Waarom dit verhaal verteld moet worden


Dit verhaal is ontstaan uit een behoefte die niet alleen de mijne was, maar die leefde in onze hele familie, en vooral bij mijn moeder. Het was tijd om het verleden van mijn vader zichtbaar te maken, om woorden te geven aan wat lang onuitgesproken was gebleven. Terwijl hij vertelde, kwamen er herinneringen naar boven die diep verborgen hadden gelegen. Sommige waren pijnlijk, andere verhelderend, maar allemaal waren ze deel van wie hij is geworden.

Het optekenen van zijn verhaal bracht emoties met zich mee die soms zwaar waren, voor hem én voor ons die meeluisterden. Toch vond hij de moed om door te gaan, omdat hij voelde dat het belangrijk was — voor zichzelf, voor ons, en voor iedereen die wil begrijpen waar hij vandaan komt. Zijn jeugd in Indonesië, de reis naar Nederland, het zoeken naar een plek in een land dat vreemd voor hem was… het zijn ervaringen die hem gevormd hebben, en die pas echt begrepen kunnen worden wanneer ze verteld worden.

Het document dat aan de basis ligt van dit verhaal bevat aantekeningen, losse gedachten en herinneringen die soms ruw of onaf zijn. Maar juist daarin schuilt de waarde: het is eerlijk, het is echt, het is van hem. De verhalen van zijn zussen zijn ooit opgetekend door Stichting Pelita, maar vanwege privacy konden we die niet inzien. Daarom is dit verhaal vooral dat van mijn vader zelf, aangevuld met wat wij als familie wisten en voelden.

Wat hier volgt is geen perfect verslag, maar een poging om recht te doen aan zijn leven, zijn herinneringen en zijn stem. Het is een eerbetoon aan een man die veel heeft meegemaakt, en die ondanks alles de kracht vond om zijn verhaal te delen.

Alex Lohn april 2026

Er zijn verhalen die beginnen in stilte, in een huis waar de warmte van een gezin nog voelbaar is, maar waar de wereld buiten al begint te scheuren. Zo begint het leven van Lodewijk Lohn, geboren op 20 november 1942 in Jakarta, de hoofdstad van Indonesië. Hij was de jongste van zes kinderen, een baby nog, toen de oorlog hun leven binnendrong.

Zijn ouders woonden in Depok, waar zijn vader opzichter was bij de Nederlandse Spoorwegen. Het was een eenvoudig leven, maar het was hun thuis. Tot de dag dat de Japanse bezetting begon en alles veranderde. De familie moest vluchten en vond onderdak bij de broer van zijn vader in Jakarta. Het huis was groot, maar het leven erbinnen zwaar. Vijftien mensen onder één dak, weinig eten, veel angst. En toen kwamen de Japanners het huis binnen. Ze zeiden tegen zijn moeder dat ze haar man even meenamen voor ondervraging. “Hij komt terug,” zeiden ze. Maar hij kwam nooit meer thuis.

Pas in 2004, ruim zestig jaar later, kreeg de familie eindelijk antwoord. Uit de stukken van de Oorlogsgravenstichting bleek dat zijn vader krijgsgevangen was genomen op Java en op 1 april 1943 was ingescheept op de Hawai Maru, een transportschip dat honderden mannen tegelijk vervoerde. De reis ging via Singapore en Formosa, het huidige Taiwan, naar Japan. Daar, in de haven van Moji, werd hij aan land gebracht.

Hij werd grootgebracht door zijn grootouders, samen met zijn broer en zussen. Zij hielden de kinderen bij elkaar, ondanks de armoede en de harde hand van de oom bij wie ze inwoonden. Zijn zussen, toen nog maar dertien en vijftien jaar oud, moesten koekjes verkopen langs de deuren. Als ze niet genoeg verkochten, werden ze gestraft met de karawats, een gevlochten zweep die eindigde in een dunne lijn. Ook Lodewijk voelde die zweep soms. Hij had honger, altijd honger. “Soms stal ik een stukje hout of een snoepje,” schreef hij later, “niet omdat ik stout was, maar omdat ik anders niets had.”

Hij liep op blote voeten door de tropische hitte, waar het teer op de weg omhoog borrelde. Hij maakte zijn eigen speelgoed: een vlieger, een wiel zonder band dat hij voortduwde met een stok. Hij verzorgde dieren met kruiden die zijn grootmoeder maakte. Kleine stukjes geluk in een jeugd die verder vooral zwaar was.

School was er maar kort. Eerst een Nederlandse school, maar dat was niet te betalen. Daarna een Chinese school, waar hij Chinees leerde lezen en schrijven. De leerkrachten waren streng en niet altijd vriendelijk tegen Indische Nederlanders. Uiteindelijk moest hij werken.

Moji was in die tijd een plek waar duizenden krijgsgevangenen doorheen trokken. Een havenstad in het uiterste noorden van Kyushu, waar schepen vol uitgeputte mannen aankwamen. Het kamp lag vlak bij de kade. De mannen werden geregistreerd, geschoren, gedesinfecteerd en vervolgens doorgestuurd naar mijnen, fabrieken of spoorwegbouw. Maar velen haalden dat niet eens. De barakken waren overvol, de winters koud en vochtig, het eten schaars. Ziekte verspreidde zich snel. Veel mannen stierven al in Moji, nog voordat ze verder konden worden getransporteerd. Ook de vader van Lodewijk overleed daar. Volgens de Japanse gebruiken werd hij gecremeerd en zijn as werd later bijgezet in een verzamelgraf in Hodogaya.

Voor Lodewijk betekende dit dat hij eindelijk wist waar zijn vader was geweest, waar hij had geleden en waar hij rustte. Een antwoord dat zijn grootouders nooit hadden gekregen.

Kort na de oorlog verloor hij ook zijn moeder. Ze overleed op 32‑jarige leeftijd, na het eten van een giftige rubbervrucht. Er waren geen medicijnen. Lodewijk was nog klein, maar één beeld bleef hem zijn hele leven bij: “Ik zag steeds het beeld van mijn moeder, zittend tegen de muur, terwijl ze naar mij keek.” Het gemis van zijn ouders bleef als een zachte schaduw met hem meereizen.

In januari 1955 vertrok de familie met de Willem Ruys naar Nederland. Ze kwamen aan in de winter, zonder warme kleding, zonder opvang, zonder hulp. Aan boord hadden ze alleen een joggingpak gekregen, veel te dun voor de kou. Ze woonden eerst in Ede, daarna in Amsterdam, steeds bij familie, steeds tijdelijk. Tot zijn opa een brief schreef aan koningin Juliana. Dankzij die brief kreeg de familie een eigen woning in Amsterdam, die ze zelf moesten opknappen. Op de verjaardag van Lodewijk overleed zijn opa in datzelfde huis.

In Nederland bouwde hij langzaam een nieuw leven op. Hij ontmoette zijn vrouw, trouwde jong, kreeg kinderen en later kleinkinderen. Zijn schoonvader moest wennen aan het idee dat zijn dochter met een Indische jongen trouwde, maar zag later dat Lodewijk goed was voor zijn dochter. Het leven bleef soms moeilijk, maar er was liefde, en dat droeg hem.

Mijn moeder met Wanda

Jaren later kreeg hij een herseninfarct. Hij herkende de signalen niet meteen. Golfbewegingen in zijn zicht, een mond die scheef trok, een hand die hij niet meer voelde. Hij werd naar huis gestuurd door een arts, maar later alsnog opgenomen. Met doorzettingsvermogen vocht hij zich terug. “Ik ben meer van mijzelf gaan houden,” schreef hij. “Ik heb mijn nare jeugdervaring verbrand.” Hij leerde spreken in plaats van zwijgen. Hij leerde dat zijn stem er mocht zijn.

En toen kwam de reis naar Japan. Via de Oorlogsgravenstichting kwam hij in contact met de E.K.N.J., de stichting voor ex‑krijgsgevangenen en nabestaanden. Hij meldde zich aan voor de jaarlijkse reis, maar kreeg te horen dat er geen plaats meer was. Dat bericht kwam hard aan. Hij had zijn hele leven gezocht naar een spoor van zijn vader, en nu leek de kans om hem eindelijk te eren opnieuw te verdwijnen.

Toch vroeg hij voorzichtig of hij misschien alsnog mee mocht als iemand zich zou afmelden. Het was een klein sprankje hoop, meer niet. Maar soms werkt het leven op een manier die je niet kunt verklaren. Er meldde zich iemand af. En ineens was er tóch een plek voor hem. Hij noemde het een wonder, alsof zijn vader zelf een hand had uitgestoken.

Lodewijk als 9-jarige jongetje op school in Indonesië

Zijn vrouw had hem gesteund, maar ze wist ook hoe zwaar deze reis voor hem zou worden. Ze had eerder een workshop gevolgd in Ossendrecht, waar nabestaanden vertelden over hun ervaringen in Japan. Ze had gezien wat het losmaakte. En ze zei dat dit iets was wat hij alleen moest doen. Zelfs als ze mee had mogen gaan, had ze nee gezegd. Niet uit afstand, maar uit liefde. “Als ik erbij ben, houd je je misschien in,” zei ze. “En dit moet je helemaal kunnen voelen.” Zijn broer mocht wel mee, maar wilde niet. En zo vertrok hij alleen, maar gedragen door hun vertrouwen.

Voor de reis begon, organiseerde de reisleider een extra kennismakingsbijeenkomst, speciaal voor de mensen die zich later hadden aangemeld. In een zaaltje werd een grote landkaart van Japan opgehangen. De reisleider wees de plaatsen aan waar ze naartoe zouden gaan en gaf iedereen een schema mee. Hij vroeg ook of iemand papieren kraanvogels wilde vouwen voor de ceremonie in Hodogaya. Het waren kleine gebaren, maar ze gaven de reis een gevoel van betekenis.

De reis voerde langs Mizumaki, Hirado, Nagasaki, Osaka, Kyoto en Yokohama. In Mizumaki organiseerde de burgemeester een afscheidsdiner, waar ook hoge Japanse gasten aanwezig waren. Ze spraken geen Engels, de Nederlanders geen Japans, maar met handen en voeten, met lachen en knikken, vonden ze elkaar toch. Overal werden de nabestaanden ontvangen als eregasten. En bij aankomst in Hodogaya werden ze verwelkomd door de Nederlandse ambassadeur, die hen later uitnodigde om op de ambassade te komen dineren.

Ruut en Theo voor het huis in Indonesië

Soedimara het voorjaar van 1939

1: Barend, 2: Lodewijk, 3: Néné Latah

4: Lie Song Nio, 5: Lellen, 6: Njai Emiel

7: Erna, 8: Ida, 9: Wanda, 10: Sonja

11: Le Tsie, 12: Encang Non 13: Zoon van met Petij


Maar het belangrijkste moment kwam op de begraafplaats zelf. In de stilte van Hodogaya, tussen de rijen witte stenen, stond een klein tempelachtig gebouwtje. Daarbinnen stond een kist met de as van de mannen die in Moji waren gestorven. Er werd een krans gelegd namens EKNJ, Sakura en Jin. En toen legden de nabestaanden hun gevouwen kraanvogels op het altaar.

Lodewijk stapte naar voren. Hij legde zijn kraanvogel neer. “Ik kon alleen maar huilen,” schreef hij later. “Ik voelde dat mijn vader met mij meereisde.

Dit verhaal is een eerbetoon aan een man die veel verloor, maar nog meer gaf. Een man die zijn jeugd droeg als een schaduw, maar zijn volwassen leven bouwde in het licht. Een man die zijn ouders miste, maar zelf een liefdevolle vader en opa werd. ” Zijn vader ging verloren in de oorlog, maar Lodewijk vond hem terug in Japan".

Laten we zijn verhaal bewaren. Voor de volgende generaties. Voor wie wil begrijpen waar we vandaan komen. Voor wie wil voelen hoe veerkracht klinkt.

Bij het monument in Japan

Met mijn broer Theo
Theo Lohn

Mijn broer Theo en Ik

&

Theo Lohn

Mijn ouders

Barend Lohn & Lie Song Nio

lodewijk 12
Afbeelding13