dus liepen we met ons bord naar de schuilkelder. Terwijl we liepen, hoorden we de bommen vallen. Onze djongos schrok zo dat hij moeder huilend om de nek vloog — iets waar we later, na de schrik, nog om moesten lachen. Wij bleven ongedeerd, maar elders vielen bommen en doden, onder wie de vader van mijn klasgenote Els Staal. 

De Japanners dreigden Bandoeng plat te gooien, zoals Rotterdam, als er geen capitulatie kwam. Op 8 maart 1942 gaf het Nederlands‑Indische leger zich over. We hadden geen idee wat ons te wachten stond. We waren bang voor de stoottroepen, die een slechte reputatie hadden, en voor mogelijke plunderingen. Op 10 maart trokken de Japanse stoottroepen Bandoeng binnen. De straten waren leeg; iedereen bleef binnen. ’s Nachts sliep ik onrustig, klaar om bij het minste geluid naar mijn ouders te rennen. In onze buurt bleef het rustig, maar er gingen geruchten over verkrachtingen en plunderingen in het noorden van de stad. 

Op 8 maart kwam Kees thuis, maar de volgende dag moesten alle militairen zich melden. Eerst wilde hij niet gaan, maar mijn ouders waren bang dat hij anders later zou worden opgepakt. Hij meldde zich bij het 15e bataljon, in de veronderstelling dat iedereen snel zou worden vrijgelaten. Dat bleek een illusie. 

Bij de gevechten om de Tjiaterpas waren veel doden gevallen. Omdat de waterbronnen in de buurt lagen, kregen we het advies al het drinkwater te koken om besmetting te voorkomen. De radio en kranten gaven nog korte tijd informatie in het Nederlands, maar al snel werd alles Maleis. Enkele medewerkers van de NIROM sloten de uitzendingen nog een paar nachten af met het Wilhelmus. Toen de Japanners dit ontdekten, werden de verantwoordelijken geëxecuteerd. De laatste Nederlandse uitzending eindigde met: “Vaarwel. Tot betere tijden.” 

Na enkele weken probeerden een paar jonge krijgsgevangenen te ontsnappen. Ze werden gepakt, afgeranseld en bloedend aan palen vastgebonden, als afschrikwekkend voorbeeld. Later hoorden we dat ze in het kamp door alle krijgsgevangenen moesten worden aanschouwd terwijl Japanse soldaten hen onder luid geschreeuw telkens opnieuw met bajonetten doorstaken. Het was afschuwelijk.

De Japanners voerden hun eigen jaartelling in: 1942 werd 2602. We waren ineens 660 jaar ouder — eigenlijk 661, want bij geboorte ben je volgens hen al één jaar. Ook moesten we de Nippon‑tijd aanhouden, anderhalf uur voor op Java‑tijd. 

We moesten buigen voor elke Jap die we zagen. Wie dat niet deed, kreeg slaag. Ik werd eens aangehouden door een Jap die me iets vroeg wat ik niet begreep. Hij liet me in de zon staan, vroeg opnieuw of ik het begreep, en toen ik weer nee zei, moest ik blijven staan. Pas toen ik bij de derde keer maar “ja” zei, mocht ik door. Ik heb nooit geweten wat hij bedoelde, maar durfde daarna niet meer ver van huis. 

De banken werden gesloten; Nederlanders mochten geen geld opnemen. Scholen gingen dicht en onderwijs aan Nederlandse kinderen werd verboden. De meeste Nederlanders verloren hun baan. Alleen wie onvervangbaar was, mocht blijven werken en kreeg een rode armband met Japanse tekens. Veel gezinnen kwamen zonder inkomen te zitten. Bedienden werden ontslagen. Ook bij ons moesten ze weg, behalve de baboe. Vader ging helpen in een gaarkeuken. Wij maakten poppen om te verkopen. 

Na de capitulatie kwamen verschillende mensen bij ons in huis terecht. Mevrouw Zweens en haar kinderen bleven enkele maanden. Later kwam mevrouw van Hinte, een oude vriendin van mijn ouders, met haar spullen, eenden en een wit hondje. De eenden vernielden de tuin en werden uiteindelijk geslacht — een welkome aanvulling op ons eten. Het hondje werd mijn grote lieveling; ik heb er veel verdriet van gehad toen ik haar later in het kamp kwijtraakte. 

Iedereen boven de zestien moest een pendafteran kopen: mannen voor ƒ 140,-, vrouwen voor ƒ 80,-. De banken gingen kort open om precies dat bedrag op te nemen.

Na het vertrek van mevrouw van Hinte trokken een onderwijzeres van vaders school en haar vriendin, mevrouw Kruyt, bij ons in om de kosten te delen. Vader gaf nog korte tijd les aan een klein groepje, waaronder Guus en Joop van Erp. Maar op 21 november 1942 werd vader geïnterneerd. Hij moest zich melden bij de Jaarbeurs met een klein koffertje. We wisten niet waar hij heen zou gaan, maar dachten dat het niet lang zou duren. 

In die tijd geloofden veel mensen dat Japan de oorlog niet lang zou volhouden. Men sprak over drie maanden. We lachten om hun “kromme benen”, hun slechte fietsen en speelgoed van blik. Hoe zouden ze dan goede vliegtuigen of schepen kunnen maken? Het was naïef, maar we wisten niet beter.

We hoorden dat krijgsgevangenen in Tjimahi een pakje mochten ontvangen. Moeder wist niet of Kees daar zat, maar ging toch. Hij bleek er niet te zijn, maar Frans wel. Ze gaf hem een pakje en honderd gulden. Het was de enige keer dat we die kans kregen.

 

Hoofdstuk IV: Het Tjihapit Kamp

Kort na vaders vertrek kregen wij, net als alle andere volbloed Hollandse vrouwen, een oproep om te verhuizen naar wat de Japanners een Perlindoengan noemden — een “beschermde wijk”. Moeder voelde daar niets voor en overlegde met de onderwijzeres en haar vriendin die bij ons inwoonden. Eerst wilden ze de zaak traineren, maar al snel beseften ze dat het verstandiger was om te gaan. Nu was er tenminste nog enige keuze waar je terechtkwam, en we koesterden de illusie dat we hier de rest van de bezetting zouden blijven. 

Onze auto, die nog in de garage stond, zou naar een Indo‑onderwijzeres van vaders school gaan. Zij hoefde het kamp niet in omdat ze halfbloed was. Omdat er geen benzine meer was, huurden we koelies en duwden mijn broers en de mannen de auto helemaal naar haar huis — een eind weg en ook nog bergop. Het bleek vergeefse moeite: enkele maanden later hoorden we dat de auto was opengebroken en vernield. 

Op 30 november 1942 verhuisden we naar de Serajoestraat 2, een voormalige officierswoning. Wij waren de eersten die er kwamen en hadden in het begin alle ruimte: ieder een eigen kamer, plus een eet- en zitkamer. Maar dat duurde niet lang. Al snel kwamen er meer mensen bij en werden de kamers verdeeld naar het aantal bewoners. Ook Mary en haar moeder moesten verhuizen en kwamen op de Riouwstraat terecht, niet ver bij ons vandaan. Guus kwam pas later in het kamp. 

Onze baboe bleef nog een tijd voor ons werken. Mijn Maleis was niet geweldig, maar ik probeerde met haar te praten, waarbij ik half Maleis, half Nederlands gebruikte. Ze lachte vriendelijk, maar later vertelde ze moeder dat ze er geen woord van had begrepen. Eind januari 1943 verbood de Jap echter al het personeel. De baboe huilde toen ze afscheid nam. Ze gaf moeder haar adres en vroeg of ze na de oorlog weer bij ons mocht komen werken. Moeder raakte het papiertje helaas kwijt; ik had graag geweten hoe het haar verder vergaan is. 

In het begin sliep ik in een goedang, maar niet lang daarna kreeg ik samen met moeder een slaapkamer. Later kwamen we met zijn vieren in de zitkamer terecht, tot Sies werd weggehaald naar een mannen- en jongenskamp. De eetkamer werd ook bezet. Om binnendoor naar toilet en badkamer te kunnen, werden er kasten zo geplaatst dat er een smal gangetje ontstond. De mensen achter die kasten hadden zo nog een beetje privacy, al bleef alles gehorig. 

De nonnen richtten in de eerste weken een kleine openlucht‑HBS op, maar dat werd al snel verboden. Daarna kregen we tot na de oorlog geen onderwijs meer. De lagere schoolkinderen kregen soms nog les van de onderwijzeres die bij ons woonde, zodat Sies en Paul niet helemaal achterop raakten, al werd het later in Nederland toch zwaar voor hen. 

In een van de kamers woonde mevrouw Dierx met haar zoontje Jan, ongeveer van de leeftijd van mijn broers. Zij wilde dat Jan Engels leerde en vroeg mij hem les te geven. Dat viel niet mee: ik had zelf nauwelijks Engels gehad, mijn broers zaten erbij en mevrouw Dierx herhaalde alles met een verschrikkelijk accent, tot grote hilariteit van de jongens. Vaak viel ze tijdens de les in slaap en snurkte luid. Ik hield het niet lang vol.  

Mevrouw Dierx was een goed mens, maar onzeker en niet erg intelligent. Ze kwam uit een Zeeuwse boerenfamilie en sprak dialect. Veel vrouwen keken op haar neer. Wij niet; daarom liet ze ons soms haar fotoalbum zien, waaruit bleek dat ze uit een rijke familie moest komen. Haar man werkte bij een oliemaatschappij in Tarakan en zat in de vernietigingsploeg. Na de oorlog hoorden we dat hij door de Japanners was vermoord. 

Het kamp werd omheind met een hoge schutting van bilik, met prikkeldraad aan de buitenkant. We konden alleen via de poort aan het Oranjeplein naar buiten. Naast het kamp lag een Inlandse school. Elke ochtend hoorden we het hijsen van de Japanse vlag, gevolgd door lange toespraken tegen de Europeanen, gymnastiek en strijdliederen. Eén refrein herinner ik me nog:

Hantemken lah — slaat er op los

Moesoe kita — op onze vijand

Itoe Amerika — dat Amerika. 

De leiding van het kamp bestond uit een Hollandse vrouw, het kamphoofd, met enkele assistentes en een kamppolitie van vrouwen. Het kamp was verdeeld in Han’s (wijken) en Kumi’s (straten), met een Hantsjou en Kumitsjou als wijk- en straathoofden. We kregen allemaal een kampnummer. Moeder was 17783, ik 17784. Het nummer moest altijd zichtbaar op onze kleding worden gedragen.

In de eerste tijd, toen we nog het kamp uit mochten, kwamen soms Nederlandse militairen langs met platboomkarren om te fourageren. We probeerden dan te kijken of we een bekende zagen. Op een dag stond er een zonderlinge Indo‑man in een hemelsblauwe kimono met draken. Toen de militairen langskwamen, begon hij luid Ave Maria te zingen. De Jap werd woedend en joeg ons allemaal weg. De man zei later: “Als ik een goede vriend zie, mag ik hem best Ave Maria toezingen.” We waren kwaad, maar moesten er later toch om lachen. 

Op 8 maart 1943 werd het kamp gesloten. Voor een tandartsbezoek moest je toestemming vragen. Na enige tijd kon dat ook niet meer. Ik kreeg een groot abces en kon niets doen. 

In de eerste weken na de sluiting mochten Inlandse kooplui nog het kamp in om op een kleine pasar hun waren te verkopen. Daarna kregen we acht weken lang voedsel in natura uit de gaarkeuken op het Oranjeplein. Op 1 mei 1943 mochten we voor het eerst postkaarten sturen naar krijgsgevangenen. We mochten alleen voorgedrukte zinnen gebruiken, met één eigen zinnetje. Geen datum, geen plaats. Iedereen probeerde toch iets door te geven — een naam, een verjaardag, een subtiele hint. Maar vaak kwamen kaarten pas maanden later aan, soms zelfs nadat de ontvanger al overleden was. 

Eind mei moesten alle honden het kamp uit. Ik had mijn hond eerder al naar mevrouw van Raay gebracht, maar toen er niets gebeurde, haalde ik haar terug. Nu was het echt zover. Bij de poort stonden Indo’s die honden wilden meenemen voor geld. Ik had geen geld en vroeg wanhopig of iemand mijn hond naar mevrouw van Raay wilde brengen. Eén vrouw stemde toe. Toen ze bijna uit zicht was, vroeg ze of ze de hond zelf mocht houden. Ik kon weigeren, maar dan was ik haar toch kwijt. Dus stemde ik toe, op voorwaarde dat ik haar na de oorlog terug mocht. Ze gaf haar naam en adres. Ik heb de hond nooit meer teruggezien. 

In juni 1943 werd de algemene gaarkeuken ingesteld. Iedereen moest daar eten halen. Het eten was karig: rijst met een dun groentesausje, soms een stukje vlees of een vrucht. Door de slechte voeding kregen veel mensen gebitsproblemen, slecht zicht en haaruitval. Jaren later, op een camping in Spanje, kregen Frans en ik het benauwd toen we in een rij moesten staan voor ijs — de herinnering aan de kampgaarkeuken was te sterk. We hebben nooit meer gekampeerd. 

Er waren veel werkzaamheden in het kamp: straatvegen, vuil ophalen, zieken verzorgen. Onze Kumitsjou was mevrouw Jochems, niet erg geschikt voor haar taak. Haar vriendin, mevrouw de Jong, leidde de straatvegers. Toen Paul allergische bronchitis kreeg en niet meer mocht vegen, liep ze hem telkens achterna, roepend: “Luilak!” Moeder klaagde bij de kamppolitie, en toen stopte het. Paul werd ordonnans en bracht boodschappen tussen het Jappenkantoor en het Nederlandse kampbestuur. Hij kreeg soms iets lekkers van de Japanse tolk. 

In juli 1943 moesten ook de Indo‑vrouwen en kinderen het kamp in. De onderwijzeres die onze spullen bewaarde, kwam ook binnen — omdat een Japanse officier verliefd was geworden op haar veertienjarige dochter en haar wilde uithuwelijken. Toen ze weigerde, werd ze alsnog geïnterneerd. Ze vertelde dat ze onze spullen aan kennissen had gegeven. Moeder vertrouwde het niet en ik glipte het kamp uit om ze op te halen. Veel was kapot, verdwenen of “verboden” verklaard. Ik kwam terug met een sado en voegde me bij een groep die het kamp in verhuisde. Moeder ontdekte dat bijna alles gestolen was. Het stelde ons bitter teleur. 

In augustus 1943 kwam ik bij de groep die kamers schoonmaakte voor zieke vrouwen en kinderen waste. Sommige vrouwen behandelden ons als slaven. Eén vrouw gebruikte een enorme po voor zichzelf en haar zoontje en liet mij die dagelijks legen. Ik liep kokhalzend naar het toilet. Ik durfde niet te weigeren. Bij een andere vrouw moest ik hout hakken tot ver na twaalf uur, omdat mijn horloge stuk was. Moeder stuurde Paul om me op tijd te halen. 

Op een dag kreeg ik een zware angina. De dokter vreesde difterie. Mijn keel zat dicht, ik had hoge koorts en moest de hele dag op ijsblokjes zuigen. Ik kreeg een injectie. In oktober 1943 moesten alle kampbewoners een pestinjectie halen, omdat er buiten het kamp gevallen waren.

Het eten werd slechter. Iedereen probeerde bij te verdienen om stiekem iets te kopen langs de bilik. Er ging een populair liedje rond:

Zeven stoere vrouwen

Stonden bij het gedèk

Ze vochten om een broodje

En een kilo spek… 

De P.I.D., waar de Kempei‑tai zat, paste afranselingen en vervuilingsstraf toe. Mensen werden soms kaalgeschoren. 

Ik verdiende wat met het tekenen van verjaardagskalenders en bamboebekers met kamptaferelen. Sies en Paul begonnen een bengkel, een fietsenmakerszaakje. Naast onze kamer bouwden ze een keukentje van bilik en atap. Toen een gloeiend kooltje eruit viel, vloog het in brand. Mensen kwamen met emmers water. We konden de fietsen nog net redden. Het keukentje brandde af.

Steeds meer jongens werden weggehaald naar mannenkampen. Sommige moeders hadden geen gezag meer over hun zoons. Moeder was bang dat dit ook bij ons zou gebeuren en pakte mijn broers soms streng aan. 

Omdat vrouwen gaten in de bilik sneden om krijgsgevangenen te zien, werd de Japanse commandant woedend. Op een dag zag hij mij buiten koken. Hij schreeuwde iets wat ik niet begreep. Toen ik mijn schouders ophaalde, sloeg hij me met zijn samuraizwaard op mijn dij. Ik keek hem alleen maar aan, te trots om pijn te tonen. Later had ik een grote bloeduitstorting. Moeder was ziek en had het niet gezien.

Op 21 november 1943 moest Sies zich melden. Hij werd met een koffertje op een open vrachtwagen weggevoerd. Hij had een grote tropenzweer op zijn voet, en moeder was bang voor bloedvergiftiging. We wisten niet waar hij heen ging. Toen hij weg was, bleek onze toko‑kaart verdwenen. We kregen een maand lang niets uit de toko. 

Sommige vrouwen kregen via Zwitserse tussenpersonen nog salaris van hun mannen. Ik begon een Amerikaanse verloting met mijn poppen als prijs. De loten gingen snel.

Af en toe glipte ik het kamp uit — eerst via de poort, later door een rioolbuis onder de straat. Soms ging ik naar mevrouw van Raay of naar Guus, wiens vader nog werkte bij hotel Homann. 


Hoofdstuk V: De Transporten en het ontruimen van Tjihapit

Begin november 1944 begonnen de eerste transporten. De Japanners wilden alle vrouwen en kinderen concentreren in een kleiner aantal kampen. Ons kamp, met veertienduizend mensen, moest worden opgeheven. Groep na groep kreeg te horen dat zij met het volgende transport mee moesten.

Veel vrouwen waren bang dat hun sieraden en waardevolle spullen zouden worden afgepakt, of dat ze te zwaar waren om mee te nemen — er mocht maar twintig kilo bagage mee. Daarom verstopten velen hun kostbaarheden. Sommigen begroeven ze, anderen verstopten ze op vlieringen. Helaas waren er ook vrouwen die niet eerlijk waren: als ze merkten dat ergens iets begraven was, groeven ze het op en namen het mee.

Ook wij besloten een aantal dierbare spullen te verstoppen. We gebruikten een groot petroleumblik waarin we sieraden, papieren en andere belangrijke dingen stopten. Omdat er nog ruimte over was, boden we mevrouw Stuurman — die bij ons woonde en zorgde voor haar ouders en twee kleine meisjes — aan om ook haar spullen erbij te doen. Ze was er dankbaar voor.

We maakten het deksel waterdicht met kaarsvet en besloten het blik ’s nachts te begraven. Met oude lepels groeven we zo stil mogelijk een diep gat naast onze deuropening. Soms stuitten we op stenen en moest ik met mijn vingers de aarde wegkrabben. Mijn vingertoppen waren rauw en pijnlijk. Met een afgeschermd luciferlichtje controleerden we telkens de diepte.

Terwijl we bezig waren, schrokken we enorm toen er in het donker plotseling zwarte schimmen opdoken. We stopten onmiddellijk. Het bleken Inlanders te zijn die bij onze achterburen — de beruchte bilikgroep — etenswaren kwamen verkopen. Ze bleven eindeloos. Pas na anderhalf à twee uur konden we verder. Tegen diepe nacht was het blik begraven en het gat zorgvuldig dichtgemaakt.
De volgende ochtend liet moeder mevrouw Stuurman zien waar het blik lag. Eerst wilde ze het niet weten — ze vertrouwde ons wel — maar moeder wees haar erop dat niemand wist wat er met ons zou gebeuren. Toen gaf ze toe dat ze het toch moest weten.

Er kwam een oproep voor duizend vrouwen om aan het einde van de transporten het kamp leeg te ruimen. Het bleken er te weinig; het werk zou te lang duren. Daarom besloot de Jap dat drieduizend vrouwen voorlopig niet weg hoefden. Zo bleef er een groep van vierduizend achter. Mijn vriendinnen vertrokken met eerdere transporten; moeder en ik bleken bij de achterblijvers te horen.
Het kamp, ooit vol geluid en leven, werd nu angstaanjagend stil.

In de huizen bleef van alles achter: meubels, boeken, huisraad, maar ook rommel. Toen alleen mevrouw Hansen met haar twee jongetjes en een ex koloniaal nog bij ons waren, besloten we een brandstapel te maken van alles wat niet meer bruikbaar was. Tussen de rommel lag ook een dode kat — een van de dieren die door de nènèh altijd gevoerd waren, maar nu verhongerd was. De grond was te hard om te graven, dus vroegen we de ex koloniaal of hij de kat wilde begraven. Hij weigerde: “Dat heb ik in mijn jeugd nooit hoeven doen.” Alsof wij dat wel gewend waren. De kat ging op de brandstapel. De stank was verschrikkelijk.

Nu het kamp leegliep, besloten we meer spullen te verstoppen. In het plafond zat een luik naar de vliering. Met een ladder klom ik naar boven. Moeder en mevrouw Hansen gaven koffers en kisten aan, die ik balancerend over de balken naar verstopplekken bracht. De eternietplaten tussen de balken waren dun; één misstap en je viel erdoorheen.

Op een moment viel een haarspeldje uit mijn haar. Omdat er geen speldjes meer te krijgen waren, probeerde ik het terug te vinden. Ik duwde tegen een kist, die verschoof en boven op mijn arm viel. Ik zat klem en kon geen kant op. Moeder en mevrouw Hansen hadden hoogtevrees en durfden niet naar boven. Gelukkig kwam er een jongetje langs dat me bevrijdde. Mijn speldje had ik in elk geval terug.

Kort daarna werd ik ziek, maar ging toch door. Ik was duizelig en stapte mis: mijn benen schoten door het eterniet, mijn dij schraapte langs een balk. Gelukkig viel ik met mijn buik op een balk en niet naar beneden — precies onder mij stond een kinderbedje met een scherpe stok. Ik hield er een enorme bloeduitstorting aan over. Moeder vond het genoeg; we verstopten alleen nog kleine dingen, zoals ivoren beeldjes, in de nok van de bijgebouwen.

Toen de laatste groep vertrokken was, moesten wij verhuizen naar een andere wijk. Op 12 december 1944 kwamen we in de Nankalaan 16 terecht, een klein huisje in een smalle straat. Moeder en ik deelden een kamer. In die kamer zat ook de elektriciteitsmeter; de stoppen sloegen vaak door omdat veel vrouwen stiekem elektrische kookplaatjes gebruikten. Een mevrouw leerde me hoe ik een stop moest repareren met een stukje ijzerdraad.

Ik werd met tweehonderd andere vrouwen ingedeeld bij het “meubelen”: het leegmaken van huizen en het transporteren van meubels naar het noordwestelijke deel van het kamp. We hadden grote platboomkarren en sleepten zware kasten, bedden, naaimachines, zilverwerk en boeken naar verzamelpunten. Het was triest om te zien hoe prachtig Djokja zilver in het vuil lag, dure boeken als stapstenen in de modder werden gebruikt en naaimachines in de regen stonden te roesten.

De Jap had veel meubels aan Chinezen verkocht. Die waren gemarkeerd met een groot krijtkruis. Als wij iets te zwaar vonden, zetten we er zelf een kruis op. Zo kreeg de Chinees heel wat extra meubels cadeau. Soms was iets onmogelijk te verplaatsen, zoals een vleugel op een bovenverdieping. Dan werd die simpelweg over het balkon gegooid, waar hij in stukken brak.

De tuinen in het lege kampdeel verwilderden snel en zaten vol muskieten. Ik werd overal gestoken, tot opluchting van de anderen — de meeste muggen kwamen op mij af. Het verbaast me nog steeds dat ik nooit malaria heb gekregen.

De Japanners wisten inmiddels dat veel vrouwen spullen op de vliering hadden verstopt. Ze gaven jongetjes van tien jaar opdracht om de huizen te doorzoeken. Hoe ze die kinderen zover kregen weet ik niet, maar ze vonden alles. De huizen waren daarna smerig en volgeklad; veel van die jongens hadden al weken zonder toezicht gezeten omdat hun moeders op transport waren
.
Toen het noordwestelijke deel ontruimd was, werd het afgesloten met een dubbele schutting. We mochten er niet meer komen.

Toch besloten moeder en ik stiekem te gaan kijken bij Serajoestraat 4. Via een brandgang en een gat in de muur kwamen we binnen. Alles was door de eternietplaten naar beneden gegooid. De kleine spulletjes die we zo zorgvuldig hadden verstopt, waren verdwenen. We vonden nog wat andere dingen en besloten die alsnog te verstoppen. We klommen via een ladder op het dak, haalden dakpannen weg en stopten spullen in koffers op de lagere vliering boven de bijgebouwen. Het was gevaarlijk: op het Oranjeplein oefenden Japanners. Eén blik omhoog en ze hadden ons gezien.

Toen we in de bijgebouwen bezig waren, kwamen er Jappen het huis binnen. Ik gooide de ladder opzij en verstopte me achter een paar palmbladeren bij de put. Moeder zat nog op het dak en fluisterde telkens: “Zijn ze er nog?” Ik durfde nauwelijks te ademen. Gelukkig liepen de Jappen niet naar achteren. Toen ze weg waren, vluchtten we via de heg en een smal gangetje naar de brandgang. Pas toen we veilig waren, moesten we lachen van de zenuwen.

Intussen moesten we alle elektrische apparaten, grammofoons en platen inleveren. Wij hadden niets ingeleverd, maar veel was achtergelaten door vrouwen die al weg waren. Ellie Zonneveld en ik besloten een grammofoon te “regelen”. We forceerden een raam, zochten platen uit en namen alles mee. Het was een korte vreugde: toen de Jap huiszoekingen begon, deden we de spullen snel weg.
In februari 1945 moesten we ook onze boeken inleveren. Alleen kerkboeken en bijbels kregen we later terug, met een stempel erin. Ik heb er nog steeds een paar.

Moeder mocht niet meer “meubelen” vanwege haar gezondheid. Soms gingen we ’s avonds naar het Houtmanplein om naar de zonsondergang te kijken — een rode lucht boven paarse bergen, net zichtbaar boven de bilik. Het was een van de weinige mooie dingen in het kamp.

In het noordwestelijke deel werden burger mannen ondergebracht. Wij mochten geen contact met hen hebben. We zetten meubels in het niemandsland tussen de poorten; pas als wij weg waren, mochten de mannen ze ophalen. Soms stopten we mannekleren in kasten en gaven we een seintje. Zo konden we ook briefjes smokkelen.

De Jap fouilleerde vaak bij de poort. Wie iets smokkelde, werd afgeranseld. Ik probeerde eens kaarsen mee te nemen door ze in de holle disselboom van de kar te laten zakken, met een touwtje in mijn hand. Als ik gecontroleerd werd, kon ik het touwtje loslaten. Ik kwam door de poort — maar mijn maatje liet de kar vallen, de bomen schoten uit mijn handen en weg waren mijn kaarsen.

Soms vonden we nog wat voorraden in huizen: rijst, bruine bonen, houtskool. Dan werd iemand vrijgesteld om in een hokje of Inlandse wc op een anglo te koken. Als het bijna gaar was, kregen we een seintje en sloop iedereen om de beurt een hapje halen. Als er een Jap in de buurt was, riepen we “Marietje!” — het sein om alles te verbergen. Op een dag riep de Jap zelf “Marietje!” toen hij de straat in kwam.

We vonden ook wel eens een piano. Dan zetten we die op een kar, een vrouw ging spelen en de rest zong luidkeels mee. De Jap bij de poort snapte er niets van. De mannen in het andere kampdeel hoorden de muziek en kregen er moed van. Maar de Jap werd woedend en sloeg de pianiste. Toch deden we het opnieuw — dit keer fluitend. Toen dat ook verboden werd, hadden we afgesproken te gaan zoemen. Maar Muruï gaf het op: hij zei dat hij liever had dat we zongen dan floten.

Twee keer per dag was er appèl. Muruï hield lange toespraken. De Japanse tolk vertaalde, en ons kamphoofd, mevrouw Diepeveen — een geweldig mens — vatte het in een paar woorden samen. Muruï keek haar dan verbaasd aan, niet begrijpend hoe zij in één zin kon zeggen waar hij zo lang voor nodig had. Wij stonden ernstig te luisteren, maar van binnen moesten we lachen.

Op 7 maart 1945 moesten we weer verhuizen, nu naar de Heemskerckstraat 2. Bij de poort werd streng gefouilleerd. Een vrouw die een kookplaatje tussen haar dijen probeerde te smokkelen, werd op een tafel gezet met een bord naast zich waarop een poppetje stond met een grote cirkel tussen de benen en de tekst “apa itoe?” — tot hilariteit van iedereen, zelfs van haarzelf.

Corrie Vonk zat nog steeds in ons kamp. Toen zij langs de poort moest, ging ze voor de Jap staan, hief haar armen en begon al jodelend om haar as te draaien. De Jap moest lachen en fouilleerde haar niet.

Onze straat grensde aan het Houtmanplein. De muur van onze tuin vormde de scheiding met de vrije wereld. Vanaf het Inlandse wc tje kon je net over de muur kijken. Aan de andere kant werkten Europese mannen. Een vrouw in ons huis vond dat ze prachtig kon “croonen” en ging elke dag zwaar opgemaakt op de wc staan zingen om hen op te vrolijken. Wij moesten erom lachen.

Moeder en ik sliepen in een kleine goedang. Naast ons lag een vrouw met ernstig hongeroedeem. Haar benen waren zo opgezwollen dat ze niet meer kon lopen. Haar zoontje Berend haalde het eten, maar toen hij op een dag zonder eten thuiskwam, ging ik voortaan met hem mee. Ik stond twee keer in de rij, maar was blij dat ik het kon doen. Kort daarna stierf zijn moeder.

We bleven niet lang op dit adres. Op 1 april verhuisden we naar de Sawohlaan 4, een huis van een Chinees, vreemd ingedeeld. Onze kamer had tralies voor het raam — iets waar we blij mee waren, want Inlandse dieven werden steeds brutaler. We hoorden verhalen van vrouwen die ’s nachts wakker werden terwijl dieven hun kleren van hun bed haalden of hen met een mes bedreigden. De meeste huizen hadden geen sleutels meer.

Op een nacht hoorden we gegil. Een vrouw aan de overkant had haar koffers op de overloop staan. Ze werd wakker en zag dieven haar spullen leegroven. Ze bleef doodstil liggen tot ze hen het huis in zag gaan, en begon toen te schreeuwen. De dieven vluchtten via de brandgang. Toen eindelijk een Jap werd gevonden, waren ze allang weg. Hij rende als een aap tegen de hoge schutting op, maar het was te laat.

Daarna moesten vrouwen nachtwacht lopen, twee aan twee. Bij onraad moesten ze op een lantaarnpaal slaan zodat iedereen naar buiten kwam. Ik besloot dat ik dat nooit zou doen — te gevaarlijk. Veel vrouwen dachten er zo over, en al snel kregen we een bel om al rennend te luiden. Maar ook dat vond ik eng. Tijdens mijn laatste wacht hoorde ik achter me het grind knerpen. Mijn hart bonsde. Ik bleef doodstil zitten. Het geluid kwam dichterbij — en toen schoot er een kat langs. Ik stond te trillen op mijn benen.

In die tijd kregen we alleen nog wortelloof als groente. Het was taai en knarsend, nauwelijks gaar te krijgen. We voelden ons net geiten en begonnen soms mekkeren tijdens het eten.

Toen moesten alle bultzakken worden ingeleverd. Er gingen geruchten dat de Jap ze wilde controleren omdat mensen er spullen in hadden genaaid. Wij ook. We sliepen wekenlang op geïmproviseerde bedden: ik op een houten deur op koffers, moeder op planken. We waren zo mager dat het pijnlijk was. Na weken kregen we de bultzakken terug — ongeschonden. Waarschijnlijk was het gewoon pesterij.

Op 5 mei 1945, tijdens het appèl, vertelde Muruï tot onze verbazing dat Nederland weer vrij was — “we hadden weer een vaderland.”


Hoofdstuk VI: Tjideng

Nu het kamp bijna leeg was, konden de laatste resten door een kleinere groep worden opgeruimd. De Japanners begonnen opnieuw vrouwen naar andere kampen te transporteren. Een groep van negenentwintig vrouwen zonder kinderen werd aangewezen om achter te blijven en het kamp verder leeg te maken. Wij hoorden daar niet bij. Op 10 mei 1945 waren moeder en ik aan de beurt voor transport. 

We mochten maar twintig kilo meenemen en een bultzak, opgerold op de rug. Het was verboden om een po mee te nemen — waarschijnlijk kenden de Japanners dat gebruik niet en vonden ze het maar vreemd. Maar wij waren niet van plan zonder po te vertrekken; we wisten niet waar we terecht zouden komen. Achteraf bleek dat een verstandige beslissing. 

Moeder en ik naaiden grote zakken op onderrokken en vulden die met kleren. Voor de po maakten we een soort zonnehoed: een cirkel van tikar met in het midden de po, bekleed met stof. Het oor van de po verstopten we onder een grote strik. Omdat de po te klein was om op ons hoofd te dragen, bond ik de “hoed” op mijn rug. 

Moeder had nog steeds enkele kleren van vader en Kees bewaard. Toen we vertrokken, trokken we ieder een lange broek van hen aan, vastgebonden met touw, daaroverheen een rok en daaronder de tjoep‑rok met zakken. Moeder droeg een kleine bultzak; ik had een enorme van negentig centimeter breed én de hoed. Daarnaast nog een koffertje van twintig kilo. Ik was zo topzwaar dat ik alleen tegen een muur kon gaan zitten; zodra ik mijn knieën boog, plofte ik op de grond. Opstaan ging net zo moeizaam. 

Na het “ontbijt” moesten we aantreden bij de poort. We zaten uren in de brandende zon te wachten. Pas om twee uur kwamen de open vrachtauto’s. Tot onze verrassing waren de chauffeurs Nederlandse mannen. We moesten zelf in de laadbak klimmen — voor mij bijna onmogelijk. Gelukkig hielpen de mannen ons omhoog. 

We reden naar station Kiaratjondong, buiten de stad. Niet bij het perron, maar langs de rails moesten we naar de geblindeerde trein lopen. Met veel moeite hees ik mezelf naar binnen. Ik vond een plek op een harde bank zonder rugleuning; moeder kon gelukkig tegen de zijwand zitten. Een derde van de wagon was gevuld met zieken, onder wie dysenteriepatiënten. De stank werd ondraaglijk. 

We hadden nog niets gegeten of gedronken. De trein stond uren stil in de zon. Pas om elf uur ’s nachts vertrokken we. De ramen waren geblindeerd; we hadden geen idee waar we heen gingen. De trein reed langzaam, stopte voortdurend. Soms moesten we uitstappen, in het donker naast de rails staan, terwijl de Jap probeerde te tellen — iets waar ze opvallend slecht in waren. Telkens opnieuw. 

Er was geen toilet. In het donker probeerden we snel een plas te doen naast de rails. Slapen lukte nauwelijks; ik zat opgevouwen op de vloer, leunend tegen de bank.

Om tien uur ’s morgens kwamen we aan. Sommigen herkenden station Tanah Abang in Batavia. We werden opnieuw in vrachtauto’s geladen en naar ons nieuwe kamp gebracht: Tjideng. Ik was zo uitgeput dat ik me weinig van de aankomst herinner. Wel weet ik dat we opeens werden aangeroepen door mevrouw van Erp, een oude vriendin van mijn ouders. Zij was eerder uit Tjihapit weggevoerd en nu in Tjideng terechtgekomen. Ze liep mee om te zien waar wij zouden komen. 

We werden ingedeeld op Kapoeasstraat 11, in de buurt die de Ampasietjes werd genoemd. Onze straat heette de Toekan menatoe — de wasbazenstraat — omdat er nauwelijks tuinen waren en de was overal langs de straat hing. Gelukkig hadden wij een klein waslijntje naast het huis. 

We kregen nieuwe kampnummers: moeder 19406, ik 19407. We kwamen met ongeveer vijftig mensen in een piepklein huisje terecht. De Tjidengers die hier al jaren zaten, hadden meer ruimte en nog wat meubels en voedselvoorraden. Wij hadden nog steeds niets gedronken. De kranen in ons huis deden het niet. Van de buren hoorden we dat we water moesten tappen uit een hoofdkraan in een putje in de tuin — maar daar kwamen slechts druppels uit. De buren wilden niets met ons delen. Mevrouw van Erp nam ons daarom mee naar haar huis, waar we eindelijk water kregen. 

Moeder en ik kwamen met zestien vrouwen in een kamer van achttien vierkante meter. We hadden dus nauwelijks één vierkante meter per persoon. Toen we onze bultzakken terugkregen — één was verdwenen — bleek dat de hele vloer ermee bedekt was. Iedereen zocht een plekje. Wij lagen in het midden van de lange wand. ’s Nachts moesten we in het donker over slapende lichamen heen stappen om naar buiten te komen. 

In de muren waren extra openingen gehakt om meerdere uitgangen te creëren. Mevrouw Jasper, een oude dame, koos een plek bij zo’n gat onder een raam. Ze moest met opgetrokken benen liggen, maar wilde niet verhuizen: zo kon ze ’s nachts makkelijker wegkomen. 

In de meeste huizen was geen houtwerk meer. Alles was gesloopt om op te koken: deuren, kozijnen, ramen. Alleen de daken waren nog intact. 

Moeder en ik deelden één matras. We hadden ieder maar 45 centimeter breed om op te liggen. Naast mij lag mevrouw Selles met twee jongetjes van elf en vijf. Ze waren niet zindelijk en plasten elke nacht in bed. Soms werd ook mijn bultzak nat. We hadden geen zeep en nauwelijks water. De riolering werkte niet; de toiletten waren overstroomd met strontwater. Het kamp stonk verschrikkelijk — men zei dat het kilometers verderop nog te ruiken was. 

Onze po was een zegen. Wie geen po had, moest een blik of emmer gebruiken. Buiten lagen ijzeren deksels over rioolgaten; daar moesten we onze po legen. Overdag maakten we een klein afgeschut hokje met een laken, zodat we niet alles in het openbaar hoefden te doen. Achter ons huis was een doorgang naar het ziekenhuis, waardoor er voortdurend mensen langs ons tuintje liepen. 

In Bandoeng hadden we geen klamboes nodig gehad. In Batavia wemelde het van de muskieten. Mevrouw Hoogveld gaf ons een stukje klamboe voor ons gezicht. Later peuterden we overal kleine stukjes vandaan en naaiden die aan elkaar tot een bruikbare klamboe. Uiteindelijk had iedereen in onze kamer er één. We spanden touwen door de kamer om ze ’s avonds op te hangen. 

We hadden geen dekens. Door de ondervoeding hadden we het ’s nachts ijskoud. ’s Morgens zochten we de zon op om onze botten op te warmen. Lakens hadden we niet; we konden niets wassen. Water kregen we druppelsgewijs via een rooster. Iedereen had een tijdslot om haar emmertje onder de kraan te zetten. 

We maakten een geïmproviseerde opbergzak aan de muur en rolden de bultzakken op tot zitbankjes. Voor mevrouw Jasper was het een ramp om van de grond op te staan. Een Tjideng‑vrouw bracht haar na een paar dagen een stoel — een gebaar van grote menselijkheid. 

In ons kleine tuintje stond een klimplant, de Gondola. Men zei dat de blaadjes gezond waren. Er werd een rooster gemaakt; iedereen kreeg af en toe een paar blaadjes. Mevrouw Selles maakte er soep van, met een snufje zout en peper. We zetten de pan in de zon en deelden de lauwe soep eerlijk. We genoten ervan alsof het een delicatesse was. 

Net als in Tjihapit moest om half elf Nippon‑tijd het licht uit. Op een nacht zakte mevrouw Jasper door een tak van de Gondola‑plant toen ze haar emmertje gebruikte. In het donker rolde ze gillend over de grond. Het kostte veel moeite om haar overeind te krijgen. 

Elke dag was er appèl, om zeven uur vijftig Nippon‑tijd — zes uur twintig Java‑tijd. Er stonden elfduizend vrouwen en kinderen in doodse stilte op de Trivelli‑laan en de Moesi‑weg. De beruchte Sonei was kampcommandant. Iedereen was doodsbang voor hem. Het was zo stil dat je de bladeren hoorde ritselen. 

Op zijn commando’s moesten we in de houding staan, buigen en wachten tot we weer mochten opstaan. Wie het niet precies goed deed, werd geslagen of geschopt. Kort na onze aankomst werd een vrouw uit Bandoeng zwaar mishandeld omdat ze de buiging niet goed uitvoerde. 

Het eten kwam uit twee gaarkeukens: Batanghari voor rijst, Tjilamaja voor groente. We kregen vijftig gram rijst per dag, vol larven en torretjes. We aten alles op — eiwitten waren eiwitten. De groente bestond bijna altijd uit waterleliestelen, gekookt tot een dunne soep. 

Jonge meisjes liepen door het kamp met een bel: “Soep halen! Rijst halen! Water meebrengen — geen water, geen rijst!” Water was schaars. 

Ik haalde vaak eten met mijn kamergenote Gonnie van Delden. Alles was koud. We hadden niets om het op te warmen. Per dag kregen we een minuscuul stukje brood van Asia‑meel — hard van buiten, klef van binnen. We sneden het in dunne plakjes en lieten het in de zon drogen, als niemand het stal. 

In onze kamer woonde mevrouw van Ooyen met twee volwassen dochters. De moeder was doodziek. De jongste dochter zorgde liefdevol voor haar. De oudste was een dievegge; ze stal zelfs het eten van haar moeder. Ook het brood van kleine kinderen was niet veilig. Ze schaamde zich nergens voor: “Ik heb honger,” zei ze. 

Daarnaast hadden we een andere dief: een grote rat. Bijna alle ratten waren al opgegeten, maar deze was slim en brutaal. Hij opende pannetjes, knaagde door doeken heen en at zelfs brood dat we onder onze klamboe verstopten. Op een ochtend vonden we een gat in de klamboe en een half opgegeten broodje. Ik griezelde bij het idee dat hij boven mijn hoofd had zitten eten. 

Er waren ontstellend veel zieken: malaria, dysenterie, beri‑beri, oedeem, pelagra, kampzweren. Ik had zelf meerdere zweren op mijn benen. De Japanners gaven geen medicijnen. De apotheek was afgesloten; de sleutel was ingeleverd. Veel mensen stierven die misschien gered hadden kunnen worden. 

Doktoren schreven kruiden voor. Toen moeder ziek werd, moest ik elke dag een groot blad en zeven jonge blaadjes van een bepaalde plant zoeken. Ik noemde het mijn zoektocht naar “de wolf en de zeven geitjes”. Uiteindelijk knapte moeder op. 

Onze wijkdokter had zelf ernstig oedeem en was vaak afwezig in haar gedachten. Het was beangstigend. 

Bij het Jappenkantoor stond een kooi met apen. Sonei liet ze soms los in het kamp. Iedereen was doodsbang. Een stevige vrouw uit Bandoeng dacht dat ze er wel een kon vangen — ze werd lelijk gebeten. 

Ook hier waren taken. De beste baantjes waren al verdeeld onder vrouwen die langer in Tjideng zaten; zij kregen extra eten. Wij kregen de nare klussen. Ik werd groentespoelster. Moeder zat bij de groentepluk. Een week lang moest ik met een andere vrouw de was doen in het huis voor oude, zieke vrouwen — zonder zeep. Vuile broeken, vaak van incontinentie, weken in koud water in de zon. Wij moesten ze eruit vissen, spoelen en ophangen. Onze handen stonken verschrikkelijk. Pas na protest mochten we onze handen in ontsmettingsmiddel steken. 

We ontdekten dat we eigenlijk recht hadden op een grote beker hete thee na dit werk — iets wat ons bijna een week was onthouden. Toen we dat eenmaal kregen, renden we naar huis en deelden we de thee met alle kamergenoten. Het was een van de weinige warme dingen die we in maanden proefden. 

Ook hier was nachtwacht. Ik moest één keer in het magazijn van de keuken zitten, samen met een ander meisje. We werden opgegeten door de muskieten. Het was minder eng dan in Tjihapit, maar prettig was het niet. 

Op een dag hoorden we dat het kamp darmenpastei zou krijgen — volgens oude Tjidengers een lekkernij. We haalden het vol verwachting op. De teleurstelling was groot: de darmen waren niet vers of slecht schoongemaakt. Het stonk. Toch aten we het op — voedsel was voedsel.

Hoofdstuk VII: Eind van de Oorlog en begin van de Bersiap-periode

Op 15 augustus kregen we onverwacht meer rijst dan normaal, en zelfs wat bevroren vlees. Het gerucht ging dat de oorlog voorbij was. Maar na het bilikken‑drama durfden we niets meer te geloven. Misschien was het een truc van de Japanners, of een eenmalige gunst. Toch bleef de grotere hoeveelheid rijst binnenkomen, en langzaam begon de twijfel te knagen. 

Op 23 augustus moesten we op appèl komen. Daar kregen we eindelijk de bevestiging: de oorlog was op 15 augustus geëindigd. We hoorden ook over de twee atoombommen. Voor een kort moment laaide de vreugde op — mensen juichten, sommigen zongen. Maar het duurde niet lang. Buiten het kamp werd het onrustig. De Inlanders hadden de onafhankelijkheid uitgeroepen en in de stad werd het gevaarlijk. We mochten geen vlaggen hijsen, niet zingen, en vooral het kamp niet uit. 

De doktoren waarschuwden dat we niet ineens grote hoeveelheden rijst moesten eten; onze magen konden dat niet meer verdragen. Maar veel vrouwen waren te blij dat de honger voorbij leek. Het gevolg was dat juist daardoor velen ziek werden. 

Niet lang daarna kwamen de eerste Nederlandse ex‑krijgsgevangenen uit het 10e Bataljon ons kamp binnen. Iedereen vroeg naar familieleden. Zo hoorden we dat Kees daar zat. We konden hem al snel opbellen — voor het eerst in jaren hoorden we zijn stem. Hij had de oorlog overleefd, maar was ernstig verzwakt en had een verlamming aan de beenzenuw opgelopen. Hij kon alleen lopen met elastieken banden van knie tot teen. Toch leefde hij nog, en dat was alles wat telde. 

Ook kregen we bericht dat vader, Sies en Paul nog leefden. Ze waren de laatste maanden van de oorlog bij elkaar terechtgekomen in kamp VI in Tjimahi. Tegelijkertijd kwamen er lijsten binnen met namen van overledenen. Elke keer was het een moment van angst. Mevrouw van der Meer, die bij ons in de kamer lag, kreeg achtereenvolgens bericht van het overlijden van haar schoonvader, haar moeder, haar man en daarna haar broer. De stemming in het kamp werd somber. Wij beseften hoe ongelooflijk veel geluk wij hadden gehad. 

Kees wist ons na enige tijd op te zoeken. Hij werkte nu als technisch hoofd van de radiokamer van het 10e Bataljon en was zeer bedreven geraakt in radiotechniek. Hij wist voor ons een radio te regelen, waardoor we met onze kamergenoten naar de wereldomroep konden luisteren. Het was een klein wonder. 

Hoewel de oorlog voorbij was, mochten we het kamp nog steeds niet uit. Toch probeerden velen het. Ook wij glipten kort na de capitulatie de poort uit om bij een Chinese winkel iets te kopen. De winkelier was doodsbang: hij werd met de dood bedreigd als hij Europeanen hielp. We keerden terug en waagden het niet opnieuw.

Er ging een gerucht dat de Inlanders een aanval op ons kamp voorbereidden. Diezelfde avond werden Nederlandse ex‑krijgsgevangenen — gewapend met stokken — naar ons kamp gebracht om samen met de Japanners de wacht te houden. Gelukkig bleek het loos alarm. 

De mannen vonden het onverteerbaar dat de vrouwen nog steeds zwaar werk moesten doen in de gaarkeukens en besloten het over te nemen. Maar ze hielden het niet lang vol. De gaarkeukens stortten langzaam in. Eerst kregen we rijst en groente rauw mee en moesten we zelf maar zien hoe we het kookten. 

De oudste dochter van mevrouw van Ooyen had weer eens ruzie met haar moeder. Haar jongere zus, die altijd voor haar kookte, weigerde dat nog langer te doen. Midden in de nacht schrokken we wakker toen de oudste dochter plotseling begon te schreeuwen: “Flapdrol, je moet morgen voor me koken!” 

Gelukkig werd besloten dat Chinese koks voortaan voor ons zouden koken. Maar ik verdroeg dat eten slecht en kreeg oedeem. 

De mannen probeerden de riolering te repareren, maar het lukte niet. Daardoor bleven de toiletten en badkamers onbruikbaar. Dat werd nu extra lastig, omdat er voortdurend mannen door het kamp liepen. Je kon zomaar op je po zitten terwijl er iemand langs het pad naast onze kamer liep. Een keer was ik aan het baden toen een man, die zijn vrouw wilde bezoeken, per ongeluk de badplaats binnenstapte. We schrokken allebei. 

Er was ook een enorme vliegenplaag — geen wonder met de onhygiënische omstandigheden. 

Het duurde eindeloos voordat de eerste geallieerden verschenen. We werden moedeloos. Gonnie van Delden en ik besloten op een dag tóch het kamp uit te glippen en naar de pasar te gaan. We wrongen ons door een gat in de bilik en door het prikkeldraad, liepen over een grasveld en tussen huizen door — om er pas bij aankomst achter te komen dat er ’s middags helemaal geen pasar was. We kochten een ès‑lilin als troost en keerden terug. Onderweg werden we steeds nerveuzer; sommige Inlanders keken ons vijandig aan. 

Toen we bijna bij de schutting waren, zagen we een Jap aan de overkant van het veld staan roepen en wenken. De angst zat nog zo diep dat we in paniek door het prikkeldraad terugkropen. Mijn kleren scheurden. Waarschijnlijk wilde hij ons alleen waarschuwen — het was levensgevaarlijk wat we hadden gedaan. 

Niet lang daarna hoorden we dat een jongetje was getjintjangd — in stukken gehakt. Hij had bij mijn broers in het jongenskamp gezeten en was zijn moeder in Tjideng komen opzoeken. Hij moest ’s avonds naar de Soos, waar de mannen verbleven die hun vrouwen bezochten. Onderweg werd hij vermoord. Zijn resten werden dagen later gevonden. Zulke verhalen deden voortdurend de ronde. 

Sommige mannen die hoorden dat hun vrouw was overleden, kwamen met hun kinderen — die hen vaak niet meer herkenden — voor het weeshuis op een muurtje zitten, alleen met hun verdriet. Het was hartverscheurend. Kleine kinderen vroegen aan elke man die binnenkwam: “Ben jij mijn pappie?” 

Toen Kees ons eindelijk kon bezoeken, vroeg een meisje uit ons huis aan mij of hij mijn pappie was. Sommige kinderen geloofden niet dat de man die voor hen stond hun vader was — hun vaders hadden op de foto immers geen benen. 

Eindelijk landden de Engelsen op Java. Ze verboden ons streng het kamp te verlaten. Alles bleef vrijwel hetzelfde. Na enige tijd konden sommige mensen naar Australië vertrekken, waardoor er wat meer ruimte in onze kamer kwam. Dat leidde soms tot komische situaties.

 Mevrouw Jasper, die altijd moeite had met opstaan, had een nieuw plekje gevonden. Toen ze koorts had en ’s nachts naar buiten moest, schoof ze op haar matje naar het gat in de muur. Maar in haar verwardheid vergat ze af te slaan en duwde haar benen dwars door de klamboe in het gezicht van mevrouw Campert, die met een ijselijke gil wakker werd. 

De man van een van onze huisgenoten, die bij de marine had gezeten en niet geïnterneerd was geweest, kwam met een geallieerd schip aan. Hij trakteerde ons op wit brood. Voor ons was het alsof we taart kregen — zelfs zonder beleg. 

Wat ik moeilijk vond, was het “sightseeing” van Engelse en Amerikaanse mariniers en journalisten. Kort voor hun komst had ik mijn enkel verstuikt en kon ik niet lopen. Ik zat op mijn bultzak toen een fotograaf langskwam. Hij vond het tafereel — de opgerolde bultzakken, de klamboetouwen, de opbergzakken aan de muur — zo bijzonder dat hij vroeg of hij een foto mocht maken. Ik had te veel pijn om te vragen voor welk blad hij werkte of om een afdruk te vragen. 

Later mochten de eerste Nederlandse NICA‑jongens Java op. Ze hadden maandenlang vastgezeten in Singapore. De Engelsen maakten zich niet populair met hun strenge maatregelen. 

Tot onze grote verrassing stonden Sies en Paul op een dag voor onze neus. Ik herkende hen eerst niet — ze waren zo veranderd. Moeder was dolgelukkig, maar ook bang. Batavia was gevaarlijk; Bandoeng was nog rustig. De jongens moesten in de Soos slapen, buiten het kamp. Moeder was bang dat hen hetzelfde zou overkomen als het jongetje dat was vermoord. Ze drong erop aan dat ze zo snel mogelijk teruggingen naar Tjimahi. Ze stuurden een telegram toen ze veilig waren aangekomen. 

We hadden de jongens verteld waar we het blik met onze spullen hadden begraven. Ze gingen erheen met vader, maar toen ze terugkwamen met een schop was alles verdwenen. Eerst dachten we dat ze misschien iets hadden verraden. Maar toen hoorden we dat er in Bandoeng een soort schatgraverskantoor was. Mensen konden daar melden waar ze iets hadden begraven, waarna het werd opgegraven en geregistreerd. 

Mevrouw Stuurman was daar geweest en had het blik laten opgraven — precies op het moment dat vader en de jongens een schop gingen zoeken. Het blik stond veilig op het kantoor. Zij had alleen haar eigen spullen eruit gehaald. 

Via vader hoorden we dat mevrouw van Leent en beide jongens waren overleden — mevrouw en Han zelfs vlak voor het einde. Het was verschrikkelijk. Ik dacht aan Guus en zijn vader. Later hoorde ik dat Guus naar Bandoeng was gekomen en veel steun kreeg van Mary en haar ouders. 

Het leven in het kamp begon ons op te breken. Gonnie van Delden, haar zusje Engeltje en ik besloten in oktober 1945 (in de tekst staat 1944, maar dit is duidelijk 1945) er eens uit te gaan. We hoorden dat kinderen dagelijks werden uitgenodigd op een feestje op een oorlogsschip in Priok. We kwamen niet in aanmerking als begeleidsters, dus besloten we naar Hotel des Indes te liften, waar veel militairen zaten. 

Het lukte ons met een militaire vrachtauto mee te rijden. In het hotel sloten we ons bij de kinderen aan en niemand zei iets. In Priok werden we in sloepen naar een groot landingsvaartuig gebracht. De bemanning had zich verkleed als piraten. Er waren spelletjes, rondleidingen en tafels vol eten: saucijzenbroodjes, wit brood met boter en worst, jam — een overvloed. Mijn maag kon het niet aan, maar het was een onvergetelijke dag. 

Op de terugweg hoorden we dat een vrouw uit onze straat, die met een vrachtauto naar de stad was gegaan, door Inlanders uit een boom was doodgeschoten. We hadden opnieuw geluk gehad. 

Op een dag kwam het bericht dat een Engelse piloot in het kamp was en bereid was brieven mee te nemen naar Engeland. Moeder schreef snel een kort briefje op een stukje closetpapier en ik rende naar de poort. Ik kon het hem nog net geven. Later hoorden we dat mijn oma het briefje had ontvangen. Een latere brief kwam retour — men had niet de moeite genomen het nieuwe adres van mijn oma op te zoeken. 

Langzaam begonnen steeds meer mensen te vertrekken om herenigd te worden met hun gezinnen. Naar Bandoeng ging het per trein, onder zware bewaking. Vader drong er in brieven op aan dat wij zo snel mogelijk naar Tjimahi moesten komen; daar was het nog rustig. We moesten wachten op onze beurt — maar eind oktober was het eindelijk zover.

Hoofdstuk VIII: Via Tjimahi naar Nederland

Op 31 oktober 1945 pakten we onze schamele bezittingen bij elkaar en vertrokken naar het station. Hoe we er precies kwamen weet ik niet meer — waarschijnlijk in vrachtwagens, onder gewapende begeleiding. We werden in een geblindeerde trein gezet. Bij elke ingang stonden zwaarbewapende militairen. Voor onze trein reed een aparte locomotief, eveneens bewapend en in radiocontact met ons. 

We hoorden waarom: bij eerdere transporten hadden opstandelingen een trein laten ontsporen en de inzittenden vermoord. Door een voorrijdende locomotief kon een obstakel op de rails op tijd worden ontdekt. 

Af en toe stond de trein stil. Bij Tjikampek zagen we door de kieren van de ramen een grote groep jonge Inlanders staan, bewapend met bamboesperen. Het was een angstaanjagend gezicht. 

Toch kwamen we veilig in Bandoeng aan. Later hoorden we dat dit het laatste transport per trein was geweest — het werd te gevaarlijk. Voortaan gingen de transporten per vliegtuig, al was ook dat niet zonder risico. Een toestel had eens een noodlanding gemaakt; het volgende vliegtuig zag de passagiers ongedeerd rondlopen. Toen de reddingsploegen arriveerden, bleken ze in de tussentijd allemaal vermoord. 

In Bandoeng werden we naar de school van de zusters Ursulinen aan de Merdikaweg gebracht, in afwachting van ons vertrek naar Hotel Homann. Daar ontmoetten we tot onze verrassing Guus Saaltink, die vóór de oorlog twee huizen bij ons vandaan had gewoond. Hij moest met een vrachtauto naar Tjimahi en bood ons aan mee te rijden. Dat aanbod grepen we met beide handen aan. 

Moeder zat voorin bij Guus; ik zat achterin de bak. Met grote vaart reed hij naar Tjimahi, waar we eindelijk vader, Sies en Paul terugzagen. Ze zaten in het Baros 6‑jongenskamp en woonden nu met zijn drieën in een klein huis op nummer 15b. Voor de capitulatie hadden ze er met elf mensen gezeten. Ze hadden wat meubels kunnen bemachtigen en we zaten er, vergeleken met de kampen, bijna luxe. Sies bakte ter ere van onze thuiskomst een koek op de anglo — iets wat hij uitstekend kon. 

De volgende ochtend ging ik met de jongens naar de pasar, vlak bij het kamp. Ik wist niet wat me overkwam: zomaar veilig over straat lopen, zonder angst afdingen op de markt. Het voelde bijna onwerkelijk. 

Maar het duurde niet lang. Op 25 november, rond vijf uur ’s middags, kregen we plotseling bevel ons onmiddellijk klaar te maken voor evacuatie naar het grote kamp in Tjimahi. Volgens geruchten had de leiding een waarschuwing gekregen dat Inlanders van plan waren ons kamp diezelfde nacht aan te vallen. 

Nog die avond werden we naar kamp 4 gebracht. Mannen, vrouwen en kinderen lagen naast elkaar in grote barakken. Ook het Baros‑mannen­kamp had moeten vluchten. De volgende dag kregen we een klein kamertje voor zeven personen. Gelukkig konden we na korte tijd verhuizen naar een grotere kamer aan de achterkant van huis 11, vlak bij de bilikschutting. 

Deze huizen — voormalige officierswoningen — lagen aan de buitenrand van het kamp. Mijn ouders maakten een bed van twee banken met deuren erop; ik sliep op een houten slaapbank. Sies en Paul hadden een eigen goedangkamertje met deuren op koffers als bed. 

In de voorkamer zaten Brits‑Indische soldaten onder leiding van een Engelsman. Officieel mochten we geen contact met hen hebben, maar één van hen kreeg medelijden met ons. Hij bracht ons stiekem pannenkoeken met kerriesaus en blikjes vruchten op sap. We noemden hem “Blikkie”. Soms kwam hij stilletjes binnen en praatte met vader over de tijd vóór de oorlog en over de verhoudingen tussen Europeanen, Inlanders en Indo’s. 

Begin december kregen we een RAPWI‑pakket: één pakket voor zes mensen. Er zaten blikjes vruchten, vlees, breikatoen, melkpoeder en briefpapier in. Het was weinig, maar voelde als een feest.

Door de gevaarlijke situatie buiten het kamp was er bijna niets meer te koop. We kregen nauwelijks groente, fruit of brood. Onze voeding bestond uit rijst met saus of droge rijst, en ’s ochtends pap van meel in water. Moeder schreef aan Kees: “Vader en ik snakken naar een kopje koffie, maar dat krijgen wij niet.” 

De saus — corned mutton — noemden we “snotsoep”: slijmerig, vet en voor mij nauwelijks te verdragen. Ik kreeg geelzucht en was voortdurend misselijk. De dokter zei dat ik fruit moest eten, maar waar moesten we dat vandaan halen? Het was levensgevaarlijk om het kamp uit te gaan. 

Later kwam er weer wat groente binnen, maar volgens zeggen werd het beste er in Batavia uitgehaald, daarna in Bandoeng, daarna in de kampen van Tjimahi — en wij kregen het restje: zwart, verlept en slijmerig. Het paste perfect bij de snotsoep. 

Het kamp werd bewaakt door Brits‑Indische militairen onder Engelse leiding, geassisteerd door Japanners. Het bizarre was dat Nederlanders geen wapens mochten hebben, maar de Japanners wel. 

Het kamp werd regelmatig beschoten door Inlanders. Buiten de bilik wandelen was levensgevaarlijk. Toen Sies, Paul en ik dat eens deden en net terug waren binnen de poort, barstte het schieten los. Een ouder echtpaar dat achter ons liep werd dodelijk getroffen. We hadden opnieuw geluk gehad. 

We gingen eens kijken bij de voormalige militaire sociëteit, net buiten het kamp. Het was er doodstil en ik vond het griezelig. In de buurt lag een zwembad, maar het water was zo vies en vol kikkers dat het meer op een modderpoel leek. 

In december kregen we een brief van Kees uit Singapore. Hij was op zijn verjaardag, 3 december, met de Egra vertrokken en zou met de Nieuw‑Amsterdam verder reizen naar Nederland. 

Kerstmis kwam — de eerste als “vrije” mensen. Voor het eerst in jaren konden we naar een Mis, zelfs een gezongen Mis met kerstliederen. Ik was diep ontroerd. Verder was de dag niet veel anders dan andere dagen. 

Op oudejaarsavond was er feest. Er werd gedanst en er was drank — wat het ook was, ik vond het niet lekker en dronk niet. De anderen waren niets meer gewend en werden snel vrolijk. Een man vertelde moppen; de meesten vond ik flauw. Ik kende niemand van mijn leeftijd en ging na middernacht naar bed. 

Van Kees kregen we bericht vanaf de Staffordshire. Hij had weken in Singapore gezeten en was eind december naar Engeland vertrokken, vanwaar hij naar Nederland zou reizen. 

In januari 1946 moesten we opnieuw verhuizen. Het huis werd nodig geacht voor de Indiase militaire bewaking. We kwamen in huis 6 terecht, met twee kamers. Het lag aan de schutting van een klein kamp waar onze Japanse bewakers zaten. 

We hadden geen militairen meer in huis, maar wel muizen. ’s Avonds, als we huiswerk maakten, kwamen ze tevoorschijn om kruimels op te eten. Moeder was doodsbang voor muizen. Toen er een in de kamer verscheen, probeerde vader hem te verjagen en raakte hem per ongeluk met zijn schoen. Het beest lag versuft. Wij beloofden hem ver weg los te laten, droegen hem voorzichtig naar buiten en zagen hem gelukkig wegrennen. 

Er was een zwembad in het kamp, min of meer bruikbaar. Ik ging er één keer zwemmen met een meisje dat ik had leren kennen. Het bad was overvol; je kon alleen ronddobberen. Het water was vies en ik liep prompt een oogontsteking op. Elke ochtend zaten mijn ogen dichtgeplakt. Ik ging naar de dokter voor druppels. Het meisje bleef ondanks haar ontsteking zwemmen; ik niet meer. 

In de mannenkampen zaten veel wandluizen. Wij hadden er in Tjihapit en Tjideng geen last van gehad, maar hier wemelde het ervan. Elke avond spande ik een klamboe over mijn bed en elke ochtend moest ik de luizen die zich bovenin verzamelden dooddrukken. Ze stonken verschrikkelijk. ’s Nachts voelde ik ze op me vallen. We konden schoonmaken wat we wilden — ze bleven terugkomen. 

Soms zaten we rustig huiswerk te maken als er plotseling hevig geschoten werd. Vader stormde naar binnen, maar de jongens waren altijd sneller en al verdwenen om te kijken. Hij kon hen nooit tegenhouden. Ik ben een paar keer meegegaan, maar zag meestal weinig. 

Ik herinner me dat de peloppers loopgraven aanlegden op het race-terrein vlak bij de schutting. Onze Hollandse jongens vroegen de Engelse commandant toestemming om te schieten, maar dat werd verboden. De Inlanders konden zich dus rustig ingraven, klaar om later het kamp te beschieten. Het was een frustrerende tijd. 

Ook de Chinezen hadden het zwaar. Velen werden gemarteld of vermoord. Op een nacht kwam een Chinese winkelier ons kamp binnen wankelen, hevig bloedend — zijn handen waren afgehakt en zijn winkel was in brand gestoken. De peloppers beweerden dat hij iets aan Nederlanders had verkocht. 

Het eten verbeterde iets: we kregen ’s ochtends brood zonder beleg. Verder bleef het rijst met snotsoep of droge rijst. We kregen wat melkpoeder. Door de geelzucht was ik zwak en had ik soms duizeligheidsaanvallen. Op zulke dagen kon ik niet opstaan; alles draaide. 

Blijkbaar waren moeder en ik er slecht aan toe, want we kregen een beetje melk. In de drie kampen van Tjimahi was één koe; de melk werd verdeeld. 

De dokter drong erop aan dat we zo snel mogelijk naar Nederland zouden gaan. Hij wilde ons op de urgentielijst zetten. Maar moeder wilde vader niet opnieuw achterlaten. Mannen moesten wachten op toestemming van het Departement van Oorlog, wat lang kon duren. Ze wilde wachten tot we samen konden vertrekken. 

Na veel aandringen wist vader haar toch te overtuigen. In maart 1946 kregen we bericht dat we op 16 maart zouden vertrekken. Maar kort voor vertrek werd het afgezegd: het Nederlandse schip dat vóór ons zou gaan, was door de Engelsen gevorderd om hun eigen troepen te vervoeren. 

Op de avond van de 15e kregen we onverwacht bericht dat we de volgende ochtend toch moesten vertrekken — met de Kota Agoeng. Dit schip was groter en had nog plaatsen voor urgente gevallen. 

De volgende ochtend namen we afscheid van vader. Het was moeilijk hem opnieuw achter te laten, in zo’n onzekere situatie. We werden met vrachtauto’s naar vliegveld Andir gebracht. In grote loodsen lagen mannen, vrouwen en kinderen door elkaar. 

’s Middags ontdekten we een kantine in een hangar, met tafeltjes en tekeningen aan de muur. Later konden we baden in een lange barak met mandibakken — grote cementen bakken met koud water. 

De volgende ochtend begonnen Inlanders rondom het vliegveld te schieten. Het ging de hele dag door. Het was te gevaarlijk om te vertrekken. Soms vlogen kogels over de loodsen. We mochten er niet uit. Overal zagen we rook van branden. 

Pas op de namiddag van de 18e hield het schieten op. We gingen naar het vliegtuig, maar toen barstte een hevig onweer los. We moesten schuilen. Eindelijk konden we instappen: een Dakota‑transportvliegtuig, met lange banken langs de wanden. 

We stegen op. Ik probeerde Tjimahi te zien, maar zat aan de verkeerde kant. Moeder en Paul zagen het wel. Het toestel vloog laag en langzaam. Aan boord waren bewapende militairen — een voorzorgsmaatregel sinds de moord op de inzittenden van een eerder toestel dat een noodlanding had gemaakt. 

We kwamen veilig aan op Tjililitan. Het schemerde en het personeel was al weg; ons toestel werd niet meer verwacht. We stonden daar met onze bagage, zonder te weten wat te doen. 

Een militair ging hulp zoeken. Na lange tijd kwam er een vrachtauto die ons naar de stad bracht. We werden ondergebracht in het gebouw van het vroegere Departement van Justitie. In grote zalen installeerden we ons opnieuw. Tot onze vreugde zagen we onze “slapies” van het vliegveld terug. 

Die avond gingen we met onze buurman en zijn vrouw op verkenning. Aan de overkant van het kanaal was een sociëteit voor marine‑officieren. We gingen naar binnen en besloten een glaasje wijn te drinken op onze behouden aankomst. 

Na één glas stond ik al op mijn kop — ik was niets meer gewend. Een marineman waarschuwde ons geen tweede glas te nemen: het was bocht, en een kameraad van hem was er laatst na twee glazen bijna aan onderdoor gegaan. We namen zijn advies ter harte. 

We zwalkten giechelend over het bruggetje terug naar ons nachtverblijf. 

De volgende dag hadden we gelukkig geen last van de wijn. We werden naar Tandjoeng Priok gebracht. Onderweg zagen we in het kanaal een lichaam drijven — waarschijnlijk vermoord. Het was een afschuwelijk afscheid van Indië. 

In Priok werden we ingedeeld en kregen dekens. We hadden geluk: moeder en ik kwamen in het middelste ruim van de Kota Agoeng, ruim vier — de plek waar je het minst last had van het slingeren.

De Kota Agoeng was een vrachtschip dat in Amerika tot troepentransportschip was omgebouwd. In tegenstelling tot de Engelse schepen had het geen hangmatten, maar opklapbare bedden van zeildoek op ijzeren frames, vier hoog. 

Omdat ons ruim eigenlijk voor vrouwelijke corveeërs was, hadden we iets meer ruimte: de twee onderste bedden mochten opgeklapt blijven. Het derde bed gebruikten we voor onze spullen; op het bovenste sliepen we. 

In andere ruimen lagen mensen twee of drie hoog, met hun bagage op het onderste bed. 

Het was heet in de ruimen. Later, in de Rode Zee, werd het koud en kregen we een extra deken. De badruimtes waren lange gangen met douches en toiletten naast elkaar — privacy bestond niet. De corveeërs hadden hun eigen voorzieningen met zoet water; wij moesten het met zout water doen. 

Na enige tijd ging ik stiekem douchen bij de corveeërs. ’s Avonds deed ik het licht uit en vond de douche bij het schijnsel uit het andere ruim. Als ik de kraan opendraaide, stroomden er lichtgevende planktonpuntjes over me heen — een klein wondertje in het donker. 

Ons schip was in Amerika bevoorraad en had uitstekend eten. We aten in ploegen. Je nam een blad, liep langs een balie en schepte op wat je wilde. Maar ik kon het eten niet verdragen. Ik nam kleine beetjes en liet zelfs daarvan nog wat staan. Pas op het eind van de reis liet ik me overhalen naar de dokter te gaan. Hij constateerde een ernstig vitaminegebrek en gaf me vitamines — maar toen waren we al bijna in Nederland. 

Op 20 maart vertrokken we uit Priok. Ik voelde me verdrietig toen Java langzaam achter ons verdween. Ik had het gevoel dat ik het land nooit meer zou terugzien. 

De reis was prachtig. De zee lag er vaak bij als olie. We voeren door de Straat Soenda, maar ik kon Krakatau niet ontdekken. Daarna ging het rechtstreeks naar de Rode Zee. We zagen potvissen, kwallen en een haai die ons wekenlang volgde. 

Vlak voor de Straat Bab el Mandeb kregen we machineschade en lagen stil. Toen we verder konden, was het op halve kracht. Op 31 maart voeren we de smalle doorgang binnen. Aan de Afrikaanse kant zag ik de berg die op een liggende leeuw leek — precies zoals ik ooit had gelezen. 

Op 5 april kwamen we aan bij Adabeya, voor Suez. We werden met bootjes naar de wal gebracht en in een goederenwagon geladen. Het was bloedheet. We reden door de woestijn naar Ataka, een groot loodsencomplex. 

Binnen hing een spandoek met “welkom”. Een spreker hield een toespraak — ik weet niet meer wat hij zei. 

In de enorme hal was een speelplaats voor kinderen, een bandje van Duitse krijgsgevangenen dat dansmuziek speelde, en lange tafels vol lekkers. Aan de andere kant kregen we warme kleding: een groene jurk, een slobberige mantel, wollen kousen, ondergoed, schoenen, een wollen muts, shawl, handschoenen, tandpasta en een tandenborstel. 

De vrouwen kregen een canvas tas, de mannen een plunjezak. De kleding was foeilelijk, maar we waren er blij mee — eindelijk iets warms. 

Daarna gingen we terug naar het schip. 

Op 7 april voeren we door de sluis van Suez. Terwijl we langzaam passeerden, begonnen de kerkklokken te luiden. Ik had dat geluid in jaren niet gehoord en het ontroerde me diep. 

Even later riep een Arabier ons in het Nederlands een goede reis toe. Hij sprak waarschijnlijk elke taal van de schepen die hier passeerden. 

We mochten boven op de geschutstorens staan en hadden een prachtig uitzicht over het kanaal: woestijn aan de ene kant, bebouwing en oases aan de andere. 

Langs de kant zaten Europeanen op fietsen. Ze wachtten tot we langszij kwamen, sprongen dan op en raceten ons vooruit, om even verderop weer te gaan zitten. Wij joelden naar hen. 

We passeerden veerponten, kamelen, dromedarissen en een Duits krijgsgevangenenkamp waar mannen vrolijk om ons schip heen zwommen. 

’s Avonds kwamen we in Port Saïd aan, waar we drie uur zouden blijven liggen. Aan wal mochten we niet; alleen de bemanning kreeg toestemming om van boord te gaan. Op het dek verschenen ondertussen allerlei Arabische verkopers die probeerden hun waar aan ons te slijten. We waren gewaarschuwd voor oplichterij, dus alle patrijspoorten bleven gesloten en de toegangen naar binnen werden bewaakt. Toch trapten sommige mensen erin.

Een jongen vertelde dat een man hem zenuwachtig had benaderd en hem dringend had meegenomen naar een donker hoekje. Daar liet hij een ring zien met twee “diamantjes”. Hij beweerde dat hij het sieraad gestolen had en het snel kwijt moest. De jongen wilde de ring in het volle licht bekijken, maar de verkoper werd toen nog zenuwachtiger. Dat maakte het verhaal voor hem alleen maar geloofwaardiger, en hij kocht de ring voor een zacht prijsje. Pas later, bij goed licht, ontdekte hij dat hij bedrogen was: de “diamanten” waren gewoon glas.

De volgende dag voeren we verder. We passeerden het standbeeld van Ferdinand de Lesseps, de ontwerper van het Suezkanaal — een beeld dat tijdens de Suez‑crisis in de jaren zeventig helaas is vernietigd. Ook zagen we het bekende warenhuis Simon Arz, dat voor veel Indië‑reizigers een vertrouwd gezicht was.

Het weer bleef prachtig en de reis verliep voorspoedig. Op 13 april, in de buurt van Gibraltar, werd er een gekostumeerd bal georganiseerd. Iedereen kon gekleurd papier en andere materialen ophalen om een kostuum te maken. Het meisje met wie ik in die tijd omging en ik besloten iets te doen met het vele “gappen” aan boord — er werd namelijk ongelooflijk veel gestolen: dekens, bestek, van alles. We sloegen allebei een deken om, beplakt met uit papier geknipte lepels, vorken en messen. Op mijn rug hing een bordje met: “Gestolen goed gedijt niet.”Wat er op haar bordje stond weet ik niet meer.

Later op de avond werden prijzen uitgereikt. Tot onze verrassing wonnen wij de eerste prijs voor het origineelste kostuum: een pocketboekje. Ik vond het alleen jammer dat we net vóór het bal dicht langs de kust van Gibraltar voeren. Ik ben nog snel even naar het bovendek gegaan om er iets van te zien.

Op de Atlantische Oceaan bleef het weer rustig en helder. De kapitein deed ons een plezier door zo dicht mogelijk langs de kust van Portugal te varen. Zo konden we Kaap Sint‑Vincent op 14 april en Kaap Finisterre op 15 april goed zien.

Toen we verder de oceaan op gingen, moesten we sloepenrol oefenen. Dat werd een ware klucht. Bij het alarm moesten we naar het ruim rennen, een reddingsvest pakken en zo snel mogelijk naar onze aangewezen plek op het bovendek gaan. Omdat er niet genoeg sloepen waren, zouden de meeste mensen bij een echte noodsituatie op grote vlotten moeten. Tijdens de oefening liep iedereen echter op zijn gemak naar beneden, zocht rustig een passend vest uit en wandelde naar boven. Corveeërs speelden “zieken” op brancards, maar lieten die onder veel gelach vallen. De kapitein stond witheet toe te kijken en hield uiteindelijk een donderpreek: dit was geen grap, de Noordzee lag vol mijnen. Enkele dagen later moesten we de oefening opnieuw doen — ditmaal zoals het hoorde.

Op 17 april kwamen we bij Het Kanaal en belandden in een dichte, ondoordringbare mist. We moesten de hele dag onze reddingsvesten dragen; zonder vest kwamen we de eetzaal niet in. Het schip voer op halve kracht en de misthoorn klonk voortdurend. Toen de mist nog dichter werd, gingen we stil liggen. In plaats van de misthoorn werd nu een bel geluid — het teken dat een schip stilligt. Omdat niemand was gewaarschuwd, brak er even paniek uit: een bel betekende immers brandalarm. Gelukkig werd snel omgeroepen dat er niets aan de hand was en dat we alleen stil lagen vanwege de mist. De rust keerde terug.

Hoofdstuk IX: In Nederland

Na een volle dag stilgelegen te hebben trok de mist eindelijk op. Langzaam, voorzichtig — vanwege de mijnen — voeren we op 19 april 1946 Amsterdam binnen. In het Noord‑Hollands Kanaal riep meneer Frowijn, een kennis van moeder, dat ik haar snel moest waarschuwen. Hij was helemaal lyrisch: hoe mooi Nederland toch was! 

Ik vond er niets aan. Een plat land, eindeloze weiden met wat koeien, een gure wind en een sombere grijze lucht. Het voelde koud, leeg en vreemd. 

In Amsterdam waren de havenarbeiders in staking. Daarom stonden er lange rijen mariniers op de kade om ons te helpen. Toen het schip aanlegde, werd het Wilhelmus gespeeld. Er werd een toespraak gehouden, maar ik hoorde hem nauwelijks — de herrie, de drukte, de verwarring. Daarna mochten we van boord en kwamen in grote loodsen waar we iets te drinken kregen. 

Moeder kreeg een papier met een toespraak van de koningin. De jongens en ik kregen elk een speciale versie voor kinderen. 

Na registratie en het ontvangen van bonnen en andere papieren moesten we in een bus stappen die via Den Haag, Rotterdam, Breda en Eindhoven naar Zuid‑Limburg reed. In Rotterdam waren we diep onder de indruk van de enorme verwoesting door het bombardement van mei 1940. 

Onderweg stapten steeds mensen uit, tot ook wij op onze bestemming kwamen. In Eindhoven reed de bus naar het adres van oom Lambert, de broer van moeder. Hoe die eerste dagen precies waren, weet ik niet meer. Alles was vreemd, verwarrend, overweldigend. Er kwamen familieleden langs die ik niet kende. 

Ik ging met mijn nichtje naar de groenteboer. De winkel stond vol mensen die dialect spraken dat ik nauwelijks verstond. Iedereen keek me na — mijn bruine tropenkleur viel op. Ik voelde me bekeken, anders, niet thuis. 

Ik verlangde niet terug naar de chaos in Indië, maar ik had wél een intens heimwee naar de zon, de warmte, de bergen, de bloemen en geuren van mijn jeugd. Hier was het koud, guur en grauw. 

En de mensen… ze waren totaal niet geïnteresseerd in hoe wij hadden geleefd, of wat we in de oorlog hadden meegemaakt. We moesten vooral luisteren naar hún verhalen: hoe ver ze hadden moeten lopen om melk te halen, hoe zwaar het was geweest. En ja — de Joden hadden het pas erg gehad. 

Maar dat wij drieënhalf jaar in kampen hadden gezeten, dat onze familie ternauwernood had overleefd — daar leek niemand naar te willen luisteren. 

Sommigen zeiden zelfs dat wij “kolonialen” waren die de arme Inlanders hadden uitgezogen. Anderen misgunden ons de dubbele bonnen die we het eerste half jaar kregen om aan te sterken. 

Bij een tante waar ik tijdelijk woonde, mocht ik blijven tot ik geen dubbele bonnen meer kreeg. Zij profiteerde ervan, want mijn maag verdroeg nog steeds bijna niets en ik at maar mondjesmaat. 

Kort na onze aankomst nam moeder contact op met meneer Lap, directeur van de Philips

Bedrijfsschool en jeugdvriend van vader. Zij besloten dat het het beste was als ik zo snel mogelijk ging werken — waarschijnlijk omdat moeder weinig geld had en extra inkomen welkom was. 

Ik solliciteerde op 29 april 1946 bij Philips. Bij de medische keuring werd ik meteen doorgestuurd naar de huisarts: mijn nieren waren niet in orde. Wat er precies mis was, werd in die tijd niet verteld. Ik kreeg een zoutarm dieet en moest een maand rust houden. Daarna werd ik opnieuw gekeurd en aangenomen. 

Ik had in de oorlog veel last gehad van kampzweren, en ook in Nederland kwamen ze steeds terug. Elke kras werd een grote zweer. Ik moest elke dag een flink eind lopen naar mijn werk, wat de genezing niet hielp. De huidarts gaf me steeds hetzelfde smeersel dat niets deed. Pas toen moeder hem een ander middel aanraadde — en hij dat eindelijk voorschreef — verdwenen de zweren, samen met een periode van rust. 

Op 28 juni 1946 kwam vader tot onze grote vreugde in Nederland aan. Hij kwam ook bij oom Lambert in huis. Kees lag eerst in het ziekenhuis en kon pas in 1947 naar de TH in Delft. 

Sies en Paul kregen tijdelijk onderdak bij twee oude dames en kwamen later bij familie terecht, respectievelijk in Den Haag en Breda. Toen mijn tante mij wegstuurde, mocht ik slapen bij dezelfde dames waar de jongens eerst hadden gezeten.

We leefden allemaal op verschillende adressen. Pas na anderhalf jaar kregen we een woning toegewezen. We hadden niets meer — mijn ouders moesten alles opnieuw aanschaffen. 

Toen vader dacht iets te kunnen doen met het geld van Kees’ studiebeurs, kreeg hij te horen dat het niet doorging: omdat hij tijdens de oorlog geen premie voor zijn levensverzekering had betaald, werd het bedrag verrekend. Dat hij al die jaren geen salaris had ontvangen, interesseerde niemand. 

Vader wilde niet terug naar Indië. Het gezin zou dan opnieuw uit elkaar vallen, en wij konden niet mee — er was nauwelijks onderwijs. Hij kreeg hier een baan, maar moest werken tegen het salaris van een beginneling. Zijn 25 jaar ervaring telde niet mee. 

Mijn eigen achterstand op school interesseerde niemand. Toen ik besloot het avondlyceum te volgen, kreeg ik geen enkele steun. Mijn baas bij Philips zei zelfs: “Niemand kan twee heren dienen.” 

Ik vond veel Nederlanders bekrompen in hun opvattingen. In Indië keek niemand naar godsdienst; de pastoor en de dominee konden het prima met elkaar vinden. Hier leek het alsof je niet met iemand van een ander geloof kon omgaan. 

Ik verlangde naar een echte vriendin. Daarom was ik blij toen ik Riek Snijders ontmoette, een meisje dat ik nog vaag kende uit Padang. 

In september 1947 kregen we eindelijk een woning en waren we weer samen. Ik besefte toen — en nu nog steeds — hoe ongelooflijk gelukkig we waren dat we allemaal nog leefden. 

Toen Frans en ik elkaar vonden en in 1953 trouwden, hadden we veel steun aan elkaar. We hadden allebei moeite om te wennen aan het leven in Nederland en wilden weg. Pas toen we in 1963, na drie jaar België, terugkeerden, begonnen we Nederland echt te waarderen en zagen we dat er hier óók veel goeds was.

Dieren, december 1994

Foto voorkant kaft boek mam_v5
Foto achterkant kaft boek mam_v2