Inleiding
Sommige levens lijken klein wanneer je ze van buitenaf bekijkt — een stille vrouw, een bescheiden oma, iemand die nooit veel over zichzelf sprak. Maar achter die stilte schuilt soms een geschiedenis die generaties draagt. Zo is het ook met Rihana Soehairan, onze oma van Esch.
Haar leven begon in Tjiandjoer, rond 1900, in een tijd waarin “geen formele gebeurtenissen zoals geboorte, huwelijk, overlijden e.d. van inlandse mensen in Indië geregistreerd werden” (document). Veel van haar vroege leven is daardoor in nevelen gehuld.
Maar wat we wél weten, en wat we dankzij familieherinneringen opnieuw zichtbaar kunnen maken, is het verhaal van een vrouw die haar eigen pad koos, die vluchtte voor een gedwongen huwelijk, die haar gezin door oorlog en honger heen droeg, en die uiteindelijk haar laatste jaren in Nederland doorbracht — omringd door kinderen en kleinkinderen die haar liefhadden.
Het verhaal dat hier volgt is opgebouwd uit documenten, herinneringen en familie‑anekdotes. Zoals Bert schrijft: “Ik herken haar als een lief stil en klein omaatje waar ik graag bij wilde zijn.” En zoals een ander familielid zegt: “Oma had een hele sterke geest en was zeer gelovig.”
Dit is het levensverhaal van een vrouw die veel heeft verloren, maar nooit haar waardigheid, haar geloof of haar liefde voor haar kinderen.
Het Levensverhaal van Oma van Esch
Een familievertelling
Er zijn van die mensen die je hele leven bij je blijven, niet omdat ze veel spraken, maar omdat hun aanwezigheid zacht en onverwoestbaar was.
Zo was onze oma: klein, stil, met een blik die tegelijk zorgelijk en liefdevol kon zijn. Een vrouw die meer had meegemaakt dan ze ooit onder woorden bracht, maar die in haar stilte een hele wereld meedroeg.

De oorsprong van een stille kracht
Oma werd rond 1900 geboren in Tjiandjoer, als Rihana Soehairan, dochter van Hanapi en Koeraesin. Over haar jeugd weten we weinig — in die tijd werden “geen formele gebeurtenissen zoals geboorte, huwelijk, overlijden e.d. van inlandse mensen in Indië geregistreerd”. Wat we wel weten, is dat ze opgroeide in een omgeving waar tradities zwaar wogen en waar familiebanden richting gaven aan je toekomst.
Ze trouwde jong, met een man uit Tjiandjoer, Moeskahar. Toen hij overleed, trad een oude gewoonte in werking: de weduwe moest trouwen met een broer van de overledene. Maar oma wilde dat niet. En dus deed ze iets wat voor een jonge vrouw in die tijd ongewoon en moedig was: ze vluchtte. Ze liet haar ouders achter, haar familie, haar hele wereld — en vertrok naar Bandung of Tjimahi, vastbesloten haar eigen leven te kiezen.
Een nieuw begin
In die nieuwe stad werkte oma als naaister. Het was daar, ergens tussen stof, garen en het ritme van de naaimachine, dat ze opa van Esch ontmoette. Hij was KNIL‑militair, zij een jonge vrouw die haar eigen weg had gekozen. Ze kregen een relatie, en in 1924 werd hun eerste kind geboren: tante Marie.
Op 16 maart 1927 trouwden opa en oma in Bandung. Hij was 28, zij 27. Het begin van een groot gezin — en een leven dat hen door vreugde, verlies, oorlog en migratie zou voeren.
Een gezin dat groeide en verloor
De jaren die volgden waren gevuld met geboortes, verhuizingen en verdriet. Oma bracht veel kinderen ter wereld, maar verloor er ook drie — alle drie jongetjes die de naam Jan droegen. In de familie leeft nog altijd het verhaal dat oma alles probeerde om de vloek te doorbreken: meisjeskleren, niet op de grond mogen komen, oorbelletjes in de oren van de jongens.
Zoals een familielid vertelde: “M’n pa had in allebei zijn oren een gaatje… ik herkende het verhaal dat er een vloek was omtrent de Jantjes.”
Het waren jaren waarin oma haar kinderen beschermde met alles wat ze had — geloof, rituelen, liefde, en soms pure overlevingsdrang.
De oorlogsjaren
Toen de oorlog uitbrak, woonde het gezin aan de Groote Postweg 1532 in Tjimahi. Opa werd in april 1942 krijgsgevangen genomen en belandde in kamp Baros 5. Oma bleef achter met zes kinderen, de oudste 18, de jongste 9.
Hoe ze dat heeft gedaan, weten we niet precies. Maar we weten wél dat ze rissolles maakte om te verkopen langs de weg. De kinderen hielpen mee — ieder met zijn eigen herinneringen.
Zoals één van hen zei: “Oom Harry was niet zo’n goede verkoper… wat niet was verkocht, probeerde mijn moeder alsnog te verkopen.”
En er waren de donkere herinneringen die pas veel later werden uitgesproken: “Hij zag mensen opgeknoopt aan een boom bungelen… het was een verschrikkelijke tijd.”
Oma droeg haar gezin door die jaren heen, zonder man, zonder zekerheid, maar met een onverzettelijke kracht.
Na de oorlog: een gezin dat opnieuw moest leren leven
Toen de oorlog eindelijk voorbij was, kwam opa vrij uit kamp Baros 5. Het was 9 mei 1946 toen opa en oma met een deel van het gezin — ome Bert, tante Nel, tante Tilly en ome Harry — naar Nederland gingen voor verlof. Tante Marie en tante Anna bleven in Indië; zij waren inmiddels getrouwd.
Maar wat voor de buitenwereld misschien een tijdelijk afscheid leek, werd voor opa een definitieve scheiding van zijn oude leven. Hij keerde niet meer terug naar Indië. Oma wel — alleen, met de kinderen, opnieuw verantwoordelijk voor alles. Ze bleef tot 1958 in Indonesië wonen, een periode waarin ze haar gezin droeg zonder partner, zonder zekerheid, maar met dezelfde onverzettelijke kracht die haar door de oorlog had geleid. Opa en oma zijn “op papier nooit gescheiden geweest”, maar in werkelijkheid leefden ze al jaren gescheiden werelden.
De reis naar Nederland (1958)
In 1958 vroeg oma een paspoort aan om naar Nederland te reizen. Ze liet haar vertrouwde omgeving achter — de huizen, de geuren, de taal, de herinneringen aan haar kinderen die ze had verloren — en begon aan een nieuwe, onbekende fase van haar leven.
Ze kwam terecht op de Hillevliet in Rotterdam, bij haar kinderen en kleinkinderen. Voor velen van hen was dit de eerste keer dat ze oma echt leerden kennen. En wat ze leerden kennen, was een vrouw die zacht sprak, maar veel voelde; die zorgzaam was, maar ook getekend door alles wat ze had meegemaakt.
Zoals Bert schreef: “Ik herken haar als een lief stil en klein omaatje waar ik graag bij wilde zijn.”






Bron: Roosjeroos.nl
Het leven op Hillevliet
Oma sliep in dezelfde kamer als Bert — niet op een bed, maar op een houten kist die militairen gebruikten om hun spullen te vervoeren. Dat was geen armoede, maar geloof. Oma wilde met haar hoofd richting het oosten liggen, zoals het hoort in haar traditie. Een gewoon bed paste niet in die richting, maar de kist wel.
Ze hield van de kinderen. Ze hield van alle kinderen. Als er visite kwam, als er buurkinderen binnenliepen, als er een baby werd geboren — dan verscheen er een glimlach op haar gezicht die je niet snel vergat.
Toen in 1959 haar kleinzoon Jan werd geboren, voelde dat voor haar als een wonder. Na drie verloren Jantjes in Indië was dit een genezende, helende naam.
Een gestolen tas en een gebroken vertrouwen
Er is een herinnering die vaak wordt verteld, omdat hij zo tekenend is voor oma’s open, eerlijke hart. Ze was op de markt in Rotterdam-Zuid geweest en had twee kippen gekocht. Haar tas werd gestolen. Oma kwam overstuur thuis en zei tegen haar dochter:
“Ik wist niet dat Hollanders stelen.”
Het was geen verwijt — het was verbazing. Een wereldbeeld dat kantelde.
Pijn die niet werd uitgesproken
Soms wilde oma op zondag met de auto langs de Schiekade rijden. Daar woonde opa — niet alleen, maar met een oude schoolvriendin. Dan werd oma boos, echt boos, en noemde ze die vrouw een “hoer”. Pas later begrepen de kinderen waarom. Het was niet alleen jaloezie. Het was verlies. Het was verraad. Het was het besef dat ze de oorlog alleen had gedragen, dat ze haar man had teruggewacht, en dat hij niet meer terugkwam.

Een nieuw thuis in Rotterdam - Zuid
Na de Hillevliet woonde oma bij twee Indische vrouwen in Vreewijk. Daarna kreeg ze een eigen huisje in het Nooddorp Wielewaal in Pendrecht. Een klein huis, een klein tuintje — maar het was háár plek. Kinderen en kleinkinderen kwamen er graag. Er was altijd warmte. Er waren altijd rissolles. Er was altijd oma.
Haar laatste dag
Oma kreeg tijdens het koken een hersenbloeding. Ze werd opgenomen in het Dijkzigt‑ziekenhuis, waar ze op 16 september 1960 overleed.
De familie nam afscheid op de traditionele Mohammedaanse manier. Vrouwen baden voor haar, wasten haar, wikkelden haar in witte lakens. Het gebeurde in de slaapkamer op de Hillevliet — dezelfde plek waar ze had geslapen, had gelachen, had geleefd.
Iedereen kreeg een zilveren dubbeltje met koningin Wilhelmina erop — een klein, tastbaar stukje herinnering.
Oma werd begraven op de Zuiderbegraafplaats, op het Mohammedaanse gedeelte. Daar rust ze nog steeds.

Hillevliet rond 1959 de laatste foto die van Oma gemaakt is
Paspoort aanvraag van Oma om naar Nederland te gaan
Trouwakte van mijn opa en oma, gedateerd 24 maart 1927 te Batavia, en het uittreksel uit het stamboek van het K.N.I.L. van mijn opa,
Lambertus Hendrikus van Esch (nr. 7815).
Haar nalatenschap
Wanneer we terugkijken op het leven van oma van Esch, zien we geen grootse woorden, geen officiële documenten, geen fotoalbums vol verklaringen. Wat we zien, is iets veel waardevollers: een leven dat doorgegeven is in verhalen, in kleine gebaren, in herinneringen die generaties hebben overleefd.
Iedereen die haar kende, herinnert zich dezelfde vrouw: klein, zacht, zorgzaam, maar met een geest die niet te breken was. Zoals Liesye zei: “Oma had een hele sterke geest en was zeer gelovig.”
De risolles die ze maakte, de glimlach die verscheen als er kinderen binnenkwamen, de manier waarop ze haar kleinkinderen verwende — dat zijn de herinneringen die blijven. Maar ook de pijnlijke verhalen horen erbij: de trauma’s van de oorlog, de kinderen die moesten verkopen langs de weg, de ophangingen die gezien werden.
Er gaan in de familieverhalen dat oma van adel was. Misschien klopt dat, misschien niet — maar het past bij haar waardigheid, haar houding, haar stille trots. De namen van haar ouders komen voor in oude registraties. Er zijn aanwijzingen dat ze mogelijk verbonden waren aan priyayi‑families uit Cianjur. Of het waar is, weten we niet. Maar dat oma een vrouw van aanzien was — dat wist iedereen die haar kende.
Wat oma naliet, is geen bezit, geen papieren erfenis. Het is iets veel groters: de liefde die haar kinderen en kleinkinderen nog steeds voelen wanneer ze over haar praten. De zorg die ze gaf, zelfs wanneer ze zelf weinig had. De kracht waarmee ze haar gezin door de donkerste jaren droeg. De warmte die ze uitstraalde, zelfs wanneer haar eigen hart vol zorgen zat.
En nu, dankzij dit verhaal, ligt haar leven ook aan de Indische Verhalentafel. Zodat iedereen kan zien wie zij was: een vrouw die vluchtte voor een gedwongen huwelijk, die een nieuw leven opbouwde, die kinderen verloor en kinderen grootbracht, die oorlog overleefde, die liefde gaf, en die nooit, nooit vergeten mag worden.

COPYRIGHT
Deze website is het geestelijk eigendom van
de Stichting Nederlands-Indië & de Indische Verhalentafel
De inhoud van deze website mag niet gereproduceerd of gekopieerd worden, zonder de schriftelijke toestemming van de Stichting Nederlands-Indië.
Copyright © All rights reserved Stichting Nederlands-Indië
&
De Indische Verhalentafel