Inleiding

Dit is het verhaal dat mijn vader nooit met zijn kinderen heeft gedeeld. Het begint in Schiedam, waar Johannes Theodorus Hermanus den Brinker erop 19 maart 1916 werd geboren, als kind in een groot arbeidersgezin. Zijn jeugd bestond uit werken wanneer het kon en zoeken wanneer het moest. In de jaren dertig, toen de crisis zwaar drukte op Nederland, zag hij geen toekomst meer: geen opleiding, geen werk, geen vooruitzicht.

Op negentienjarige leeftijd besloot hij het roer om te gooien. Hij meldde zich bij het K.N.I.L., in de hoop op een vak, kost en inwoning, en een kans om iets op te bouwen. Op 11 april 1935 tekende hij voor zes jaar, en enkele weken later vertrok hij met de Indrapoeranaar Nederlands‑Indië. Daar vond hij werk, opleiding en een nieuw leven. Hij voelde zich er thuis, sprak het Maleis vloeiend en had vrienden.

Maar op 8 maart 1942 veranderde alles. Die dag begon zijn krijgsgevangenschap — een periode vol ontberingen, verplaatsingen en kampen, die hij nooit met zijn kinderen heeft besproken. De feiten staan in documenten, de sporen in de tijd, maar de woorden heeft hij zelf nooit uitgesproken.

Een keuze die zijn leven bepaalde

Mijn vader groeide op in een arbeidersgezin met veel broers en zusters. Na de lagere school probeerde hij aan het werk te komen, maar de crisisjaren maakten dat moeilijk. Hij had verschillende baantjes, maar vaker nog stond hij zonder werk. Het vooruitzicht op een toekomst in Nederland was klein: geen opleiding, geen zekerheid, geen richting.

Op negentienjarige leeftijd besloot hij daarom het roer om te gooien. Hij koos ervoor om bij het K.N.I.L. te gaan. In de jaren dertig betekende dat een kans op een opleiding, kost en inwoning, verzorging bij ziekte en zelfs zakgeld. Ook het avontuur van een ver land speelde mee. Op 11 april 1935 tekende hij voor zes jaar dienst.

Op 28 april 1935 vertrok hij met het schip Indrapoera naar Nederlands‑Indië. Een maand later, op 26 mei, kwam hij aan in Tandjong Priok. Vanaf augustus 1935 werd hij geplaatst in het militair hospitaal van Tjimahi, waar hij zijn opleiding tot ziekenverpleger volgde. In mei 1941 behaalde hij zijn bondsdiploma, inmiddels in de rang van brigadier.

De eerste zes jaren van zijn diensttijd zaten erop. Hij had bereikt wat hij zocht: werk, opleiding, avontuur en een inkomen. Terug naar Nederland was geen optie meer; daar was inmiddels oorlog uitgebroken. In Indië voelde hij zich thuis. Hij sprak het Maleis vloeiend en had veel vrienden.

De oorlogsjaren

De oorlog bereikte ook Nederlands‑Indië. In de nacht van 28 februari op 1 maart 1942 landde het Japanse 16de Leger op drie plaatsen aan de kust van West‑Java. Ruim 20.000 man kwamen aan land bij Merak en in de Bantambaai. Op 8 maart werd op het vliegveld Kalidjati overeengekomen dat de algemene capitulatie van het K.N.I.L. de volgende ochtend bekendgemaakt zou worden.

Voor mijn vader begon op 8 maart 1942 zijn krijgsgevangenschap. Net als voor zovelen betekende dat een periode van ontberingen, verplaatsingen en onzekerheid. De feiten staan in het overzicht dat is achtergelaten: de kampen, de transporten, de schepen, de data. Het is een lange lijst die laat zien hoe vaak hij werd verplaatst, hoe weinig rust er was, en hoe de omstandigheden steeds veranderden.

Hij werd eerst krijgsgevangen gehouden in Bandung en Batavia, daarna in verschillende kampen in Nederlands-Indië. In mei 1944 begon een reeks scheepstransporten die hem uiteindelijk naar Japan zouden brengen. De namen van de schepen — NN Maru 17, Miyo Maru, Tamahoko Maru 2— staan in het document als stille getuigen van die reis.

Het transport met de Miyo Maru en later de Tamahoko Maru 2 maakte diepe indruk op degene die dit verhaal reconstrueerde. De Tamahoko Maru 2 werd op 25 juni 1944 getorpedeerd. Mijn vader overleefde het, werd als drenkeling opgepikt door vissersschepen, en kwam uiteindelijk terecht in Japan.

Vanaf 26 juni 1944 werd hij krijgsgevangene in Fukuoka 14B, in Nagasaki.

De kampen en verplaatsingen in Nederlands-Indië

Na de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942 begon voor mijn vader een lange reeks van verplaatsingen door verschillende kampen in Nederlands‑Indië en daarbuiten. Het was een periode van voortdurende onzekerheid, waarin niets vaststond behalve dat hij telkens weer werd overgebracht naar een nieuwe plek.

Zijn krijgsgevangenschap begon in Bandung, in het kamp Tjimahi, Baros 6 en het 15e Bataljon. Hier verbleef hij van 8 maart 1942 tot 18 april 1942. De omstandigheden waren zwaar: overvolle barakken, weinig voedsel, en het besef dat niemand wist hoe lang deze situatie zou duren.

Op 18 april 1942 werd hij overgebracht naar Batavia, waar hij terechtkwam in het kampement van het 10e Bataljon. Hier verbleef hij ruim twee jaar, tot 18 mei 1944. Het leven bestond uit appèls, dwangarbeid, wachten, en proberen gezond te blijven met minimale middelen.

Daarna volgden de eerste transporten over zee. Op 18 mei 1944 vertrok hij vanuit Java (Batavia) naar Singapore, aan boord van de NN Maru 17. De reis duurde tot 22 mei 1944. In Singapore werd hij ondergebracht in het kamp River Valley Road, waar hij verbleef tot 3 juni 1944.

Op 3 juni 1944 begon het volgende transport, ditmaal met de Miyo Maru, richting Manilla. De reis duurde tot 11 juni 1944. Van daaruit ging het verder: op 14 juni 1944 vertrok hij opnieuw met de Miyo Maru, nu richting Takao (Formosa). Deze reis werd geteisterd door een tyfoon die vier dagen duurde, van 15 tot 19 juni 1944.

Op 20 juni 1944 volgde het laatste transport vóór Japan: van Takaonaar Japan, aan boord van de Tamahoko Maru 2. Dit schip zou vijf dagen later, op 24 juni 1944, worden getorpedeerd.

Deze hele periode — van Bandung tot Batavia, van Singapore tot Manilla en Formosa — vormde een lange, uitputtende aanloop naar wat nog zou komen. Het waren jaren van verplaatsingen, onzekerheid en overleven, waarin elke dag anders kon eindigen dan hij begon.


Afbeelding9
Afbeelding10
Afbeelding11
Afbeelding12

Het Scheepstransport

De scheepstransporten die mijn vader tijdens de Japanse bezetting heeft doorstaan, vormen een van de meest aangrijpende delen van zijn oorlogsjaren. Van alle reizen maakten vooral de transporten met de Miyo Maruen de Tamahoko Maru 2 diepe indruk.

De Tamahoko Maru 2 was een Japans transportschip. Op 24 juni 1944 om 23.30 uur, onderweg van Singapore via Formosa naar Japan, werd het schip nabij Nagasaki getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeboot USS Tang. Aan boord bevonden zich 772 geallieerde krijgsgevangenen, van wie 560 mannen om het leven kwamen.

Mijn vader overleefde de aanval. Hij dreef in het water tot hij werd opgepikt door vissersschepen, samen met andere drenkelingen. De volgende dag, op 26 juni 1944, werd hij naar Japan overgebracht.

De USS Tang, die het schip tot zinken bracht, was sinds oktober 1943 operationeel. Op 24 juni 1944 bevond de onderzeeboot zich op positie 32.24 Noord en 129.38 Oost, waar zij meerdere Japanse transportschepen torpedeerde, waaronder de Tamahoko Maru 2.

Voor wie zich verder wil verdiepen in dit transport bestaan er drie bronnen met aanvullende informatie:

Fukuoka 14B : Kamp 1 & Kamp 2

Na de torpedering werd mijn vader op 26 juni 1944 naar Japan gebracht. Hij kwam terecht in Fukuoka 14B, een krijgsgevangenenkamp in Nagasaki, gelegen tussen het Centraal Station en de Urakami‑rivier.

Het kamp bestond uit twee delen:

Kamp 1 Het oudste deel, een grote fabrieksloods met enkele bijgebouwtjes.

Kamp 2 Gebouwd in de zomer van 1944 voor de 212 drenkelingenvan de Tamahoko Maru 2.

De omstandigheden waren zwaar. De voeding bestond uit 660 gram rijst per dag, een mok groentesoep, soms wat vlees of vis. Ziekte kwam veel voor: dysenterie, longontsteking, uitputting. Er was nauwelijks medische zorg.

Het werk was zwaar en bestond uit:

  • tankerbouw op de Mitsubishi‑werf, 3,5 km van het kamp

  • werkzaamheden in een fabriek naast het kamp

In juli en augustus 1945 werd Nagasaki herhaaldelijk gebombardeerd: op 3, 4, 9, 16, 29 en 31 juli, en op 1 augustus 1945.

Na de oorlog en de terugkeer naar Nederland


Na de capitulatie van Japan werd mijn vader op 17 september 1945 geëvacueerd naar Manilla, waar hij deel uitmaakte van de 50e Bataljonsgroep. Daarna volgden maanden van herstel:

  • in militaire hospitalen in Balikpapan

  • op het hospitaalschip Maetsuycker, dat hem terugbracht naar Nederland

Op 24 juli 1947 kwam hij aan in Batavia, en kort daarna begon zijn nieuwe leven als verpleger.

Hij sprak nooit over de oorlog. Niet over de kampen, niet over de schepen, niet over Nagasaki. Pas veel later, door verhalen van anderen, werd duidelijk wat hij had meegemaakt.

Op 28 oktober 1996 overleed  mijn vader  Johannes Theodorus Hermanus den Brinker in Rotterdam. Zijn verhaal leeft voort in herinneringen, in documenten, en in de stille kracht van iemand die bleef zorgen, ook nadat alles wat hij kende was verwoest.

Kamp 1

Kamp 2

De bom op Nagasaki

Op 9 augustus 1945 ontplofte de atoombom boven Nagasaki. Het epicentrum lag op ongeveer 1800 meter van Fukuoka 14B.

De explosie verwoestte grote delen van de stad. De gevangenen vluchtten de heuvels in om aan de hitte, de drukgolf en de branden te ontsnappen. In de groep waarin mijn vader zat, overleefden velen de aanval, maar er waren ook doden.

Een tekening van de stad laat zien hoe dicht het kamp bij het epicentrum lag. Daarop zijn onder andere aangegeven:

  • het epicentrum

  • de Mitsubishi‑fabrieken

  • de Urakami‑kathedraal

  • het station

  • de rivier

  • de ligging van Fukuoka 14B (aangeduid als punt 6)

De kaart maakt zichtbaar hoe groot de vernietiging moet zijn geweest. (klik op de kaart om hem te vergroten)

USS TANG

TAMAHOKO MARU

Bron: J.Stellingwerff – Fat man in Nagasaki, pg 8

De stilte na de storm

Na alles wat hij had meegemaakt, koos mijn vader voor stilte. Niet uit zwijgzaamheid, maar uit rust. De oorlog had hem gevormd, maar niet verbitterd. Hij bleef zorgen, bleef werken, bleef leven met een kalmte die alleen voortkomt uit iemand die het uiterste heeft gezien.

In zijn handen bleef de zorg bewaard — de zachte aanraking van een verpleger, de blik die meer zegt dan woorden. Hij droeg zijn verleden niet als last, maar als getuigenis. Een herinnering aan wat mensen kunnen verdragen, en toch mens blijven.

De verhalen die wij nu vertellen, zijn niet alleen van hem, maar van allen die met hem reisden. Van de schepen, de kampen, de steden, de namen die in archieven staan. Van de generaties die luisteren, en begrijpen dat vrijheid nooit vanzelf spreekt.

Zo eindigt zijn verhaal niet met een punt, maar met een adem. Een adem van dankbaarheid, van herinnering, van voortleven.

Met dank aan Bertus den Brinker voor zijn vertrouwen in de Indische Verhalentafel en het delen van de herinneringen en foto’s van zijn vader — een bijdrage die dit familieverhaal niet afsloot, maar juist verder liet openbloeien. Bertus is de zoon van 

Johannes Theodorus Hermanus den Brinker

Tilly van Coevorden, april 2026